Henk Spaan
Een ontmoeting met een vergeten nummer 10
Toen de zomer zijn hoogtepunt had bereikt, reisde ik op een namiddag per trein van Brive-la-Gaillarde naar Bordeaux.
Aanvankelijk glooide het Franse landschap en waren de heuvels groen. Meer naar het westen werd alles geler en vlakker. Huizen gebouwd van grijze keien, werden huizen van geel zandsteen. De trein reed langs maisakkers, zongeblakerd gras en uitgestrekte velden met zonnebloemen, waarvan de koppen met de zon meetrekken - girasole - in een dagelijkse cyclus van oost naar west, van optimisme naar melancholie.
Bij Bordeaux was er een opleving van groen: strakke rijen wijnranken wachtend op de oogst.
"Dit jaar moet het gebeuren," zou Richard Witschge een dag later, enigszins verbeten, zeggen. Een conflict met de louche manager Courbis, in Frankrijk is een veroordeling wegens fiscale en andere financiële knoeierij kennelijk geen reden voor een royement, had zijn loopbaan als profvoetballer nog geen vier maanden geleden in een gevaarlijke fase doen belanden. Richard was opnieuw bankzitter geworden.
"Corbis stelde me niet op omdat-ie me gewoon wou treiteren". "Hij nam je kwalijk dat je een Porsche hebt." "Ik verlaag me niet om hierop te reageren. Hij heeft zelf trouwens ook een Porsche."
Nu gloorde de hoop weer in Bordeaux. Courbis was ontslagen, de eerzuchtige Portugese trainer Toni gekomen en Richard had er als linkshalf al twee puike wedstrijden opzitten bij de bovenaan staande Girondins.
Het was in Bordeaux warmer dan doorgaans in Orlando. In hotel Burdigala, waar de familie Witschge van de winter een tijdje had gewoond, nadat ook hun huis en met name de kelder, niet gespaard was gebleven voor de excessieve overstromingen in zuidwest Frankrijk, verviel ik gedachteloos in het patroon van koffer uitpakken, roomservice bellen en bad laten vollopen.
Toen ik eenmaal uitgestrekt in het lauwe water lag, een flesje 1664 van Kronenbourg aan de mond, dacht ik aan het enigszins zielig aandoende secondguessing van Cruijff en Gullit ver nadat de wereldkampioenschappen voetbal waren afgelopen. Wie in de Amerikaanse professionele sport achteraf zijn gelijk wil halen, stuit op onbegrip. Dagelijks moeten tientallen managers het besluit nemen de werper nu, op dit moment te vervangen door de reliefpitcher, of hem nog een inning te laten staan. Niets is goedkoper dan zo'n beslissing achteraf aan te vechten bij verlies. Voor hetzelfde geld had de coach namelijk gewonnen. De sportliefhebber in Amerika is zich daarvan bewust. Van second guessing houdt hij dan ook niet.
Als De Goey die bal van Branco gewoon had gestopt, wat hij negen van de tien keer zou hebben gedaan, was het misschien op Penalty 's uitgedraaid en als Nederland dan had gewonnen......, maar as is verbrande turf, dat weet iedereen behalve Gullit en Cruijff. En nu ik me toch lag te ergeren: ik vond het eigenlijk veel vervelender dat Richard Witschge er in Amerika niet bij was geweest, met al onze problemen op links, dan die hele Gullit en zijn irritante psychopraatjes uit de seventies.
4-4-2 Wat nou : 4-4-2! Tegen België werd Ronald de Boer uit de spits gehaald en ging Bergkamp in de spits spelen. Opeens draaide het Nederlands elftal.
Tegen Brazilië werd Bergkamp uit de spits gehaald en verving Ronald de Boer Rijkaard. Opeens draaide het Nederlands elftal. Had Cruijff zoiets kunnen voorspellen?
Laat me niet lachen.
De taxichauffeur die me naar het station van Bordeaux bracht, was het roerend met me eens.
Tijdens de warming up deed Richard alles met de bal wat je van een fantasista verwacht: niks normaals. Het mooiste was de manier waarop hij, in de lucht hangend, helemaal los van de grond, zijn rechterbeen achter het linker zwaaide en de bal controleerde met zijn rechterhak.
Bordeaux bleek de Franse Gentile, de moordenaar van Auxerre, Prunier te hebben overgenomen uit de failliete boedel van Marseille. Hij bleef onkarakteristiek braaf, al sloeg hij, tot mijn genoegen, want ik zie een reputatie graag bevestigd worden, tien minuten voor tijd de spits van Martigues hard in zijn gezicht.
Richard zelf speelde een matige eerste helft, waarin het hem niet gemakkelijker werd gemaakt door de linksback Lizarazu, die in Frankrijk als een groot talent geldt maar die mij sterk deed denken aan Tonny Adam, een geblockt backje van het DWS uit de jaren '60, dat vader Piet Witschge zich ongetwijfeld nog herinnert. Lizarazu sprintte voortdurend gretig naar voren op zijn korte beentjes, wat Richard tot achter blijven dwong. Na de rust, toen de bordjes eenmaal verhangen waren, zagen de 15.000 toe schouwers een herboren Witschge. De volgende ochtend zou hij me uitleggen hoe dat kwam.
"Ik had in het begin van de eerste helft een schop gehad, net op een botje onderaan mijn voet. In de rust hebben ze me wat gegeven tegen de pijn. Een soort aspirientje maar dan sterker. Niks bijzonders verder, want ze hebben hier ook dopingcontrole. Maar ik voelde die voet in elk geval niet meer. Wat is die spits van ons goed, hè?'' vroeg hij, terwijl we naar zijn auto liepen, hij hinkend.
Milanello geldt als het absolute trainingscomplex in Europa, maar wie dat zegt heeft het Château van Haillan nog nooit gezien, zo'n klassiek Frans paleis dat je hoogstens kent van het etiket van dure flessen Bordeaux. De kleedkamers van de selectie bevinden zich in de kelders van het kasteel. Dugarry heet die spits en hij had in mijn Michelingids van het Europese voetbal de avond tevoren na een kwartier al drie sterren te pakken, plus de aantekening dat ook hij de grote omweg die ik had moeten maken, meer dan waard was geweest.
Dugarry is lang, snel, tweebenig, hij kan koppen, schieten en passeren, je kunt hem in de diepte sturen en de bal in de voeten geven en hij is pas 22 jaar: een ideaal aanspeelpunt voor een voetballer met de touch van Richard Witschge.
"Hij is beter dan Cantona. Ik heb hem vorig jaar al eens aanbevolen bij Rob Jansen, al had ik liever niet dat hij wegging uit Bordeaux. Maar die kans is nu toch verkeken, want hij heeft hier net voor een jaar of vijf getekend. Zo'n spits zie je in Nederland echt niet."
In Richards auto, een zwarte Porsche, reden we het weelderige terrein van Haillan af naar het centrum van Bordeaux. Ofschoon Witschge niet had kunnen trainen, zag hij wit van moeheid. Op de achterbank had ik twee medicijndoosjes zien liggen. De wedstrijd van de avond ervoor en de medicamenten begonnen hun sporen na te laten.
Ik dacht aan een gesprek met Beenhakker in Orlando waarin de coach, vol zelfspot, had verteld hoe hij Witschge en andere spelers uit de Ajax selectie had verboden te pokeren. Er was te veel geld mee gemoeid. "Het hele jaar door liet die etter van een Witschge mij, telkens als ik ergens binnenkwam of langs een tafeltje liep waar ze zaten te kaarten, met een strak smoel acht kaarten zien. `Kijk, trainer, we pokeren echt niet, hoor', zei die hele houding van hem. Ik werd er gek van. Waarschijnlijk zat ie me nog te belazeren ook."
Witschge moest lachen toen ik hem het verhaal vertelde.
"Natuurlijk zaten we te pokeren. Van tevoren schreven we op de achterkant van een blaadje een of andere klaverjasstand op die nergens op sloeg en als-ie langs kwam, pakten we er vlug drie kaarten bij en draaiden we het blaadje om."
De houding van Witschge heeft iets onafhankelijks wat met name hen die het vak van voetbaltrainer hebben gekozen, een beroep dat leunt op een militair aandoende, absurde autoriteit, tot razernij kan brengen.
"Ik vond je gisteravond spelen als een echte prof," zei ik, op het terras van de brasserie in het centrum van de stad waar veel leden van de selectie van Bordeaux na de training hun foie gras frais komen eten.
"In de eerste helft niet," zei hij. Maar de tweede helft begon Witschge met het herhaald afpakken van de bal bij een tegenstander, waarbij hij niet schroomde een enkel of achillespeesje mee te nemen in de vlucht. En elke pass ging nu diep, op Dugarry natuurlijk.
"Als hij zijn tegenstander aan de binnenkant heeft, geef ik hem diep buitenom. Als-ie een speler in zijn rug heeft, speel ik hem in zijn voeten aan. Dat soort dingen leer je van Cruijff. Eerst moet je erbij nadenken. Nu gaat dat vanzelf"
Twee keer had hij applaus gekregen tegen Martigues. Tien minuten voor tijd schoot hij met rechts van een meter of zestien een mooi gedrukte bal, hard, net naast. In de eerste helft was er een moment geweest waarop, zoals bij alle spelers met extra klasse, een seconde twee keer zo lang lijkt te duren. De bal kwam na een nog niet afgeslagen aanval van Martigues, hard op hem af. Tijdens de loop van de bal vond hij de tijd om te kijken. Daarna - one touch - passte hij in een keer op de speler die de tegenstanders en het publiek het minste hadden verwacht. De bal was vrij, het gevaar geweken. Het duurde even voordat de mensen het genie van het moment hadden begrepen. Toen volgde de ontlading van een plotseling besef in applaus.
Wat eeuwig zonde dat Richard in Amerika moest ontbreken. Maar ja, er was niemand naar hem komen kijken in Bordeaux.
"Er komen wel mensen kijken, maar dat is mijn familie en die heeft weinig te zeggen in Zeist,'' zei hij.
En hij speelde natuurlijk niet toen het erop aankwam, dankzij dat akkefietje met Courbis, die overigens ook mot had gekregen met Marcio Santos, de Braziliaanse verdediger die in Amerika wel het podium had gevonden om een vertrek uit de mooie maar afgelegen Franse wijnstad te bewerkstelligen.
Ik vroeg Witschge waar hij vroeger eigenlijk op straat had gevoetbald. "In de Speelmanstraat in Slotermeer,'' zei hij. Zijn antwoord klonk geroutineerd. Iedereen die zich wil onderscheiden bij het interviewen van een voetballer, begint natuurlijk over de straat. De Straat! De vraag was hem natuurlijk al tien keer eerder gesteld.
Laat ik nu het geluk hebben op vijf minuten afstand van De Straat te zijn opgegroeid.
"Zat je soms op de Fockschool?'' vroeg ik.
``Ja ken je die dan?" vroeg hij.
"Wij vochten tegen de Fockschool," zei ik. Op het basketbalveldje op de hoek van de Burgermeester Fockstraat en de Vening Meineszlaan waar Richard en zijn vriendjes de banken als doel gebruikten, waren dat voor ons twintig jaar eerder, de ijzeren staanders van de baskets geweest. Hoe vaak had ik niet in de stoel van de tandarts in de Wiardi Beckmanstraat gezeten, met een diep verlangen naar de geluiden van de voetballende kinderen op dat basketbalveldje.
Richard tekende voor mij de situatie in de Speelmanstraat. "Je had een tunneltje en een portiek. Dat waren de doelen. Op een ander pleintje, aan het begin van de straat, stonden bomen. Ieder had zijn eigen boom. Je begon met vijf punten. Als er op jouw boom gescoord was, ging er een punt af. Wie als eerste op 0 stond, kreeg een extra beurt. Net als bij toepen.''
"Haalden jullie ook patat bij Eype?'' Hij lachte verrast.
``Ja, Eype! Dat was vlak achter ons," zei hij.
En de slagerij van Timmer, dacht ik. Freddie en Loekie Timmer zaten bij mij op Aristos, evenals de zoon van de kruidenier op de hoek van de Fockstraat en de Vlugtlaan : Jantje Zuidervaart.
"Met de Fockschool wonnen we altijd het Paastoernooi. Toen mochten we een keer de landelijke finale spelen op Papendal. Die verloren we. Van welke school weet ik niet meer. De Dolly Dots traden er op. 'Radio Days' zongen ze," vertelde Richard.
Terwijl ik in hartje Bordeaux zat te mijmeren over Amsterdam Slotermeer, de tuinstad die ik in 1969 had verruild voor een kamertje in de binnenstad, precies het jaar waarin het gezin Witschge in West was komen wonen, Richard was toen vier maanden, kwamen er een tweejarig meisje en haar opa bij ons tafeltje staan. Vlug peuterde Richard een metalen ringetje uit de mond van zijn dochter, waarop ze in alle tevredenheid liep te sabbelen. Dugarry, de Franse Van Basten, arriveerde en kuste het kleine meisje.
"Niet met je tong, he," waarschuwde Witschge. Daarna druppelde de rest van Richards familie binnen: vrouw, schoonmoeder en -zuster.
"Wil je met zijn tweeën eten of gaan we bij hun zitten?'' vroeg hij. We aten met zijn allen natuurlijk. Tijdens het praten over Roy van wie Witschge zeker wist dat hij in Amerika 50% beter zou hebben gepresteerd als hij achter hem zou hebben gestaan, over juffrouw Groen van de Fockschool, over de krachttraining die hij nu drie keer per week deed, zorde Richard er onopvallend voordat de glazen gevuld bleven en dat lege water- en wijnflessen door volle werden vervangen.
Als gastheer subtiel en elegant als op het middenveld.