Thomas Verbogt
Een oud geluk
In het oosten van Nederland moet een voetbalstadion niet Het Gelderland Stadion heten. Monnikenhuize, prima, De Vijverberg, ook, De Goffert, best te doen. Maar niet: Het Gelderland Stadion. En alsof het nog niet genoeg is, spreken de initiatiefnemers graag van `een theater voor het hele gezin'. Twee denkfouten in één klap. Nee, drie. Alsof Vitesse in een groter stadion ander spel zou vertonen.
Voetbal in het oosten van Nederland betekent pijn, tragiek, slechte velden, hier en daar een bui, clubhuizen waar het volstrekt verkeerd ruikt, breekbare successen, illusies, vergeefsheid. Dat is allemaal onmogelijk in een theater voor het hele gezin.
``Jassen aan, jongens!"
"Waar gaan we dan heen?''
"Naar het theater voor het hele gezin."
Een jaar of tien geleden waren er in Arnhem theatermakers die zich ten doel stelden theater voor het hele gezin te brengen. Er moest uitgepakt worden. Uitpakken heeft alleen maar zin wanneer er iets uit te pakken valt.
Ook in Het Gelderland Stadion moet er worden uitgepakt. Wat er voor Vitesse uit te pakken valt, is op Monnikenhuize prachtig te zien. Het stadion is voor Vitesse gemaakt. In Het Gelderland Stadion zal de club verdwalen in onbevattelijke ambities. Die tragiek kan in principe wel een zekere schoonheid hebben, maar niet in het oosten van Nederland.
Nijmegen-Oost, eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Wanneer NEC uit speelde, gingen mijn vader en ik naar een club in Nijmegen-oost, Orion Boys of Trekvogels; bij voorkeur Orion Boys. Bonkige mannen, lelijke kleding, matige resultaten. Door de toeschouwers werd zelden lawaai gemaakt, nee, men keek zwijgend toe, in doffe berusting. In mijn herinneringen hingen er altijd loodgrijze wolken boven het veld en in de rust werd er rookworst verkocht.
Als èn Orion Boys èn NEC uit speelden, gingen we naar Trekvogels, twee velden verderop. Van die wedstrijden staat me weinig bij, behalve dat de vaste bezoekers van Orion Boys elkaar opzochten en het voortdurend over andere dingen hadden dan die wedstrijd. Ook werd er veel en venijnig gelachen.
Ik weet nog dat ik enthousiast over Orion Boys wilde zijn, maar dat was heel erg moeilijk.
"Goed he," zei ik wel eens tegen mijn vader.
"Wat bedoel je?''
Dan wees ik naar een speler, bang zijn naam uit te spreken omdat het meestal de verkeerde was.
"Rustig nou maar," zei mijn vader.
"Wijsneus hè," zei de man die naast mijn vader stond. Mijn vader knikte en rookte zijn sigaret in één trek voor de helft op. En ik wist: het is niks, maar toch staan we hier te kijken.
De kou van de grond trok in mijn benen. Ik kreeg tranen in mijn ogen.
Voetbal in het oosten van Nederland, in het oosten van de stad Nijmegen.
In de onthullende rubriek in Voetbal International die Persoonlijk heet, werd lange tijd aan voetballers gevraagd wat ze het lelijkste stadion van Nederland vonden. De Goffert werd vaak genoemd. Ik begreep dat wel, maar op een gegeven moment begon ik last van dat antwoord te krijgen. Ja, nu weten het wel, hoorde ik mezelf mompelen. Nu is het ook een adembenemend lelijk stadion, maar het heeft veel voor me betekend. Wie NEC in de vroege jaren zestig in De Goffert heeft zien spelen, kan daarna alles aan en stelt beslist geen zware eisen meer aan een detail als accommodatie.
In de zomer van 1994 werd me door de VPRO-gids naar een opmerkelijk voetbalmoment gevraagd. De gids ben ik kwijt, maar voor dit moment kan men mij wakker maken: de strafschop van Moos Bicentini. Je kon geen speld horen vallen. Bicentini stond doodstil, het hoofd gebogen, misschien bad hij wel. En toen begon hij aan zijn aanloop, kalm en waardig, als iemand die van zijn aanloop wil genieten, alsof in de aanloop de triomf al voelbaar is. Hij schoot de bal niet in het doel, ook niet naast, ook niet tegen de paal, maar over - nog nooit zag ik later een bal zó over gaan. Bicentini schoot de bal namelijk het stadion uit en hij keek de bal na. Ik kon zijn gezicht niet zien, maar wilde dat ook niet. Ik sloot mijn ogen en schaamde me. Niet dat ik Bicentini iets verweet, maar ik schaamde me om de gebeurtenis, om de mogelijkheid van deze gebeurtenis.
Niemand in het stadion uitte zich verontwaardigd, niemand lachte, ook de supporters van de tegenpartij niet, het bleef stil, totdat de keeper een nieuwe bal had ontvangen en deze tamelijk zacht uittrapte.
Ik wist zeker: nooit hoef ik een supporter van een topclub te zijn, dit is genoeg. Ook wist ik: onvergetelijke momenten zijn zelden amusant, maar vooral buitengewoon dramatisch. In mijn omgeving waren twee mensen die vurig in NEC geloofden, een vriend van mijn ouders die het beroep van monumentaal kunstenaar uitoefende (``Wat doet hij dan precies, mam?'' "Dat moet je hem zelf maar vragen.'') en kapper Van Dalen die een zaak had in een souterrain van een flatgebouw aan de Hengstdalseweg.
De monumentale kunstenaar wijdde al zijn tijd aan NEC en hij richtte om de haverklap een werkgroep op. In die werkgroep werd nagedacht en gesproken over de toekomst van NEC. Mijn vader was doctorandus en moest daarom van de monumentale kunstenaar in de werkgroep plaatsnemen (``Dan krijgt het zootje tenminste een beetje cachet," aldus de monumentale kunstenaar). Soms werd er door de werkgroep een zwartboek uitgebracht. Ik vroeg mijn vader laatst wat er in die werkgroepen besproken werd, maar dat wist hij niet meer. Wel bezit hij nog krantenfoto's waarop die werkgroep staat afgebeeld. Op de foto's is goed te zien dat de sfeer binnen de werkgroep informeel was.
Ik was klant van kapper Van Dalen en ik kreeg omdat mijn vader in weer zo'n werkgroep zat, een voorkeursbehandeling. Dat betekende dat ik in een hoekje van zijn zaak de leesmap (met daarin De Lach) helemaal uit mocht lezen en niet met lezen hoefde te stoppen omdat ik aan de beurt was. Ik mocht min of meer zelf bepalen wanneer ik geknipt wilde worden. De voorkeursbehandeling zette zich niet voort in het knipwerk van kapper Van Dalen, want voor jongens had hij maar één model in petto.
Kapper Van Dalen sprak en dacht uitsluitend over NEC. Hij had het vaak over Europa. Klanten die zijn toekomstvisie relativeerden, waren niet meer welkom. Hij werd niet eens kwaad, nee, hij negeerde ze gewoon. ''Hé, Van Dalen, ik dacht dat het mijn beurt was!" De kapper richtte zich dan tot een andere klant : "Maar het wordt wel tijd dat ze iets aan het stadion doen." Zo'n zin had niet meteen een begrijpelijke context. Hij plukte die nonchalant uit een gedachte die hij op dat moment koesterde.
Ik ben ervan overtuigd: ook hij zal beslist niet een theater voor het hele gezin voor ogen hebben gehad. Daarvoor hield hij te hartstochtelijk veel van voetbal. Voetbal in het oosten van Nederland. Bicentini, de monumentale kunstenaar, kapper Van Dalen, de loodgrijze lucht, het Europa waarin het oosten van Nederland allang vergeten gebied is waar het veel waait en bijna altijd koud is.
Canetti: "De meeste mensen, zei hij, zijn slaven van een oud ongeluk dat hun onbekend is."
Ik verhuisde naar Arnhem en kwam toen al snel schuin tegenover Monnikenhuize te wonen. Mijn Nijmeegse vrienden vonden dat een bedenkelijke lokatie.
''En? Ben je geweest?"
"Nee, nog niet. Hoezo?"
In mijn huis kon ik het verloop van iedere thuiswedstrijd volgen. Mijn buurman zei dat, wanneer hij niet in de gelegenheid was een hele wedstrijd te volgen, hij altijd de laatste tien minuten ging. De hekken stonden dan al open en je kon gewoon doorlopen.
"Begin daar dan mee. Om het te proberen."
Op een herfstige zondagmiddag besloot ik dat dan maar te doen.
Vitesse speelde, geloof ik, tegen FC Twente. Ik stak over en wilde het terrein op lopen. Een harde stem trof me recht in de nek.
"Waar gaan wij heen?'' Ik draaide mij om en zag een suppoost staan. Hij droeg een pet die gezag uitstraalde.
Nog een keer: "Waar gaan wij heen?"
"Ik dacht..." Ik merkte dat ik het moeilijk vond een gedachte te formuleren. En ook vond ik mijn aanpak kneuterig. De laatste tien minuten van een wedstrijd. De hekken stonden toch open.
"U dacht?" Hij kwam naderbij en raadpleegde zijn horloge. Hij wist wat ik dacht, maar vond duidelijk dat hij bepaalde wat ik mocht denken.
"Ik dacht: ik ga even kijken.
"Hij zweeg.
"Ik had gehoord dat je zo door kon lopen, de laatste tien minuten."
"En hoe laat is het nu?"
Ik keek op mijn horloge.
"Vijf over vier."'
"Bijna. Bijna vijf over vier. We blijven hier geduldig staan wachten."
"Daar stonden we, de suppoost en ik, zwijgend, twee mannen ergens in de eeuwigheid, wachtend op het tijdstip van vijf over vier.
"Dan wens ik u verder een prettige middag toe," zei de suppoost. En hij liet me alleen. Ik mocht doorlopen. Het liefst had ik mezelf een vuistslag toegediend.
Na afloop mengde ik me tussen het publiek dat het stadion tevreden verliet. Die suppoost wilde ik liever niet meer zien. Ongetwijfeld zou hij een collega op mijn aanwezigheid attenderen.
Ik kwam Arnhemse vrienden tegen.
"Hé Thomas! Eindelijk overstag?" '
``Tuurlijk. Kon toch niet anders."
"Leuke wedstrijd."
"Leuke wedstrijd."
``Alleen jammer van die strafschop.''
"Zeg dat wel."
"Ga je mee naar het clubhuis?"
"Nee, ik krijg bezoek.
"Monnikenhuize hoort bij de stadions die gaan verdwijnen of voorgoed ontluisterd worden door vip-lounges en business-rooms.
Gelegen tussen een park en een bos past het naadloos in het melancholiek stemmende landschap van Arnhem-Noord. Ik wandel er vaak omheen, met mijn hond. Tijdens die wandelingen kom ik zelden iemand tegen. Op het door bomen aan het zicht onttrokken trainingsveld klinken opgewonden geluiden. Verder is het er stil. Het hoofdveld ademt een kolossale rust uit. Bijna nooit zie ik er iemand bezig. Bij de zij-ingang staan de auto's van de spelers. Het merk van de auto staat er groot op. Ook de naam van de garage die de auto's geschonken of in bruikleen heeft gegeven. Een vervelende kennis heeft me verteld dat wanneer Het Gelderland Stadion eenmaal gebouwd is en het oude stadion met de grond gelijk is gemaakt, op Monnikenhuize villa's komen te staan en luxe appartementencomplexen. ``Je huis stijgt dan in waarde."
Nadat ik voor het eerst de tien laatste minuten van een wedstrijd had bijgewoond, ging ik twee weken later gewoon om half drie. Het regende zacht. In het doel van Vitesse stond Harry Schellekens, die ooit bij NEC had gekeept.
(Een vriend van me wist dat Harry Schellekens tijdens zijn periode bij NEC zich iets eerder van de training losmaakte om de portemonnees van zijn collega' s te plunderen. En met dat geld ging hij dan met trainer Hans Croon - later in Baghwan, daarna plotseling dood naar de hoeren. Het is maar een gerucht natuurlijk, maar wel een gerucht dat me bevalt. Ik vond die Harry Schellekens er ook wel zo uitzien.)
Het was een verschrikkelijk vervelende wedstrijd. Vitesse maakte er niets van en pas toen de laatste tien minuten aanbraken, leken de spelers te beseffen dat ze in een wedstrijd verzeild waren geraakt. Iedereen was plotseling ongecoördineerd in de weer op de helft van de tegenpartij. Ook Harry Schellekens. En toen gebeurde het. De andere doelverdediger trapte uit en de bal zeilde over alle spelers heen en kwam in het strafschopgebied van Vitesse terecht. Op de grond beland minderde de bal vaart, maar ging toch meedogenloos op het lege doel van Vitesse af. Schellekens zag dat uiteraard gebeuren. Hij bleef niet staan, wat gezien de omstandigheden misschien wel het beste was, nee, hij rende naar zijn lege doel en dat was een vergeefse tocht die eindeloos leek te duren. Schellekens kon namelijk niet rennen. Beter kan ik spreken van een zich gespannen voortbewegen. De bal passeerde de doellijn en Schellekens bewoog zich nog steeds gespannen voort, met gebogen hoofd, de handen tot vuisten gebald. Het publiek begon mokkend het stadion te verlaten en de speaker las de overige uitslagen voor. De wedstrijd was echter nog niet afgelopen. Pas toen Schellekens de bal uit het net had gehaald en naar de middenstip gegooid, klonk het fluitsignaal. De tragiek fascineerde me. Voetbal in het oosten van Nederland. Arnhem was mijn stad, Vitesse mijn club.
Dat laatste gaat over. Het Gelderland Stadion. Theater voor het hele gezin. Het is in 1997 klaar en kost 130 miljoen gulden. Op 3 oktober werd het bekendgemaakt. De Arnhemse Courant van die dag: "De namen van de sponsors zijn nog niet prijsgegeven. Publiek geheim is dat het om onder meer bedrijven gaat die nauw betrokken zijn bij de stichting en exploitatie van het stadion. In hoofdzaak zijn het ondernemingen die een vestiging in de regio hebben. In augustus hadden zich veertien sponsors gemeld. Omdat een exclusieve vertegenwoordiging per branche als uitgangspunt werd genomen, vielen uiteindelijk zes bedrijven af." Vites! Vites!
Ik lees dit alles over op een winderige herfstavond. Zojuist keek ik naar buiten. In het stadion wordt de verlichting getest. Ook de steeds leger wordende bomen rond het stadion komen in het felle kunstlicht te staan. De bruine bladeren overheersen de groene. De natuur heeft een camouflagepak aangetrokken. Even is het alsof die bomen aarzelend terugwijken en het stadion een kolossaal ruimteschip wordt, dat op het punt staat het luchtruim te kiezen, op weg naar een andere tijd, waar het nog harder waait en een loodgrijze lucht nog dichter boven de aarde hangt.