Hugo Borst
Passage
Mrs. Robinson in de Rotterdamse binnenstad
I
In Monisima ruikt het naar Nina Ricci. Ik denk steeds aan Mrs. Robinson uit The Graduate. Meneer Wilkes denkt aan de oorlog. Meestentijds denkt hij aan de lieve dingetjes die zijn kleinzoon Calvin tegen hem zegt, aan zijn tijd bij de voetbalclub Valencia, aan gestrande en wanhopige Spaanse vrachtwagenchauffeurs die hij de weg wijst in Rotterdam, aan zijn vertrouwde restaurant in Milaan, en zoals vandaag denkt hij steeds aan de gewonde spreeuw, maar omdat ik hem er vragen over stel denkt hij nu heel diep na over zijn oorlogstijd.
'Lagendaal. Ken je Lagendaal?' vraagt Wilkes.
Miss Blanche-album, 2e serie, plaatje 1. Ik knik. Het Kanon ken ik wel. Hij werkte bij mijn opa op het Haagseveer.
'In '87 is hij overleden,' zegt Wilkes. 'Hij is in stilte begraven. Ik ben niet zo'n briefschrijver, maar zijn weduwe heb ik toen geschreven. In de oorlog heb ik veel aan hem te danken gehad.'
Lopend over de Lijnbaan, die stedenbouwkundige wereldprimeur uit de jaren vijftig die binnenkort wordt gerenoveerd, langs Le Mans, Who's next, Sissy Boy en Bloomingsfield, allemaal eigendom van Calvins vader en moeder, langs Best Boy Company, die wordt gerund door Michael Wilkes, over het Stadhuisplein waar de jeugd voorbijgaat aan het oorlogsmonument, het steegje doorstekend naar de Kruiskade, en dan om de hoek rechtsaf, Monisima binnengaand, waar de chic van Hillegersberg en Kralingen Jobis, Max Mara, Escada, Versace, Moschino, Genny, Marielle Bollier aan het passen is (kleding die meneer Wilkes en zijn vrouw vorig jaar onder andere in Milaan hebben ingekocht), heel de tijd moet meneer Wilkes denken aan de spreeuw die gistermiddag uit de lucht is komen vallen. Hij zat verdoken, maar kennelijk niet verdoken genoeg, in een nis van hun winkel en meneer Wilkes die niet tegen dierenleed kan heeft de spreeuw toen opgepakt, is Monisima waar zijn vrouw juist een type Anne Bancroft hielp, binnengelopen en heeft geprobeerd de spreeuw water te laten drinken, maar het stomme beest pikte met zijn snavel in de lange vingers van meneer Wilkes (waar hij, nu hij dat vertelt, om moet schateren), die de vogel daarop maar aan de overkant bij het Hilton in de bosjes heeft gezet met zo'n ongelofelijk dikke plak cake dat de spreeuw er gemakkelijk de hongerwinter mee door kan komen. Na sluitingstijd is meneer Wilkes nog met een lantaarntje gaan kijken. De filmfestivalgangers vonden het niet raar dat er een gentleman met een lantaarntje in de bosjes scheen, de takken verschikte, met zijn handen de aarde omwoelde; allemaal vergeefs, want hij kon de spreeuw niet vinden. Straks zal hij nog eens gaan kijken, als hij Calvin gaat halen om hem naar voc te brengen, maar hij gelooft niet dat de spreeuw er nog zit.
Mijn moeder vindt het knap dat spreeuwen het geluid van andere vogels kunnen imiteren. Zelf houd ik niet van spreeuwen. Ze komen zo plotseling, met tienduizenden tegelijk, en verdomd, altijd uitgerekend in het voorjaar. Als ze in mei in de lucht hangen, gegroepeerd zwenkingen maken, dan doen ze me denken aan ronkende Heinkels die laag en traag over de binnenstad scheren om systematisch hun duizend bommen en granaten af te gooien. Als ze krijsend bezit nemen van de binnenstad, meestal de Coolsingel, dan boezemt me dat angst in, in het bijzonder hun geschreeuw en het gestamp van hun laarzen.
Als je zoals ik van '62 bent is het not done om spreeuwen als metafoor te gebruiken voor Heinkels of Duitsers, te schrijven over de oorlog. Daar rekent generatie nix zelfs genadeloos mee af, met al diegenen die maar over de oorlog blijven schrijven. Maar als je in Rotterdam bent geboren, in de herbouwde Weteringstraat bijvoorbeeld, dan ligt dat heel anders, dan mag je gerust eens over de oorlog schrijven, jezelf uitroepen tot een tweede generatie-oorlogsslachtoffer.
Al is mijn pijn aandoenlijk en licht, onderschat mijn lijden niet. Het bestaat uit de lelijkheid van Rotterdam en dat ik die lelijkheid tot vermoeiens toe altijd maar moet verdedigen en verantwoorden, want bestrijden zou ik het niet willen noemen.
'De Passage was zo mooi en zo gezellig, joh,' zegt meneer Wilkes, die op een krukje voor de vitrine in Monisima zit. 'Dan liep je van de Coolsingel door de Passage naar de Hoogstraat. De Hoogstraat was ook zo'n fijne, drukke winkelstraat, niet te vergelijken met nu. Hoe vaak ik tegenwoordig niet denk hoe gezellig Rotterdam voor de oorlog was. Al die nieuwe gebouwen, ik vind sommige best mooi hoor, maar het is niet echt hè? De sfeer is weg. Voor de sfeer ga ik naar Amsterdam. Het doet me pijn om te zeggen, maar daar hebben de moffen nou eenmaal niet huis gehouden. Als ik in Milaan loop, in zo'n chique galerij, dan is het net of ik in oud-Rotterdam ben. Dan denk ik: God, als die moffen ons niet hadden platgebombardeerd dan was het nog ouderwets gezellig hier. De sfeer van vroeger is verdwenen, maar je blijft toch altijd van je stad houden.'
De sfeer van vroeger is weg, maar je blijft toch altijd van je stad houden. Beter dan meneer Wilkes kan ik het niet verwoorden. Wat Bomans ooit zei, dat de echte Rotterdammer de binnenstad mijdt als de pest, is dus niet waar. We melden ons juist massaal op de Lijnbaan, de Blaak, het Weena, de Hoogstraat of de Coolsingel, misschien wel omdat we onbewust op zoek zijn naar onze verloren identiteit of gewoon om onze afkomst niet te verloochenen of misschien wel alleen omdat het leven verder gaat, al geloof ik stellig dat we ook voor het herbouwde Rotterdam zijn gaan voelen.
Als je met niet-Rotterdammers door Rotterdam loopt, stellen ze doorgaans drie vragen:
1) Waar nou precies het centrum is?
2) Waarom het altijd zo tocht in Rotterdam?
3) Wanneer de binnenstad nou eindelijk eens af is?
Ze vragen zich nog het meest af hoe je in godsnaam in Rotterdam kunt wonen, maar uit medelijden zeggen ze dat nooit hardop. Anderen, onder wie opvallend veel hoofdstedelijken, zijn wel heel direct. Ze lachen je hatelijk uit omdat ze bijvoorbeeld niet begrijpen waarom die kraters, die natuurlijk bouwputten zijn waar hard wordt gewerkt, nog niet zijn geëgaliseerd, of ze zeggen dat ze al die kantoren best wel heel erg gezellig vinden.
Gallisch word ik altijd van dat soort halve zolen. Cynisch doen over Rotterdam of er gewoon een beetje op kankeren doen we zelf wel. Ze zouden de grachtengordel eens moeten opblazen, dat ze kunnen weten hoe het voelt onthecht te zijn (hoewel ik die nagemaakten ervan verdenk dat ze hun stad niet liefhebben), maar we zeggen natuurlijk niks, de aanvechting om hun belachelijkmakerij en sarcasme te beantwoorden met katten en sneren of een beetje te gaan lopen opsnijden over onze haven is al lang geweken; wij staan daar ver boven. Het zijn díe mensen die de band met de stad die op oud-Rotterdam is gebouwd versterken, die ons er nog maar eens van doordringen dat bommen en brand het centrum verwoestten, dat wil zeggen: 600 tot 900 mensen kwamen om, en 24978 woningen, 2393 winkels, 1483 kantoorruimtes, 1212 fabrieken en werkplaatsen, 526 cafés, 256 pensions en kosthuizen, 184 garages, 69 scholen, 26 hotels, 21 kerken, 12 bioscopen, 4 ziekenhuizen, 4 stationsgebouwen, 2 theaters en 2 musea werden vernie-tigd.
'Laatst zegt er een man op televisie,' vertelt meneer Wilkes, 'dat het bombardement op Rotterdam een zegen was. Een zegen! Dat vond ik een verschrikkelijke belediging. Dan kan hij bedoeld hebben dat het bouwkundig gezien en uit hygiënisch oogpunt een zegen was, maar het bleef een heel smerige opmerking voor iedereen die het bombardement van nabij heeft meegemaakt.'
(Ik heb wel eens begrepen dat sommige joden die de vernietigingskampen hebben overleefd, gek worden van angst bij het idee dat wat zij hebben gezien en beleefd ooit wordt vergeten of wordt uitgelegd als een leugen, hoe ondenkbaar dat uitwissen ook is. De vernietiging die Rotterdam in mei 1940 trof, staat niet in verhouding met hun ervaringen, maar ik ken Rotterdammers, overlevenden van het bombardement, die behept zijn met een vergelijkbaar soort angst; dat in de toekomst het bombardement nooit blijkt te hebben plaatsgehad, dat, ondanks hun fantoompijnen, Spui, Korte Hoofdsteeg, Hoofdsteeg, Kolkkade, Sint Laurensstraat, Hoofdsteeg, Noordblaak, Zuidblaak, Kleine Posthoornsteeg, Posthoornsteeg, Diergaardelaan, Boerensteiger, Lange Torenstraat en Van Hogendorpsplein nooit hebben bestaan en dat Jan Gat, want zo noemen wij De verwoeste stad van Ossip Zadkine hier, vroeg in de 22ste eeuw voor een astronomisch bedrag wordt verkocht aan een puissant rijke kunstliefhebber uit Kobe of wordt opgehaald door een oudijzerboer.)
Wat meneer Wilkes bedoelt is: een gekastijde stad is Rotterdam altijd gebleven en zal het ook altijd wel blijven. (Een kennis - een Rotterdammer die zeer is geïnteresseerd in architectuur - zei laatst dat-ie bij nader inzien toch wel vond dat de Duitsers meer schade hadden aangericht dan de architecten.) De uitzonderingen daargelaten, lelijkheid is zo langzamerhand ons handelsmerk geworden. Misschien is foute architectuur in Rotterdam reeds zo'n verworvenheid dat we van een traditie kunnen spreken die in de 21ste eeuw in ere moet worden gehouden. Misschien is de ons omringende lelijkheid wel zo bedoeld, en kunnen we de dag van de verwoesting daardoor gemakkelijker gedenken. Ga dus maar door met het geestdriftig ontwerpen van Kubuswoningen of - minder prestigieus van aard - de Boogjes, laten er maar Potloden en Haarspelden en Blakeburgen en Coolse Poorten en godweetwatnogmeer worden gebouwd, opdat ons eeuwig hoon ten deel valt. Maakt niet uit, het heien mag nooit ophouden. Net alsof het hart weer klopt.
God ja, dat heien. Of ik nou op school zat bij het Hofplein of bij het spoorwegviaduct ter hoogte van de Lombardkade voetbalde of straks over het Beursplein slenter, altijd en overal worden er palen de grond ingeslagen. Tien tegen één zijn het de bevruchtingen waar perenbaksels van komen. Maar het geeft niet. Gebouwd wordt er met overgave in Rotterdam. Zozeer dat je je werkelijk de pleures zoekt naar Jan Gat, die geloof ik al twee keer een andere plaats heeft gekregen als gevolg van bouwwerkzaamheden, maar op die manier nooit een eerlijke kans krijgt om zich nou eens lekker stevig te wortelen in het puin en gruis van 14 mei 1940.
Rotterdam is Rotterdam niet meer, constateert meneer Wilkes verbitterd. Zowaar hij oud-Rotterdammer is! Zijn vader en zijn oom hadden een verhuizerij, Fa. Wilkes & Zoonen, later A. Wilkes & Zoonen. 'Voor de oorlog reden we rond in een ouwe vrachtwagen, een Chevrolet. Dan reed je door een doolhof van straatjes, hofjes en steegjes. Dat was lastig manoeuvreren hoor. Maar het had zijn charme en daar is helemaal niks voor teruggekomen,' zegt meneer Wilkes.
Dat is de schuld van ir. Cornelis van Traa, na de oorlog directeur van de Dienst Stadsontwikkeling en Wederopbouw. Goed, eind jaren veertig, begin jaren vijftig was er weinig geld (maar ook in het buitenland bestaan er uit die periode voorbeelden van fatsoenlijke architectuur, beweert diezelfde kennis), maar al eerder, bij het startsein van het herbouwen van Rotterdam, pleitte Van Traa nadrukkelijk voor 'zakelijkheid en soberheid' - enge Duitse trefwoorden - en zijn stokpaardje was de toegankelijkheid voor het verkeer - jaja, een goed wegennet, daar geilde Hitler ook zo op.
Het plan-Van Traa heeft de toon gezet. De vooroorlogse stadsdriehoek zou niet worden herbouwd, zoals Van Traa's voorganger, ir. Witteveen, direct na de verwoesting had gewild. Daarvoor in de plaats zou een rechthoekig systeem van hoofdwegen worden ontworpen. Het was geen blunder, meer een foute tactiek die een historische nederlaag inleidde. Op 28 mei 1946 kreeg ir. Van Traa zijn zin. Zijn basisplan voor de wederopbouw werd door de tijdelijke gemeenteraad goedgekeurd. Nu, bijna 55 jaar later, gezien vanaf de Brienenoord, is de skyline van Rotterdam veelbelovend, maar eenmaal in Rotterdam-centrum aangekomen is het bombardement nog zichtbaar.
Had die Van Traa en met hem die beunhazige architecten iets van de virtuositeit, de creativiteit, de originaliteit en de uitstraling van meneer Wilkes gehad, dan was het vast goed gekomen met Rotterdam, en dan had Rotterdam ook triomfen gevierd, gelijk meneer Wilkes.
Elke Rotterdammer ouder dan zestig heeft zijn eigen verhaal van de 14e mei 1940.
Het was de vijfde oorlogsdag, Crooswijk, net na enen. Mijn moeder, die in de 1e Wandeloorddwarsstraat 49b woonde, at broodpap, mijn vader, die in de 1e Van Zoelenstraat 6a woonde, een boterham met kaas. Toen de spreeuwen ineens driftig Heinkels begonnen te imiteren en er zelfs bommen vielen, vluchtten ze met hun familieleden naar beneden om op de overloop of op de trap te schuilen. Mijn vaders zus Trijntje, die nog het minste recht had om God aan te roepen, sprak tot Hem dat ze nog niet dood wilde - en verdomd, dat hielp. Mijn moeders vader ging op zolder een emmertje met zand halen, omdat dat zo was voorgeschreven, en mijn moeders moeder at stil haar broodpap op, terwijl het huis op zijn fundamenten trilde. Voor hun gevoel hebben mijn ouders uren op de trap zitten luisteren naar het bombardement. Het was een mooie dag met veel wind, herinnert mijn vader. De zon kwam niet door de rook heen. Roet en door het vuur aangevreten papier, verwaaid uit de verloren stad, daalde neer op straat. In de Jonker Fransstraat, die waanzinnig in de hens stond, werden plunderaars opgepakt. Voor de deur van het huis waar mijn moeder woonde, stopte om tien over vijf een vrachtauto met mensen uit de binnenstad die alles waren kwijtgeraakt; hun familie, hun huis, hun spullen. Een hoogzwangere vrouw kon bij mijn opa en oma intrekken. Mijn moeder zegt dat ze dagenlang naar de brand stonk. Ze heeft die geur nog in haar neus.
Op 14 mei 1940, rond één uur, bij het Schiekanaal, was meneer Wilkes Lagendaal, zoals Van Basten Cruijff is geweest en Cruijff meneer Wilkes.
'Ik voetbalde,' zegt hij, 'met wat vriendjes aan het terrein aan de Abraham van Stolkweg toen we ineens vliegtuigen boven de stad zagen. Tientallen tegelijk. Toen er bommen vielen zijn we op de fiets gesprongen en de stad ingereden. Veel mensen vluchtten juist de stad uit. We fietsten richting rook, richting Schiedamsesingel. Daar bleek de verwoesting het ergst. Alles brandde. Toen ben ik naar huis gefietst. Ons huis stond er nog. Crooswijk was gespaard gebleven, in tegenstelling tot een gedeelte van Kralingen.'
Een dame met panache komt Monisima binnendrijven op een wolk van - als ik me niet vergis - Paloma Picasso. Meneer Wilkes die verder vertelt, had de leeftijd van Dustin Hoffman in The Graduate, alleen was hij allang van school af. Hij was verhuizer, en in zijn vrije tijd een zebra op keilaarzen. Eigenlijk moest hij meubelmaker worden, daar had hij even voor geleerd, maar omdat hij later de verhuizerij annex het transportbedrijf moest overnemen, moest hij overdag met zijn broer Leen sjouwen, tillen en takelen met een katrol. Zo'n verhuizing leverde (voor de oorlog) gemiddeld zes piek op, herinnert meneer Wilkes zich.
'Dat was flink aanpoten,' zegt hij. 'Ik heb heel hard gewerkt. En vaak van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Dan was je afgepeigerd hoor. Tot mijn 26e gedaan. Maar ik kon het niet nalaten soms rottigheid uit te halen. Zo zit ik in mekaar. Dan werd mijn vader laaiend. Die was namelijk erg plichtsgetrouw. Zuinig zijn op de spulletjes van mensen. Maar zondags bij Xerxes deed ik extra mijn best. Vooral voor hem. Het was een goeie man.'
Meneer Wilkes vertelt dat zijn vader in 1940, vlak voor het uitbreken van de oorlog, een Opél kocht. Die Duitse Opél, de klemtoon drukt bij meneer Wilkes permanent op de laatste lettergreep, was de trots van de familie. Ik ken het verhaal dat komen gaat. Het is een tragische anekdote en mensen die tragische verhalen vertellen, mag je nooit onderbreken. Na een jaar werd de vrachtwagen gevorderd door de Duitsers. Zijn vader was woest. Hij kon het niet opbrengen die Opel-bak af te staan aan de moffen. Toen is meneer Wilkes, net 18 jaar, de wagen zelf gaan wegbrengen naar het Feyenoord-stadion.
Het was de zwaarste uitwedstrijd van de oorlog. 'Het was zo'n mooie bak,' zegt meneer Wilkes. 'Ik vond het zo zielig voor mijn vader, die al zijn spaarcenten in die wagen had zitten. Ik kon die moffen wel schieten. Later in de oorlog hebben ze ook mijn fiets gevorderd. Maar dat heb ik niet op me laten zitten. Toen een Duitse soldaat zijn fiets tegen het Haagseveer zette en het politiebureau instapte, ben ik op die fiets gestapt en hard weggereden. Ik denk dat ik de enige Nederlander ben die zijn fiets heeft teruggejat.'
Hij schatert. De dame met panache die de stof van een Moschino-jurkje bevingert, kijkt niet op.
'Maar goed,' vervolgt meneer Wilkes, 'we hebben de hele oorlog doorgereden in die Chevrolet en we zijn er de oorlog ook mee doorgekomen, maar vraag niet hoe. Aan de zijkant achter de cabine zat een generator. Dat kreng reed op antraciet en hout, dus dan moest je 'm zo afpoken dat er lucht bij bleef komen, anders weigerde-ie dienst. Helemaal gestoord werd ik van die bak.'
Hij schatert.
Meneer Wilkes' onnoemelijke grootheid blijkt uit het feit dat er in Milaan en Valencia tientallen mannen bestaan, inmiddels zo tussen de veertig en de vijftig, die geen Gianluca of Manuel heten maar Servaas. Een groter eerbetoon is niet denkbaar.
Niemand zegt eigenlijk meneer Wilkes tegen Servaas Wilkes. Iedereen in Rotterdam noemt hem simpelweg Faas. Hij is een bescheiden maar ondeugende man die geliefd is bij oud-spelers, zakenmensen en andere Rotterdammers. De eerste die een hekel aan hem heeft, moet zich nog melden. Meneer Wilkes, over de zeventig, is zo gewoon gebleven en dat vind ik knap als je je realiseert dat de twintigste eeuw bestaat uit Johan, Abe en Faas, in willekeurige volgorde. Ik bedoel: kijk wat de roem met Johan heeft gedaan.
Omdat mijn vader alleen naar Sparta ging kijken, zag hij meneer Wilkes hooguit op het Zilveren Bal-toernooi dat traditioneel op het Kasteel werd gespeeld voor aanvang van de competitie, of tijdens wedstrijden tussen Sparta en Xerxes. Maar hij vindt hem beslist de knapste voetballer die Rotterdam ooit heeft gekend. Vooral zijn ongrijpbaarheid staat mijn vader goed bij. Meneer Wilkes bezat de gave om stijlvol de schoppen te ontwijken van vileine Sparta-spelers, herinnert mijn vader.
Jan D. Swart, die zo pages is voor de dood dat hij de dood denkt te kunnen bezweren door elk ogenblik op te merken dat hij zo pages is voor de dood, zegt dat meneer Wilkes de sierlijkste voetballer aller tijden is. Omdat Jan zelf altijd verkondigt dat hij alleen verstand heeft van geld verdienen en niet van voetbal zou ik hem niet hebben geloofd, maar omdat zijn vriend Dick van den Polder, die ik beschouw als een groot kenner, tjilpt dat 'Faas' zijn grote idool was, ben ik bereid het wel te geloven.
En dan nog iets: Van den Polder én Cruijffie die meneer Wilkes gemeenschappelijk als idool hebben: een groter bewijs van onnoemelijke grootheid is er niet.
'Ik heb hem eens acht man op rij zien passeren,' zegt Van den Polder, die nooit overdrijft. 'Dat deed hij in een stijl die ik nooit meer heb mogen aanschouwen. En ik heb in mijn leven veel topvoetbal gezien. Faas was uniek. Wiel Coerver zal er wel van hebben moeten kwijlen. Als je Faas' passeerbewegingen nog een beetje zou willen vergelijken, moet je denken aan Frans Thijssen, maar die zakte tijdens het kappen en draaien meer door zijn knieën, waardoor het minder vloeiend was. Faas, met een body zo slank als een hinde, deed ook alles op snelheid. Hij passeerde in de wedstrijd drie, vier man op rij, ondertussen versnellend en dan volgde er een zuiver schot. Tegen hbs slalomde hij eens langs drie man, speelde de keeper uit, bleef wachten tot de doelman zijn positie weer had ingenomen en passeerde hem nog eens om toen pas de bal in het doel te tikken. Dat was geen bewuste vernedering hoor, want Faas was een gentleman; het was speelsheid. Vanaf mijn zesde heb ik hem zien spelen aan het Schie-Schiekanaal, het terrein waar na de oorlog de nsb'ers achter prikkeldraad zaten. Ik kan me uit die oorlogstijd zelfs nog herinneren dat hij aan de zijde speelde van Lagendaal.'
Lagendaal kon bizar hard schieten. Volgens Van den Polder peunde hij net zo hard als Ronald Koeman, alleen niet altijd even zuiver. Het Kanon is topscorer aller tijden van Xerxes met 226 doelpunten en was voor de oorlog goed voor vijftien interlands waarin hij dertien keer scoorde, een zeer hoog moyenne.
Meneer Wilkes leerde Lagendaal kennen via Han Hollander. Zijn aanstekelijke radioverslag van de interlands (meestal tegen België) tussen 1930 en 1936 deed de straatvoetballer van de Veemarkt dagdromen van stadgenoot Lagendaal. In 1937, toen Lagendaal in het Nederlands elftal voorgoed was verdrongen door Bep Bakhuys, mocht meneer Wilkes van zijn vader ook lid worden van de Zebra's. Aan de Wilgenplas in Schiebroek, een dropkick van het huis aan het Kastanjeplein dat hij tegenwoordig bewoont vandaan, op het terrein waar de rijke aannemer Poot uit Hillegersberg een stadion had laten bouwen met een capaciteit van 32000 toeschouwers, zag hij de robuuste midvoor zowat elke wedstrijd scoren voor Xerxes. Niet veel later maakte meneer Wilkes zijn idool Lagendaal van heel dichtbij mee.
'Lagendaals laatste jaren als voetballer bij Xerxes waren mijn beginjaren,' zegt meneer Wilkes, die in Xerxes 1 debuteerde toen hij zeventien jaar was. 'Wij scheelden een jaar of vijftien, maar technisch en tactisch was hij nog een kanjer. Toen we mekaar voor het eerst leerden kennen, kwam hij naar me toe en zei dat ik best mocht pingelen, maar ik moest hem wel veel aanspelen, dan zou ik de bal precies op maat terugkrijgen. Nou, dat deed-ie hoor. Eigenlijk was hij midvoor maar Lagendaal liet zich slim terugzakken zodat ik als linksbinnen of rechtsbinnen het gat in dook. Hoe ouder hij werd hoe minder hij dat deed, maar we vulden elkaar goed aan. We vormden een puik stel. En buiten dat: ik mocht hem graag.'
Het verschil tussen Cruijff en meneer Wilkes is dat Cruijff zich mateloos interesseerde (interesseert) voor de compositie van de wedstrijd, terwijl dat meneer Wilkes geen reet kon schelen. Hij was een pingeldoos. Eens, bij de junioren, legde scheidsrechter Dirk Nijs de wedstrijd stil en vermaande de jonge meneer Wilkes dat hij ogenblikkelijk moest stoppen met pingelen, want voetbal was een teamsport en zijn ploeggenoten hadden nog geen bal gekregen. De beledigde solist liep huilend het veld af, maar werd door de latere knvb-bestuurder weer het veld ingeduwd. Met pijn in zijn hart speelde meneer Wilkes de bal zo nu en dan eens af.
'Mijn teamgenoten werden nooit slechter van mijn gepingel,' zegt meneer Wilkes. 'Ik wist dat ik leuk kon voetballen. Als ik de bal had, werkte ik me ondersteboven. Ik pingelde net zo lang tot ik de bal kwijt was. Dan wachtte ik tot ze 'm weer inleverden en dan ging ik weer voor een volgende dribbel. Net zolang tot ik hem kwijt was, maar er kon natuurlijk ook een doelpunt van komen.'
Meneer Wilkes staat op. Calvin moet gehaald. Over een week of twee moet ik nog maar eens langskomen. Hij zal nog eens diep nadenken over de oorlog. Misschien dat hij wat foto's vindt uit die tijd. Op de revers van zijn Hugo Boss-colbert ontdek ik een speldje met het embleem van de Spaanse voetbalclub Valencia; goud met een diamantje. Hij draagt het elke dag; dat van Inter is te groot, dat draagt hij zelden, dat van Xerxes wil hij niet dragen, zegt hij.
'Ze hebben me beledigd.' Meneer Wilkes kijkt voor het eerst boos. 'Ze vonden mijn zoon Michael niet goed genoeg voor Xerxes 1. Ze stelden hem gewoon niet op. Ik vind dat onbegrijpelijk. Het is toch leuk als er vijftig jaar later opnieuw een Wilkes in Xerxes 1 speelt? Als-ie er nou niks van kon... Maar hij kan leuk voetballen. Bij voc staat hij mid-mid. Hij heeft een goed schot en kan goede passes geven. Als Xerxes wijzer was geweest dan hadden ze hem gehouden. Nee, ze verlaten zich op de trainer, een voorbijganger. Trainers zijn klootzakken, secreten.'
Zijn hoofse beleefdheid is plotseling verdwenen.
'Ach jongen, Xerxes. Praat me er niet van. Ik kom er nog, eens per jaar, het pupillentoernooi draagt mijn naam. Ik doe het voor die kleine jochies. Maar als ze de naam Wilkes zo waarderen, dan hadden ze wijzer moeten zijn. Als je gevoel hebt voor de historie van de vereniging... Maar ik zeg je: voc heeft meer warmte. Dat is een sympathieke club met traditie. Maar kom, ik moet Calvin nu echt gaan halen.'
Ongeveer vier weken later.Die parfum, die parfum. Paloma Picasso. Op zeker.Ik vraag of hij de spreeuw nog heeft gevonden.'Nee,' zegt meneer Wilkes.'Weet je wie er dood is?' vraagt hij plotseling. 'Franco Mischino. 45 jaar. Dat was geen kleine jongen hoor.'Vanmiddag traint Calvin bij voc Meneer Wilkes moet hem zo meteen halen. Of eigenlijk nu.'U vroeg vorige keer of ik Lagendaal kende.''Ja. Lagendaal, ja.''U bent hem dankbaar, zei u.''Laten we elkaar straks bij voc ontmoeten. Calvin traint tussen half twee en drie uur. Gaan we eventjes in de kantine zitten. Dan zal ik vertellen van Lagendaal. Ja?' gebiedt meneer Wilkes.Een eenzame bowler gooit de bal van zijn leven naast het verdronken hoofdveld van voc.Op de parkeerplaats achter het doel valt een Saab Cabriolet nog het meest op. Er staan ook auto's van minder allure. Veel boodschappenwagentjes.In de bmw die van de Overschiese Kleiweg komt, zitten meneer Wilkes en Calvin. Het regent hard.Calvin, klein, lief en met mooie, grote, bruine ogen, draagt het karakteristieke rood-zwarte shirt van voc onder een duur trainingspakje.'Ga maar,' zegt meneer Wilkes als de regen wegtrekt richting Xerxesweg en hij opent zijn portier. Calvin loopt met zijn glimmende voetbalschoenen over zijn grootvader heen, springt de bmw uit, zo in een plas, en holt naar het half verharde trainingsveld waar een stuk of dertig mannetjes in de weer zijn met een paar ballen.'Ik sterf al weken van de pijn in mijn arm,' zegt meneer Wilkes. 'Elke keer als ik Calvin zie, vraagt hij: "Opa, heeft u nog zo'n pijn in uw arm?" En laatst: "Opa, toen ik ben gaan slapen, had u toen nog pijn in uw arm?" Dit is zo'n lief jochie. Ik leef voor mijn kleinkinderen. Ik ben de oppas, want mijn kinderen werken hard. Het liefst ging ik in Zuid-Frankrijk wonen, maar mijn kleinkinderen houden me hier. Ik trap gewoon te graag een balletje in huis met Calvin.'Het geluid van een zaktelefoon.Meneer Wilkes zegt drie keer ja en stopt het ding weer in zijn zak. 'Neem me niet kwalijk hoor. Cadeautje van Michael. Heeft die vuile rotaap voor me gekocht. Ik heb zoiets nooit willen hebben. Maar ik heb een verwende zoon die niets liever doet dan geld uitgeven aan mooie dingen. Hij komt zo even langs, die boef. Michael is gek van voetbal. Hij wordt voor de tweede keer vader. Mijn zevende kleinkind. Misschien dat het nu een jochie wordt. Zou wel geinig zijn, een Wilkesje. Dat de achternaam blijft bestaan.'Dadelijk gaan we naar de House of Lords, want voc heeft geen kantine, maar een House of Lords. 'Eerst even naar Calvin kijken, dat vindt-ie leuk, als z'n opa langs de lijn staat.'Een kakclub noemden we de nu 100-jarige vroeger. Persoonlijk kan ik me de gebroeders Hennink nog goed herinneren. Kerels werden het genoemd. Goeie voetballers trouwens.Mijn vriend Leo Verheul kan mooi vertellen over de keer dat hij in 1965 werd ontboden op het Plaswijck Paviljoen, waar de ballotagecommissie audiëntie hield. Of hij de zoon was van de legendarische Spartaan Pieter Verheul? was de eerste vraag. Ja, meneer. Gefeliciteerd, Leo was voc'er. Die eer was ook weggelegd voor zijn vriendje Dik, een dokterszoontje. Pieter, zoon van een tramconducteur, kreeg een brief thuis dat er een ledenstop van kracht was en dat hij het maar eens moest proberen bij een andere voetbalvereniging.'Nee, een ballotagecommissie hebben ze niet meer,' zegt meneer Wilkes. 'Ze doen het nu anders. De contributie is gewoon heel erg hoog.'Prachtig, zo'n diep gewortelde traditie.'Kijk,' zegt meneer Wilkes, 'Calvin houdt zijn lichaam over de bal als hij schiet.'Het jongetje heeft inderdaad veel gevoel voor de bal.De zoontjes van advocaten, notarissen, chirurgen en directeuren mogen op een doeltje schieten waarin het zoontje van de tandarts staat. Een oude man met een trainingspak leidt de training.'Da's Dries. Dries Visser,' zegt meneer Wilkes. 'Ken je die?'Nee, zeg ik.'Dries, kom eens,' wenkt meneer Wilkes.Dries heeft trouwe, waterige ogen. Hij lijkt me een lieve grootvader. Het is hier veel te koud voor hem. Hij moet bij een warme kachel zitten.'Dries is al vijftig jaar jeugdtrainer. Hè Dries?' zegt meneer Wilkes.'Sinds 1947,' zegt Dries die vergeefs probeert het snot in zijn neus naar boven te dirigeren. 'Ik ben de oudste trainer van Nederland. Dertig jaar bij Xerxes, de laatste twintig jaar bij voc. Bij Xerxes heb ik Moulijn opgeleid.''Coen en ik,' zegt meneer Wilkes, 'zijn vorig jaar nog op zijn verjaardag geweest. Als verrassing. Hè Dries?''Dries heeft veel Xerxanen groot gemaakt,' zegt Jan Middeldorp als de jeugdtrainer de kluwen voc'ertjes die een metsie spelen, probeert te ontwarren. Middelkamp is ook al een oud-Xerxaan die bij voc is terecht gekomen.'voc is gewoon een gezellige club. Beetje het Xerxes van vroeger. Lagendaal heeft hier ook de laatste jaren van zijn leven gesleten. Ken je Lagendaal?' vraagt Middeldorp.Miss Blanche-album, 2e serie, plaatje 1. Ik knik. Het Kanon ken ik wel. Hij werkte bij mijn opa op het Haag-seveer.'Grote speler geweest. Hij was een beetje terreinknecht. Dat vond-ie leuk. Hij was erg op zichzelf de laatste jaren.'Meneer Wilkes schiet zo'n klein balletje achter het standbeen terug naar Desmond, de kleinzoon van Jan Middeldorp. Hij doet dat zonder af te breken.'Ik was blij dat Faas wegging naar Italië,' zegt Middeldorp lachend. 'We waren even oud. Ik was een type speler als Faas, maar dan natuurlijk veel en veel minder goed. Toen Faas naar Italië vertrok, kreeg ik eindelijk mijn kans. Toen heb ik nog een jaar of acht in Xerxes 1 gespeeld.'Meneer Wilkes lacht.Geen gokkast, geen formica tafels en stoelen, geen fout eiken. Wel: een biljart, zo'n rode Engelse telephonebox, donkerbruine plafonds, twee oude, houten vaten, een krakkemikkige piano, posters uit vervlogen jaren, cricket-attributen en een schoteltje waar we ons geld op moeten leggen als we wat te drinken pakken want er staat niemand achter de bar.Dat heet stijlvol.We zijn er helemaal alleen.'Het voetballen ging in de oorlog gewoon door,' zegt meneer Wilkes. 'Behalve het laatste oorlogsjaar dan, toen is er nauwelijks gevoetbald. In het begin had je zogenaamde broodjes-wedstrijden. In Haarlem voetbalden we vaak om broodjes. Dan organiseerde een café een wedstrijd en dan kon je na afloop in het café, waar de eigenaar tafels had gereserveerd, zoveel eten als je wilde. Maar aan het eind van de oorlog, toen iedereen aan de geeuwhonger lag, bestonden die wedstrijden niet meer. Maar voetballen was ook gevaarlijk. Je moest natuurlijk uitkijken met voetballen in de oorlog. De Duitsers hielden razzia's bij grote voetbalwedstrijden. Ik meen dat er in het Sparta-stadion een is geweest. Die moffen werden naar gelang de oorlog duurde gemener. Ik was op een leeftijd gekomen dat ik in aanmerking kwam om tewerkgesteld te worden in Duitsland. Het werd steeds gevaarlijker.In 1943 ben ik door het oog van de naald gekropen. Bij een razzia op de Dordtsestraatweg kon ik maar ternauwernood ontkomen door een huis in te vluchten. Die vrouw stond doodsangsten uit, maar ik ben toch echt blijven zitten. Tot de kust veilig was. In vergelijking met anderen had ik natuurlijk niet zo te klagen. Ik herinner me die jodenjongen goed, Harry van Rhijn. Hij speelde bij Xerxes. Nooit meer teruggezien. Net als Kerssemeijer en Sterkenburg. Ja... Maar wat wilde ik zeggen. Nou, Lagendaal was dus personeelschef bij de politie. Na de oorlog is hij commissaris geworden. Hij heeft mij in '43 hulpagent gemaakt. Hulpagent, ja. Zodoende voorkwam hij een transport naar Duitsland, want iedere hulpagent had een Ausweiss. Daardoor was ik een vrij mens. Lagendaal heeft dat met heel wat eerste elftal-spelers van Xerxes geflikt. De enige tegenprestatie was dat we af en toe moesten patrouilleren. Een dag- of een nachtdienstje draaien. In burger, met een band om je arm de straat op met een agent. Twee uurtjes of zo. Dan deed ik die band snel af. Want als ik een café zag ging ik echt biljarten. En 's avonds dook ik De Klerk in om te dansen. Niemand die het wist. Ik had bovendien de mazzel dat ik was gekoppeld aan een agent wiens verantwoordelijkheid het was om familie van politiemensen af en toe van eten te voorzien. Met een overvalwagen via Spijkenisse, daar de door de Duitsers zwaar bewaakte brug over, en in Brielle die hele kar volstouwen met aardappels. Terug op het Haagseveer werd die lading in de kelder gestort. Maar daar had ik wél de sleutel van. 's Morgens vroeg, zo vijf, zes uur, want anders had je het risico dat je werd overvallen, moest ik die aardappels naar de families van politiemensen brengen. Maar daar had ik ook een paar zakjes voor mijn ouders, ooms en tantes en goede vrienden tussen gedaan. Extra aardappels betekende dat we thuis konden ruilen. Voor boter of suiker of vet. Ik ruilde ook aardappels voor tabak. Een paar sigaretjes voor mijn vader. Ja. Bij de politie had je ook fouteriken, maar nog meer die saboteerden. Wij Xerxes-spelers ook. We waren hulpagent, maar via de politie ben ik ook wel eens ingezet voor licht verzetswerk. We waren namelijk in het geheim lid van de bewakingsdienst van het verzet. We zorgden er voornamelijk voor dat allerlei garages uit handen van de moffen bleven. In een kerk heb ik zelfs schietoefeningen gehad. Hoe je met een stengun moest omgaan.Ik heb het allemaal in een roes beleefd. Ik was een avonturier. Ik vond het allemaal spannend. Ik heb geluk gehad. Ik had de zekerheid dat ik niet weghoefde en het was nog verschrikkelijk gezellig ook. Want ondanks al die ellende hebben we vreselijk gelachen in die tijd. Het gekke is dat ik me toen helemaal niet zo realiseerde dat ik een geluksvogel was. Dat is pas na de oorlog gekomen. Door dat trucje van Lagendaal is me een hoop ellende bespaard gebleven. Ik heb de oorlog heel onbevangen beleefd. Ik was me niet echt bewust van de gevaren. Eén ding weet ik wel: Lagendaal is mijn redding geweest. Daardoor hebben de moffen me niks kunnen maken. Ze hebben mij niets aangedaan, maar ik heb een hekel aan Duitsers. Zo, nou weet je wie Lagendaal was. Genoeg gepraat. Ik ga nog even bij Calvin kijken. Loop je mee?'Op het trainingsveldje, helemaal achterin, zie ik een jongen met een zwarte kuif. Ik ken hem van oude zwart-witfoto's. Hij dribbelt wat met de bal en passeert drie, vier, vijf, zes, zeven, acht aspirantjes op rij. Zijn naam is Wilkes, ontegenzeglijk.'Michael is 27, maar het is net een kind,' zegt meneer Wilkes.'Calvin, kom eens hier.'Meneer Wilkes ritst het trainingsjack van het jongetje dicht. Weer los van zijn grootvader trekt hij meteen ten aanval. Bijna komt hij tot scoren, maar de bal smoort in modder.'Godverdomme, Calvin,' schreeuwt een ploeggenootje, ik geloof het tandartszoontje.Meneer Wilkes vertelt dat dat Maarten is. Maarten is zes. Hij mag straks mee terug naar Kralingen met meneer Wilkes. Maarten zal wel niet beseffen dat het een hele eer is om met vieze kleren en vieze schoenen naast het engeltje op de achterbank van de bmw van meneer Wilkes te mogen plaatsnemen. Want Maarten weet vast niet dat meneer Wilkes het allereerste officiële doelpunt na de oorlog voor het Nederlands elftal maakte, waarmee definitief een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Meneer Wilkes zou er in totaal 35 maken. Abe en Johan bleven op 33 goals steken. Wellicht dat Dennis Bergkamp meneer Wilkes overtreft, al is overtreffen het woord niet, vind ik.Hè, Maarten?Of zou Maarten Bergkamp heel goed vinden? Beter dan meneer Wilkes?
IIHet engeltje, Lagendaal, meneer Wilkes en Maarten verenigd bij VOC aan de Overschiese Kleiweg
Ongeveer vier weken later.
Die parfum, die parfum. Paloma Picasso. Op zeker.
Ik vraag of hij de spreeuw nog heeft gevonden.
'Nee,' zegt meneer Wilkes.
'Weet je wie er dood is?' vraagt hij plotseling. 'Franco Mischino. 45 jaar. Dat was geen kleine jongen hoor.'
Vanmiddag traint Calvin bij voc Meneer Wilkes moet hem zo meteen halen. Of eigenlijk nu.
'U vroeg vorige keer of ik Lagendaal kende.'
'Ja. Lagendaal, ja.'
'U bent hem dankbaar, zei u.'
'Laten we elkaar straks bij voc ontmoeten. Calvin traint tussen half twee en drie uur. Gaan we eventjes in de kantine zitten. Dan zal ik vertellen van Lagendaal. Ja?' gebiedt meneer Wilkes.
Een eenzame bowler gooit de bal van zijn leven naast het verdronken hoofdveld van voc.
Op de parkeerplaats achter het doel valt een Saab Cabriolet nog het meest op. Er staan ook auto's van minder allure. Veel boodschappenwagentjes.
In de bmw die van de Overschiese Kleiweg komt, zitten meneer Wilkes en Calvin. Het regent hard.
Calvin, klein, lief en met mooie, grote, bruine ogen, draagt het karakteristieke rood-zwarte shirt van voc onder een duur trainingspakje.
'Ga maar,' zegt meneer Wilkes als de regen wegtrekt richting Xerxesweg en hij opent zijn portier. Calvin loopt met zijn glimmende voetbalschoenen over zijn grootvader heen, springt de bmw uit, zo in een plas, en holt naar het half verharde trainingsveld waar een stuk of dertig mannetjes in de weer zijn met een paar ballen.
'Ik sterf al weken van de pijn in mijn arm,' zegt meneer Wilkes. 'Elke keer als ik Calvin zie, vraagt hij: "Opa, heeft u nog zo'n pijn in uw arm?" En laatst: "Opa, toen ik ben gaan slapen, had u toen nog pijn in uw arm?" Dit is zo'n lief jochie. Ik leef voor mijn kleinkinderen. Ik ben de oppas, want mijn kinderen werken hard. Het liefst ging ik in Zuid-Frankrijk wonen, maar mijn kleinkinderen houden me hier. Ik trap gewoon te graag een balletje in huis met Calvin.'
Het geluid van een zaktelefoon.
Meneer Wilkes zegt drie keer ja en stopt het ding weer in zijn zak. 'Neem me niet kwalijk hoor. Cadeautje van Michael. Heeft die vuile rotaap voor me gekocht. Ik heb zoiets nooit willen hebben. Maar ik heb een verwende zoon die niets liever doet dan geld uitgeven aan mooie dingen. Hij komt zo even langs, die boef. Michael is gek van voetbal. Hij wordt voor de tweede keer vader. Mijn zevende kleinkind. Misschien dat het nu een jochie wordt. Zou wel geinig zijn, een Wilkesje. Dat de achternaam blijft bestaan.'
Dadelijk gaan we naar de House of Lords, want voc heeft geen kantine, maar een House of Lords. 'Eerst even naar Calvin kijken, dat vindt-ie leuk, als z'n opa langs de lijn staat.'
Een kakclub noemden we de nu 100-jarige vroeger. Persoonlijk kan ik me de gebroeders Hennink nog goed herinneren. Kerels werden het genoemd. Goeie voetballers trouwens.
Mijn vriend Leo Verheul kan mooi vertellen over de keer dat hij in 1965 werd ontboden op het Plaswijck Paviljoen, waar de ballotagecommissie audiëntie hield. Of hij de zoon was van de legendarische Spartaan Pieter Verheul? was de eerste vraag. Ja, meneer. Gefeliciteerd, Leo was voc'er. Die eer was ook weggelegd voor zijn vriendje Dik, een dokterszoontje. Pieter, zoon van een tramconducteur, kreeg een brief thuis dat er een ledenstop van kracht was en dat hij het maar eens moest proberen bij een andere voetbalvereniging.
'Nee, een ballotagecommissie hebben ze niet meer,' zegt meneer Wilkes. 'Ze doen het nu anders. De contributie is gewoon heel erg hoog.'
Prachtig, zo'n diep gewortelde traditie.
'Kijk,' zegt meneer Wilkes, 'Calvin houdt zijn lichaam over de bal als hij schiet.'
Het jongetje heeft inderdaad veel gevoel voor de bal.
De zoontjes van advocaten, notarissen, chirurgen en directeuren mogen op een doeltje schieten waarin het zoontje van de tandarts staat. Een oude man met een trainingspak leidt de training.
'Da's Dries. Dries Visser,' zegt meneer Wilkes. 'Ken je die?'
Nee, zeg ik.
'Dries, kom eens,' wenkt meneer Wilkes.
Dries heeft trouwe, waterige ogen. Hij lijkt me een lieve grootvader. Het is hier veel te koud voor hem. Hij moet bij een warme kachel zitten.
'Dries is al vijftig jaar jeugdtrainer. Hè Dries?' zegt meneer Wilkes.
'Sinds 1947,' zegt Dries die vergeefs probeert het snot in zijn neus naar boven te dirigeren. 'Ik ben de oudste trainer van Nederland. Dertig jaar bij Xerxes, de laatste twintig jaar bij voc. Bij Xerxes heb ik Moulijn opgeleid.'
'Coen en ik,' zegt meneer Wilkes, 'zijn vorig jaar nog op zijn verjaardag geweest. Als verrassing. Hè Dries?'
'Dries heeft veel Xerxanen groot gemaakt,' zegt Jan Middeldorp als de jeugdtrainer de kluwen voc'ertjes die een metsie spelen, probeert te ontwarren. Middelkamp is ook al een oud-Xerxaan die bij voc is terecht gekomen.
'voc is gewoon een gezellige club. Beetje het Xerxes van vroeger. Lagendaal heeft hier ook de laatste jaren van zijn leven gesleten. Ken je Lagendaal?' vraagt Middeldorp.
Miss Blanche-album, 2e serie, plaatje 1. Ik knik. Het Kanon ken ik wel. Hij werkte bij mijn opa op het Haag-seveer.
'Grote speler geweest. Hij was een beetje terreinknecht. Dat vond-ie leuk. Hij was erg op zichzelf de laatste jaren.'
Meneer Wilkes schiet zo'n klein balletje achter het standbeen terug naar Desmond, de kleinzoon van Jan Middeldorp. Hij doet dat zonder af te breken.
'Ik was blij dat Faas wegging naar Italië,' zegt Middeldorp lachend. 'We waren even oud. Ik was een type speler als Faas, maar dan natuurlijk veel en veel minder goed. Toen Faas naar Italië vertrok, kreeg ik eindelijk mijn kans. Toen heb ik nog een jaar of acht in Xerxes 1 gespeeld.'
Meneer Wilkes lacht.
The House of Lords.
Geen gokkast, geen formica tafels en stoelen, geen fout eiken. Wel: een biljart, zo'n rode Engelse telephonebox, donkerbruine plafonds, twee oude, houten vaten, een krakkemikkige piano, posters uit vervlogen jaren, cricket-attributen en een schoteltje waar we ons geld op moeten leggen als we wat te drinken pakken want er staat niemand achter de bar.
Dat heet stijlvol.
We zijn er helemaal alleen.
'Het voetballen ging in de oorlog gewoon door,' zegt meneer Wilkes. 'Behalve het laatste oorlogsjaar dan, toen is er nauwelijks gevoetbald. In het begin had je zogenaamde broodjes-wedstrijden. In Haarlem voetbalden we vaak om broodjes. Dan organiseerde een café een wedstrijd en dan kon je na afloop in het café, waar de eigenaar tafels had gereserveerd, zoveel eten als je wilde. Maar aan het eind van de oorlog, toen iedereen aan de geeuwhonger lag, bestonden die wedstrijden niet meer. Maar voetballen was ook gevaarlijk. Je moest natuurlijk uitkijken met voetballen in de oorlog. De Duitsers hielden razzia's bij grote voetbalwedstrijden. Ik meen dat er in het Sparta-stadion een is geweest. Die moffen werden naar gelang de oorlog duurde gemener. Ik was op een leeftijd gekomen dat ik in aanmerking kwam om tewerkgesteld te worden in Duitsland. Het werd steeds gevaarlijker.
In 1943 ben ik door het oog van de naald gekropen. Bij een razzia op de Dordtsestraatweg kon ik maar ternauwernood ontkomen door een huis in te vluchten. Die vrouw stond doodsangsten uit, maar ik ben toch echt blijven zitten. Tot de kust veilig was. In vergelijking met anderen had ik natuurlijk niet zo te klagen. Ik herinner me die jodenjongen goed, Harry van Rhijn. Hij speelde bij Xerxes. Nooit meer teruggezien. Net als Kerssemeijer en Sterkenburg. Ja... Maar wat wilde ik zeggen. Nou, Lagendaal was dus personeelschef bij de politie. Na de oorlog is hij commissaris geworden. Hij heeft mij in '43 hulpagent gemaakt. Hulpagent, ja. Zodoende voorkwam hij een transport naar Duitsland, want iedere hulpagent had een Ausweiss. Daardoor was ik een vrij mens. Lagendaal heeft dat met heel wat eerste elftal-spelers van Xerxes geflikt. De enige tegenprestatie was dat we af en toe moesten patrouilleren. Een dag- of een nachtdienstje draaien. In burger, met een band om je arm de straat op met een agent. Twee uurtjes of zo. Dan deed ik die band snel af. Want als ik een café zag ging ik echt biljarten. En 's avonds dook ik De Klerk in om te dansen. Niemand die het wist. Ik had bovendien de mazzel dat ik was gekoppeld aan een agent wiens verantwoordelijkheid het was om familie van politiemensen af en toe van eten te voorzien. Met een overvalwagen via Spijkenisse, daar de door de Duitsers zwaar bewaakte brug over, en in Brielle die hele kar volstouwen met aardappels. Terug op het Haagseveer werd die lading in de kelder gestort. Maar daar had ik wél de sleutel van. 's Morgens vroeg, zo vijf, zes uur, want anders had je het risico dat je werd overvallen, moest ik die aardappels naar de families van politiemensen brengen. Maar daar had ik ook een paar zakjes voor mijn ouders, ooms en tantes en goede vrienden tussen gedaan. Extra aardappels betekende dat we thuis konden ruilen. Voor boter of suiker of vet. Ik ruilde ook aardappels voor tabak. Een paar sigaretjes voor mijn vader. Ja. Bij de politie had je ook fouteriken, maar nog meer die saboteerden. Wij Xerxes-spelers ook. We waren hulpagent, maar via de politie ben ik ook wel eens ingezet voor licht verzetswerk. We waren namelijk in het geheim lid van de bewakingsdienst van het verzet. We zorgden er voornamelijk voor dat allerlei garages uit handen van de moffen bleven. In een kerk heb ik zelfs schietoefeningen gehad. Hoe je met een stengun moest omgaan.
Ik heb het allemaal in een roes beleefd. Ik was een avonturier. Ik vond het allemaal spannend. Ik heb geluk gehad. Ik had de zekerheid dat ik niet weghoefde en het was nog verschrikkelijk gezellig ook. Want ondanks al die ellende hebben we vreselijk gelachen in die tijd. Het gekke is dat ik me toen helemaal niet zo realiseerde dat ik een geluksvogel was. Dat is pas na de oorlog gekomen. Door dat trucje van Lagendaal is me een hoop ellende bespaard gebleven. Ik heb de oorlog heel onbevangen beleefd. Ik was me niet echt bewust van de gevaren. Eén ding weet ik wel: Lagendaal is mijn redding geweest. Daardoor hebben de moffen me niks kunnen maken. Ze hebben mij niets aangedaan, maar ik heb een hekel aan Duitsers. Zo, nou weet je wie Lagendaal was. Genoeg gepraat. Ik ga nog even bij Calvin kijken. Loop je mee?'
Op het trainingsveldje, helemaal achterin, zie ik een jongen met een zwarte kuif. Ik ken hem van oude zwart-witfoto's. Hij dribbelt wat met de bal en passeert drie, vier, vijf, zes, zeven, acht aspirantjes op rij. Zijn naam is Wilkes, ontegenzeglijk.
'Michael is 27, maar het is net een kind,' zegt meneer Wilkes.
'Calvin, kom eens hier.'
Meneer Wilkes ritst het trainingsjack van het jongetje dicht. Weer los van zijn grootvader trekt hij meteen ten aanval. Bijna komt hij tot scoren, maar de bal smoort in modder.
'Godverdomme, Calvin,' schreeuwt een ploeggenootje, ik geloof het tandartszoontje.
Meneer Wilkes vertelt dat dat Maarten is. Maarten is zes. Hij mag straks mee terug naar Kralingen met meneer Wilkes. Maarten zal wel niet beseffen dat het een hele eer is om met vieze kleren en vieze schoenen naast het engeltje op de achterbank van de bmw van meneer Wilkes te mogen plaatsnemen. Want Maarten weet vast niet dat meneer Wilkes het allereerste officiële doelpunt na de oorlog voor het Nederlands elftal maakte, waarmee definitief een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Meneer Wilkes zou er in totaal 35 maken. Abe en Johan bleven op 33 goals steken. Wellicht dat Dennis Bergkamp meneer Wilkes overtreft, al is overtreffen het woord niet, vind ik.
Hè, Maarten?
Of zou Maarten Bergkamp heel goed vinden? Beter dan meneer Wilkes?