P.F. Thomése
Honky Tonk Bomber
Om drie uur 's nachts ontwaakte Gerd Müller in zijn onderbroek op de brandtrap van een Newyorks hotel. Zelf wist hij dit niet: niet dat het drie uur 's nachts was, niet dat hij zich in zijn onderbroek in New York bevond en ook stond hem niet bij dat hij in een hotel logeerde. Zijn maag brandde, zijn kop barstte van het gebonk en toen hij overeind kroop voelde hij in zijn rug pijnscheuten alsof hij hard op de nieren werd gestompt.
Hij zocht steun bij de deur en probeerde ondertussen de klink te vinden. Die was er niet. Ook duwen hielp niet. Immer diese Scheisse! Hij was moe, alles deed pijn, hij snapte het niet. Waarom ging die deur niet open? Ineens was hij ervan overtuigd dat alles van de deur afhing. Als die hem niet in de weg zou staan, was er niets aan de hand geweest. Scheisstür. Dreckstür. Verdammte Tür nochmal.
Hij wilde op de trap gaan zitten, maar toen hij door het stalen rooster naar beneden keek, werd hij plotsklaps overvallen door de zuigkracht van de diepte. O-oo. Door de koppijn heen suisde de duizeling. Alles begon te draaien en te kolken. Hij werd misselijk, hij moest kokhalzen van angst. Niets leek hem van de afgrond te scheiden. Als hij over zijn dikke blote pens heen in de diepte tuurde, zag hij het dunne rasterwerk niet eens meer. Hij hing los in de lucht, hij zweefde. Maar ik kan niet vliegen! Haast aanraakbaar leken het asfalt en de auto's. Alsof hij reeds aan het vallen was en zijn gedachten slechts vertraagd waren, nog niet wisten dat het allang te laat was. De paniek joeg door zijn aderen, zijn benen trilden zo erg dat hij de macht over zichzelf dreigde te verliezen. In blinde angst greep hij een spijl of een leuning, hij klampte zich vast aan het ijzer, even opgelucht, maar meteen weer bang dat het af zou breken, dat het zou smelten onder zijn klamme greep.
Beneden in de straat zag niemand de wanhopige worsteling van de voormalige Bomber der Nation, de legen-darische Duitse midvoor, de meest productieve speler uit de voetbalgeschiedenis, de gedrongen afmaker die in zijn glorietijd vanuit elke positie binnen het strafschopgebied kon scoren, zelfs uit de zogeheten 'kansloze situaties', zodat speciaal voor hem het begrip Torinstinkt moest worden uitgevonden. Gekend, gevreesd, bewonderd - maar thans verdwaald geraakt in een andere tijd, in een andere wereld en door iedereen aan zijn lot overgelaten. Er verschenen zelfs geen verbaasde of verschrikte, laat staan bezorgde gezichten achter de hotelvensters.
Desalniettemin had de paniekaanval een hoop herrie veroorzaakt. De brandtrap rammelde van boven tot onder, een kletterend kabaal dat nog doorging terwijl de verdwaalde Bomber zich al had vastgeklampt, zodat het erop leek dat de trillingen in het tientallen meters lange staketsel werden veroorzaakt door het beven van zijn bange handen.
Pas toen de stilte weer intrad, kwam hij geleidelijk aan bij uit zijn verdwazing. Wat deed hij hier in godsnaam? Hij bemerkte de kramp in zijn zweethanden en versoepelde zijn greep, maar hij durfde zijn houvast niet los te laten. Nog steeds voelde hij de zuigkracht van de diepte, waartegen hij zich teweer moest stellen. Tegelijk zuchtte in hem een loodzware vermoeidheid, een lust tot laten gaan, alsof hij zich in de tuimeling van zijn zwaarte zou verwijderen en eindelijk, eindelijk de last van hem af zou vallen. Ook wilde hij in janken uitbarsten en om zijn Mutti roepen, maar zijn Mutti hadden ze godverdomme dood laten gaan, seine süße Mutti-tutti - en terwijl hij aan haar dacht, moest hij alsnog huilen, zachtjes, geluidloos, met verkrampte mondhoeken en gesloten ogen. Als zij hem hier zo zou zien, dacht hij steeds maar. O-wow. O-wow-wow. Hij vreesde het en verlangde ernaar, met al zijn dronkemanstranen. En opeens wás het alsof ze hem zag. Zoals hij heel vroeger had geweten dat de Herr Gott hem zag. Maar sinds Mutti naar de hemel was gegaan, was zij degene die van boven stilzwijgend over hem moest waken, over haar eigen lieve kleine Bube, die weliswaar breed, pafferig, harig en baardig was geworden, maar nu in zijn witte, veel te grote onderbroek warempel weer haar jongetje-in-de-luier kon zijn.
Hij gaf zich zonder schaamte over aan zijn ontluisterende zieligheid, hij voelde zich door het verdriet om zijn moeder zelfs enigszins gerustgesteld, omdat het zo'n vertrouwd verdriet was.
Toch begreep hij dat de gedachte aan zijn moeder niet genoeg was, dat hij iets moest ondernemen.
Aangezien de deur gesloten was, leek het hem het beste voorzichtig de brandtrap af te dalen. Nog steeds wist hij niet hoe hij hier terecht was gekomen, maar deze vraag hield hem niet echt bezig. Zijn eerste zorg was van dit wiebelende gevaarte af te geraken. Daarna zag hij wel verder. Voetje voor voetje, zijn hand steeds aan de leuning, schuifelde hij naar beneden. Bij elke stap begon de hele staalconstructie mee te deinen, zodat hij telkens moest stilstaan en wachten tot het ophield. In de diepte duizelde de straat. Hoeveel meter...? Niet kijken. Goed op de voeten blijven letten.
Hoe dieper hij daalde, des te veiliger hij zich voelde. Hij verlangde naar vaste grond onder zijn voeten. Als hij het laagste punt bereikte, kon hij niet meer vallen. En misschien zou dan ook de pijn ophouden, hij had het benauwd van de steken in zijn ingewanden; zijn benen verkrampten van de spanning en in zijn kop hamerde het alsof er duchtig werd verbouwd. Ook de kou begon hem parten te spelen, want de Williamsbirne ('40% alcohol, 100% dronken') was inmiddels uitgewerkt. Alles hing af van een geslaagde afdaling - en tot nu toe verliep het goed. Maar de brandtrap ging niet tot beneden door. Hij hield plotseling op. Müller kon het niet geloven. Het leek gezichtsbedrog. Maar hoe lang en hoe nauwgezet hij ook keek: geen trap. Ist doch unglaublich! Hij raakte buiten zinnen van verontwaardiging. Hoe konden ze hem dit aandoen? Als hij degene te pakken kreeg die hem dit had geflikt, dan - hij wist plotseling zeker dat hij erin was geluisd. Een soort wraak van iemand of een of andere straf. Hij kon niet bedenken wat het zou kunnen zijn, maar er waren er zovelen die hem een loer wilden draaien dat hij heel vaak niet naar buiten had durven gaan. Zijn vijanden kenden hem, maar hij kende hen niet. Misschien stonden ze nu, verdekt opgesteld, te kijken hoe hij vastzat, uitgekleed tot op zijn onderbroek gevangenzat op een trap die niet meer terug naar beneden ging. Hij wist het zeker, hij wist zeker dat ze hem ijzig grijnzend stonden te bespieden. In de straat bleef nochtans niemand staan. Er schoven gele taxi's voorbij en af en toe ook een gewone auto, maar verder was er niets te zien. In de verte het aanzuigende, klapwiekende oei-woei gillen van een politiesirene, die niet dichterbij kwam maar ook niet wegging. De geheimzinnigheid maakte hem razend, hij kon het geen minuut, geen seconde meer verdragen dat hij misleid werd zonder te weten door wie dat gebeurde en waarom. Het was van het hoogste belang dat hij hier uit kwam, en wel nu meteen.
Zonder er bij na te denken begon hij op een raam te bonzen. Hilfe! Hilfe! Riep hij dat zelf? Zou kunnen. Hij sloeg met beide vuisten tegen het glas, terwijl hij opnieuw Hilfe! Hilfe! hoorde schreeuwen. Er verscheen niemand, zelfs bewoog het rolgordijn niet vanwege stiekem gluren. Dan moest het glas maar kapot. Zonder zich te bekommeren om mogelijke snijwonden beukte hij er verbeten, haast geduldig op los. Het brak echter niet.
Uitgeput hield hij op. Hij stond uit te hijgen als na een conditietraining, maar hij bleef moe, zo moe dat hij moest gaan zitten, en toen hij zat, bedacht hij dat het beter was om te gaan liggen, niet lang, maar lang genoeg om zich te kunnen ontspannen. Even duizelde hij in een draaikolk rond, toen was hij weg.
En zo werd hij gevonden door het hotelpersoneel. Toen ze de deur van de nooduitgang op de tweede verdieping ontgrendelden, troffen ze een dikke, ontklede man aan die door overmatig drankgebruik en algehele uitputting buiten westen was geraakt. De twee zwarte, geüniformeerde nachtportiers waren gealarmeerd door de bewoner van kamer 294 die zich bedreigd had gevoeld en die nu, in zijn kamerjas, vanachter de deurpost over hun schouders toekeek wat er eigenlijk gaande was. Er waren meer hotelgasten op het lawaai afgekomen, en een van de portiers, die naar binnen ging om een deken te halen, deed vergeefs moeite de nieuwsgierigen terug naar hun kamers te dirigeren. Niemand hier wist wie de ontredderde herrieschopper op de brandtrap was, zelfs de portiers, die hele nachten op hun monitor naar sport zaten te kijken, hadden er geen idee van dat ze hier te doen hadden met de legendarische Duitse Bomber, voormalig Weltmeister en drievoudig winnaar van de Europa Bokal für Landesmeister. Eventueel hadden ze hem op de televisie kunnen zien tijdens de strijd om de Amerikaanse Super Bowl tussen de New York Cosmos en de Fort Lauderdale Strikers, maar dat was onwaarschijnlijk, aangezien Gerd Müller toen reeds na vijf minuten werd gewisseld en zijn elftal nog kansloos verloor ook. Maar al hadden de dienstdoenden deze dingen geweten, dan nog had het geen enkele indruk op hen gemaakt. Hier, in de Nieuwe Wereld, golden andere sporten en andere spelregels. Bodycheck. Dunk. Home-run. Touchdown. Met de bal aan de voet was je hier niets en kwam je hier nergens. Bovendien was er niets waardoor de twee zwarte Amerikanen konden denken dat deze kleine vetzak een sportheld zou zijn. Voor hen was hij niet meer dan de zoveelste ontspoorde sloeber die de vrede in het hotel kwam verstoren.
Ze sloegen de deken om hem heen en ondersteunden hem zo vriendelijk mogelijk - niet uit zorgzaamheid, maar ter voorkoming van hernieuwde amok. Ondertussen probeerden ze uit te vissen wat ze met hem aan moesten. Was hij gast van het hotel? Hoe heette hij? Waar kwam hij vandaan? Ze kregen weinig uit hem, en wat hij uitbracht, verstonden ze niet. 'He's either drunk or foreigner,' veronderstelde de een. 'Well, Otis, I think he's both of them.' Ze besloten hem mee te nemen naar de balie, om daar uit te zoeken of ze hem d'r uit mochten gooien of dat ze hem naar zijn kamer moesten brengen.
Het werd een heel gehannes, want hun passagier werkte niet bijster mee. Hij zakte steeds slap door zijn knieën, zodat ze hem zowat moesten dragen. De brothers namen ieder een arm om hun nek en sleepten hem door de hotelgang naar de dichtstbijzijnde lift. 'A heavy load of shit,' stelde de een vast. 'You says the right thing, Ben. He sure has the smell of it.'
In de lobby, die meer een brede gang was dan een hall, wisten ze niet goed wat ze met hem moesten aanvangen. Staan bleef hij niet uit zichzelf en als ze hem tegen de balie aan plaatsten, gleed hij, zodra ze hem loslieten, telkens weg. Daarom dumpten ze hun last maar op een wachtkamerachtige bank iets verderop. 'Okay man, stay cool.' Otis stak een vermanende vinger op en hield hem argwanend in het oog. Ofschoon er nauwelijks nog leven in de dikke papzak zat, was de vrees voor een woeste uitbarsting niet helemaal verdwenen, en ze wensten hun nachtdienst graag kalmpjes uit te zitten, de benen op de balie en de armen over elkaar.
'Yer name, mister?' probeerde de een. 'Whatta ya called by?' de ander. En toen hij meende dat hij niet overkwam, verduidelijkte hij: 'Whatta ya called by when they call ya, you know, I mean, when somebody calls ya, whaddo this somebody calls ya, if ya get what I is a-tell-in' ya mister?' De twee brothers hadden de indruk dat hij hen uitstekend verstond, maar dat hij om de een of andere reden weigerde te praten.
Wat ze niet wisten, was dat Gerd Müller er geen idee van had wat hij hier deed. Hij was bang dat ze hem in zijn onderbroek op straat zouden zetten. Zolang hij hen niet verstond, behandelden ze hem tenminste als iemand die hier gast zou kunnen zijn. Straks pakten ze hem de deken ook nog af. Straks, maar niet nu bitte, want moe, hij was moe. Mich nur hinlegen. De bank was volmaakt, meer hoefde hij niet.
'You no English, you foreigner?' 'What foreigner, what country?' Ze dachten dat hij, als veronderstelde buitenlander, gebrekkig en krom Engels beter kon verstaan. 'You Europe? You Paris? No, not Paris? Then you maybe Italian. Yeah sure, you sure is Italian, mister. Why didn't you tell us rightaway?'
Hij werd gek van het drukke gepraat. Waarom lieten die kutnegers hem niet met rust? Hij deed toch niks, hij wilde alleen maar slapen. Zo lang mogelijk probeerde hij de opdringende portiers te negeren, totdat hij het niet meer uithield en met één klap van het gezeur af hoopte zijn. 'Ach du verdammtes schwarzes Arschloch, Ich bin Bayer.' Italiener. Pah! Hoe kwamen ze er op!
'What's this fat ass sayin', Otis, didda ya hear him tell-in' his own name? He sayin' something like Ish-ben-Bar. Ain't he some fuckin' sandnigger then?'
'Nein, nein, du Pechraben. Ich sagte Bayern. Deutschland, ja?' En voor alle duidelijkheid voegde hij eraan toe: 'Germaniën.' Bijna had hij - uit ergernis omdat hij was overgeleverd aan de barmhartigheid van twee onverschillige nachtportiers - ook nog zijn naam genoemd.
Die bleken ze overigens niet te hoeven weten. Een van hen haalde de gastenadministratie erbij en na geduchte studie van de gegevens, gevolgd door een fluisterend overleg, concludeerden de brothers trots, alsof er iets te winnen viel: 'You is mister Mueller from Fort Lauderdale, Florida. Is I correct or is I not, mister Mueller?' En ten overvloede voegde hij eraan toe: 'I gotta brotha livin' down in Tallahassee.'
Vervolgens brachten ze hem naar zijn kamer die hij hier dus bleek te hebben. Hijzelf kon zich er niets maar dan ook niets van herinneren. Omdat hij te wankel en te gammel was om de sleutel in het slot te krijgen, deden zij dat voor hem. Zoals bij nieuw aangekomen gasten in andere, chiquere hotels, liep een van de brothers mee de kamer in. Niet met de serviele, fooigerichte kan-ik-u-nog-ergens-mee-van-dienst-zijn-houding, maar veeleer wantrouwend. Anders liep hij nooit met de gasten mee, hij zou daar gek zijn, nee, hij bleef liever rustig achter de balie zitten. Maar in dit geval wilde hij het zaakje veiligheidshalve even controleren. Je wist nooit, je kreeg hier de raarste lui. Hij had zelfs wel eens een lijk op een kamer gevonden, d.w.z. niet hij zelf, maar hij had het zelf gehoord van een collega. Van een misdaad scheen in het geval van deze bum trouwens geen sprake te zijn. Het enige wat op een lijk leek, was die Mueller zelf. Nee, zo te zien was er niets aan de hand. Behalve dan dat het hier ongelofelijk stonk, zo erg stonken ze toch niet zo vaak. Verder zag hij alleen de gebruikelijke smeerboel van alleenstaande mannen die voor onbepaalde tijd waren ingeboekt. Hij knikte naar zijn collega die op de gang stond te lummelen dat alles in orde leek. Een fooi viel hier niet te verwachten natuurlijk, daar ging hij geen moeite voor doen, en daarom liep hij zonder te groeten de kamer uit. Hij keek niet eens meer om toen hij de deur dichttrok.
De kamer zei Gerd Müller niets. Het was een hotelkamer, en in die zin keek hij niet vreemd op. Een goedkope, uitgewoonde kamer. Ontkleurd, door vingerafdrukken groezelig geworden behangpapier. Grauw, onbestemd anti-brandtapijt. Tafel met een televisietoestel erop, stoel ernaast. Ingebrande sigarettensporen op het nachtkastje. Niets opmerkelijks. Maar wat had hij hier te zoeken? Hij kreeg het unheimliche gevoel in andermans kamer terechtgekomen te zijn. Voordat hij op het omwoelde bed ging zitten, tastte hij eerst de plooien af. Wie weet lag er al iemand in. En omdat hij het nog steeds niet helemaal vertrouwde, keek hij voor de zekerheid ook onder het bed. Maar de gedachte dat zich iemand in het bed zou kunnen bevinden, bleef sluimeren, zodat hij, hoewel hij doodmoe was, op de rechte stoel ging zitten, met gestrekte benen en zijn achterhoofd amechtig tegen de muur, de blik op wezenloos.
Het lukte hem niet zich te ontspannen. Integendeel, hij voelde hoe de huiver als koude in hem optrok, de koude hem deed huiveren. Hij begon te rillen, hij kon niet meer stilzitten van het getril. De angst voor de angst. Als hij niets deed, zou hij in paniek raken. Hij moest zich richten op iets vertrouwds, maar alles hier was van een ander. Dadelijk kwam iemand hier binnenvallen. Hij sprong op en deed meteen de deur op de knip. Hoewel hij wist dat er geen ander was, kon hij de gedachte niet van zich afzetten dat er een ander zou kunnen zijn.
Ook de kleren, de schoenen die hij vond, kwamen hem niet bekend voor. Hij kon beredeneren dat ze van hemzelf waren, hij ervoer het niet. Omdat hij het koud had, trok hij ze maar aan. Toen pas merkte hij dat hij zijn onderbroek had natgepist. Gatverdamme. Een schone zag hij niet. Hij zag trouwens nergens bagage, zelfs geen plastic tas. Dan maar in de blote kont in de broek. Echt lekker zat het niet, toch voelde hij zich nu iets beter. Vooral door de schoenen. Minder hulpeloos. Hij kon nu in ieder geval weggaan als het moest.
Weggaan was bij hem: terug naar huis gaan. En als hij aan thuis dacht, dacht hij aan Beieren, om precies te zijn: Nördlingen bij Neurenberg. Hij dacht er overigens naamloos aan. Andere, vreemde steden hadden namen, net zoals andere, vreemde gedachten woorden nodig hadden. Daar hield hij niet van, hij hield niet van namen en woorden, hij voelde zich alleen in het vanzelfsprekende op zijn gemak, waar de dingen waren wat ze waren, zodat je er niet over hoefde na te denken. Hij had nooit begrepen waarom niet alles steeds hetzelfde was gebleven, waarom hij niet, zoals vroeger kon wachten totdat alles uiteindelijk weer goedkwam. Zijn vader die in het donker terugkwam van zijn verre vrachtwagenritten. Het waren toen al de namen die hem angst inboezemden. Darmstadt. Leverkusen. Klagenfurt. Ze klonken naar bloederig opengereten lichamen, wasgele lijkkleur en blauwe zwaailichten die hun stille paniek verkondigen wanneer het kwaad reeds is geschied. In zijn bange voorstellingen was Vati honderd keer verongelukt nadat 's morgens aan het ontbijt de gevaarlijke namen waren uitgesproken. Maar alles was telkens overgegaan als zijn vader laat op de avond terugkeerde, als hij boven in zijn kinderbedje lag en beneden gedempt, onderdrukt, de vaderlijke zwaarte hoorde brommen en klossen.
Hoeveel angst hij ook toen al had gevoeld, het was steeds goedgekomen. En nu kon niets meer goedkomen. Nooit meer de geruststellende aanwezigheid van zijn zware Vati en zijn zachte Mutti, nooit meer Ruhe, Ruhe, süßer Knabe, alles goed. Zijn moeder op de rand van het bed, haar koele hand op zijn hoofdje. Alleen het wachten, dat was nooit voorbijgegaan. Alles was weg en dood, en nog steeds wachtte hij. Hij wist dat het niet meer hielp, maar hij kon niet anders. Als hij wachtte, had hij tenminste het gevoel dat ze, al deden ze het niet, dat ze terug konden komen uit het donker om alles weer vertrouwd en veilig en geborgen te maken. Er moest een dag zijn, waarop de vreemdheid werd uitgewist en alles weer zijn ware, dat wil zeggen vanzelfsprekende en naamloze gedaante zou aannemen.
Hij wilde op bed gaan liggen en denken aan de hand van zijn moeder die hem zachtjes streelde, wachten op zijn vader die uit het donker terug zou keren, maar hij kon het niet. Hij kon het niet meer geloven.
Ineens wist hij weer waarom hij hier was, hier in deze vuile hotelkamer. Van schaamte moest hij zowat kokhalzen. Het liefst zou hij nu iets drinken. De laatste woorden van Uschi toen hij wegvluchtte, nee door haar eruit werd gegooid - de hele hopeloosheid was er weer. 'Go back to your fuckin' mama, you goddamn' fuckin' fat ass!' Ze had hem in het Engels nageroepen, om hem extra te krengen, omdat ze wist dat hij die taal haatte. Mein Gott, waarom was het zo gelopen? Hij had zin om nu iets te drinken. Alles was verkeerd gegaan. Niet omdat hij het had gewild, want hij had het niet gewild, maar omdat hij het niet had tegengehouden. Spijt, spijt, de moedeloze spijt om alles. Had hij niets bij zich? Een koffer of een tas had hij kennelijk niet meegenomen, maar hij wist zeker dat hij een nieuwe doos Williamsbirne bij zich had gehad. 'Kill yourself, if that's what you want.' Hij hoorde het Uschi duidelijk zeggen toen hij de doos vlug inlaadde. Dus dat van die doos, dat klopte. Misschien had hij hem ergens verstopt. In een hotel kon je immers nooit weten. Het personeel was niet te vertrouwen, er kon een vreemde je kamer binnendringen en wellicht was het bezit van een doos sterke drank zelfs in strijd met de plaatselijke politieverordening. Nee, het was niet onverstandig geweest om het spul te verbergen. Alleen moest hij het natuurlijk wel terug zien te vinden.
Hij haalde alles overhoop. Hij trok lakens en dekens van het bed, hij kroop over de vloer. Hij opende zelfs het deksel van de spoelbak, maar het enige wat hij vond, was een lege fles die onder de tafel was gerold. Scheisse! Die doos was toch niet weg? Dat kon niet waar zijn. Dat mocht gewoon niet. Hij moest rustig, stapje voor stapje, nagaan hoe het was gelopen, dan kwam hij die doos vanzelf wel tegen.
Hij was in de Opel gestapt. Had hij de doos toen al? Hij moest goed nadenken. De auto stond in het Bumm-ler-Walhalla geparkeerd - zo noemde zijn vrouw de garage vanwege de drank die hij er had opgeslagen. Hij haatte het woord, toch was ook hij het zo gaan noemen. Walhalla. Het was zijn enige eigen plek in huis geweest. Zelf had hij zijn trofeeën, souvenirs en foto's liever in de woonkamer uitgestald, maar dat had ze niet willen hebben. De garage was volgens haar goed genoeg voor die Schund. Ach ach, waarom beledigde ze hem toch altijd, verdammt noch mal! Hij had er nog van gemaakt wat er van te maken viel. Vitrinekasten met binnenverlichting, een vlag van Bayern aan de muur, het leek net de bestuurskamer van de 1. FC zelf. Als ze hem maar niet gedwongen had de auto er te parkeren. Die roestbak had alles naar beneden gehaald. Nu wist hij het weer. De doos stond unbedingt op de achterbank. Hij had namelijk eerst de drank in veiligheid gebracht toen hij met de Opel door de hele boel heen was gaan rauschen. In z'n vooruit, terugschakelen, in z'n achteruit, terugschakelen. Wat een herrie gaf dat! Net goed! En toen hup in z'n vooruit en flink gas - Bomber, nach vorne! - rinkeldekinkel! kladderadatsch! in de vitrinekast, oei, gauw remmen, terugschakelen - en achteruit vroemm! de oprit af. Go back to your fuckin' mama, you fat ass, en kill yourself, if that's what you want. Maar die doos had hij gelukkig nog. Die stond nog steeds op de achterbank. Ja, want hij wist nog precies wat hij had gedacht toen hij hier aankwam: een fles kan, maar een hele doos valt te veel op. In een parkeergarage, hij zag het voor zich, het was in een betonnen parkeerkelder onder een gebouw. Hij had een volle fles meegenomen en de doos laten staan. Om autokrakers niet op een idee te brengen had hij zijn jas eroverheen gelegd, een korte jekker die de zaak onvoldoende afdekte. Daarom had hij de doos achterin gezet. In de kofferbak, daar lag de Williamsbirne veilig op hem te wachten.
Achter de balie zat inmiddels een dagportier, maar dat viel hem niet op. Hij had de twee brothers waarschijnlijk niet eens meer herkend als ze nog dienst hadden gehad. Het viel hem evenmin op dat er zoveel tijd verstreken was. Minuten, uren, dagen - hij lette er allang niet meer op. Hij leverde zijn sleutel in en vroeg waar de parkeergarage kon zijn die hij in zijn hoofd had.
Buiten was de stad in vol bedrijf. To wake up in a city that never sleeps. Müller zag niets, hoorde niets. Hij dook vastbesloten de betonnen onderwereld in, waar hij ergens in de diepte zijn verlossing wist. Zijn Opel had nog steeds de Münchener nummerplaat, het zou hem geen moeite kosten hem te vinden.
In het zwakke, vale TL-licht glansden doods de geparkeerde auto's. Ze staarden hem aan met hun grijnzende grilles en hun boosaardige koplampen - alsof ze op hem loerden, hem iets kwalijk namen. Hij had nooit van auto's gehouden, als kind al hadden ze hem aan haaien en roofdieren doen denken en hij had gehuiverd als hij zijn Vati, zijn dappere held der Autobahnen, aan die verslinders overgeleverd wist.
De jongens van FC Bayern met hun Porches, hun bmw's, met al hun snelheidsmonsters, nee hij had er zelf niets van moeten hebben. Ook omdat hij dronk, natuurlijk. Maar waarom zou hij niet liever drinken dan autorijden? Waarom zou hij zo'n snelle auto moeten hebben? Hij had niet eens geweten waarheen hij had moeten rijden, laat staan snel. Rustig, hij hield van rustig aan. 'Müller, beweg dich!' schreeuwden ze vroeger langs de lijn. Zijn hele leven hadden ze dat tegen hem geroepen. Maar daar hield hij dus niet van. Ze moesten hem met rust laten. Ook wanneer hij dronk. Waar hij overigens wel aan toe was, een weloverwogen slokje zou alles danig verhelderen, meende hij. Een beetje afstand, dat kon hij best gebruiken - in die zin was alcohol juist gunstig, wat ze er ook van zeiden. Van een slokje schnapps knapte hij altijd onmiddellijk op.
Zelfs van de gedachte eraan knapte hij al op. En toen hij zijn Opel vond, klopte hij hem tevreden op de achterklep: brave jongen, baasje is blij, want autootje is braaf geweest.
Verdammte Scheisse! Hoe kon dat in godsnaam: In de doos zat nog maar één fles Williamsbirne. Had hij de rest dan al opgezopen? Dat kon toch niet? Hij wist zeker dat de doos veel voller was geweest toen hij hier aankwam. Anders had hij toch niet geaarzeld alles mee naar het hotel te nemen? Of had hij hier gisteren in de auto zitten drinken? Hoe lang was hij hier eigenlijk al? Misschien was hij hier al dagen en raakte hij door de voorraad heen. Hij kon zich er niets van herinneren. Wat een Elend. Dit vroeg om, dit eíste eerst een slokje, en dan verder zien.
Hij pakte de laatste fles en ging de auto in. Hij haalde de dop eraf en zette de hals meteen aan zijn mond. Aahh! Dat was beter. Hij nam nog een slok en nog eentje. Nu pas merkte hij weer hoe moe hij was. Het stuur zat in de weg, hij kon zijn benen niet lekker strekken. Daarom klom hij over de stoel op de achterbank, waarbij hij er op acrobatische wijze in slaagde de fles rechtop te houden. Languit op de achterbank nam hij nog een paar slokken en liet toen de alcohol weldadig op zich inwerken, terwijl hij de blik liet rusten op de binnenkant van het dak.
Op de kunststoffen voering zat iets vastgeplakt, zag hij nu. Nooit eerder op gelet. Had zijn kleine Nikke zeker gedaan. Kreunend kwam hij overeind. Het was een sticker. Lederhosen Bar. New York's favourite German hangout. O, daar was hij dus kennelijk geweest. Hij leunde weer achterover. 'Vorbei, vorüber und vergessen.' Als vanzelf begon hij in Drievierteltakt het wijsje te zingen. 'Und es kommt nie, ach nie, nein nie kommt es zurück.' Meer woorden kende hij niet, dus herhaalde hij hetzelfde stukje nog een paar keer, totdat het hem de keel uithing dat hij niet verder kwam. Hij kon trouwens niet zingen.
In het handschoenenvakje vond hij een paar cassettebandjes. Het waren zijn 'heimweebandjes'. Uschi had altijd een hekel aan Heimatmuziek gehad. Hij had er alleen in zijn Walhalla naar mogen luisteren - met tranen in de ogen omdat hij Beieren zo miste en hij vanwege alle problemen toch niet terug durfde te keren. Ze zagen hem al aankomen, der Bummler der Nation.
Zonder te kijken wat het was, schoof hij een bandje in de cassetterecorder. Toen hij het koper een trage polka hoorde pompen en weemoedig daar overheen de houtblazers met de melodie, werd hij verrast door de schoonheid ervan. Hoe had hij hier zo lang niet naar kunnen luisteren? Zonder erbij na te denken schunkelde hij met zijn schouders heen en weer. De woorden kende hij niet, maar het was hem genoeg de maat te volgen met een binnensmonds poem-poem.
Hij draaide het volume luider en nam nog een slok van de Williamsbirne.
Het was al donker toen hij het plan kreeg naar de Lederhosen Bar te gaan. Het moest met zijn heimwee naar Beieren te maken hebben, en ook met de omstandigheid dat hij door zijn drankvoorraad heen was. De fles die hij had leeggedronken, werkte nog behoorlijk door. Hij had weer het gevoel bereikt ontheven te zijn aan zijn eigen lichaam, de ziel zweefde hoog boven de zorgen, maar hij bleef dorst houden. Lekkere trek, zoals hij het zelf noemde.
De taxichauffeur kende de tent niet en reed, omdat hij iets als later en hoax had verstaan, naar een discotheek genaamd The Hoax. 'Nein, nein!' riep Müller toen hij de vergissing bemerkte. Met veel moeite wist hij de chauffeur uit te leggen wat hij bedoelde. De man moest via de mobilofoon zeker twee collega's raadplegen alvorens te kunnen achterhalen waar zijn passagier heen wilde. Toen hij het adres hoorde, zei hij: 'Kinky stuff, huh?'
Aan de ingang werd entree geheven. Dat ergerde hem een beetje. Het was behoorlijk duur trouwens. Bij hen in Beieren hoefde je in een Stube nooit te betalen. Ook had hij verwacht in het Duits te zullen worden toegesproken. Om die kauwgomtrut te laten voelen hoe het hoorde, zei hij: 'Danke schön, gnädige Frau.' 'Don't forget your ticket, pal.' De schlager die hij ondertussen in flarden door de openzwiepende tochtdeur hoorde waaien, hield de stemming er gelukkig nog een beetje in. Het liedje kwam hem bekend voor, wat was het ook alweer? Hij gaf zijn jas af bij de garderobe en ging naar binnen, zich verheugend op wat hij zou aantreffen.
Het was helemaal in stijl. Eikenhouten tafels en stoelen, biertonnen om staande aan te drinken, gezellige hoempapa-muziek. Net als thuis. Hij kon alleen even niet op de naam van het deuntje komen. Koekoeksklokjes aan de muur. En met instemming zag hij ook een staatsieportret van Ludwig II, de laatste koning van Beieren en in zekere zin nog steeds hun koning, want Beieren, dat was geen deelstaat, dat was een land. Het koninkrijk Beieren. Hij had het meeste trek in een schnaps, maar om zijn Heimatgevoel te koesteren, wilde hij eerst een pul Weizenbier bestellen. Zou de eigenaar een Beier zijn? Het moest haast wel. Oberbayern, dat was het. Het deed hem verdomd veel denken aan de bergen. Misschien straks even navragen. Beter eerst iets drinken. Hij had een dooie rotte smaak in zijn bek. Die moest nodig worden weggespoeld. In praten had hij trouwens nog geen zin, daar had hij bijna nooit zin in. Maar een Beier, dat veranderde de zaak. Te lang had hij die schone spraak niet meer gehoord.
Hij ging aan een tafel in de hoek zitten. Het was niet druk, haast leeg zelfs, toch zat hij het liefst zo ver mogelijk weg. De tafeltjes waren onbezet. Aan de bar hingen, zwijgend boven hun bier, enkele alleenstaande mannen. De Gemütlichkeit moest zeker nog komen. De koekoeksklokjes stonden allemaal stil, maar ongetwijfeld was het nog aan de vroege kant. Nou, waar bleef de bediening? Hij moest trouwens pissen als een paard. Dat maar eerst even afhandelen. Bij het opstaan struikelde hij zowat over een stoel. De mannen aan de bar draaiden zich een kwartslag om, alsof ze hier op hadden gewacht, en keken hem wantrouwig na toen hij op zoek ging naar een wc-deur.
Eenmaal binnen besloot hij meteen ook maar te gaan schijten. Dan was hij alles in één keer kwijt. Terwijl hij aldus doende ging, hoorde hij met de broek op de enkels de donkere, troostende altstem van Zarah Leander door de deur heen zwemen. Hoe vaak had hij vroeger thuis bij zijn ouders niet die bakelieten 78-toeren-platen gehoord? Kann die Liebe Sünde sein? Van ontroering vergat hij bijna zijn reet af te vegen. Haastig haalde hij er een paar proppen doorheen, hees zijn broek op en bemerkte niet dat er een sliert toiletpapier was blijven hangen. Ook ontschoot het hem dat hij had moeten doortrekken. Overmand door nostalgie en iets verwachtend waar hij niet meer op gerekend had, keerde hij hals-over-kop, in een walm van poeplucht, naar zijn tafeltje terug.
Wat hij had verwacht, had hij niet eens precies geweten. Maar niet het bizarre tafereel waarin hij plotseling verzeild was geraakt. Inmiddels was er andere muziek opgezet: Lili Marleen, gezongen door de 'nazi-nachtegaal' Lili Anderson, en boven op de bar marcheerden twee meisjes in Lederhosen, een Wehrmachtpet op hun blonde haar en verder helemaal naakt. Ze liepen in ganzenpas, als soldaten op wacht, en elke keer als ze hun draai maakten, salueerden ze heupwiegend als hoeren. 'Wie einst, Lili Marleen.' Hij zat er ontdaan naar te kijken. Hoe konden ze...? Hoe kon hij...? Dit was toch onmogelijk? Zo hoorde het helemaal niet te gaan. Als hij maar iets te drinken had. Hij moest unbedingt iets drinken, anders liep alles uit de hand.
Achter de bar, verveeld opkijkend naar de marcherende meisjes, stond een struise Dirndl in Beierse klederdracht. Hij wenkte haar zoals hij dat van thuis gewend was, maar het mens gaf geen sjoege. Het begon hem langzamerhand op de zenuwen te werken dat men hier niet wist hoe het hoorde. Je kon hier verdomme toch wel bier krijgen?
Omdat ze hem niet zag staan, althans deed alsof ze hem niet zag staan, ging hij zelf naar de bar. Het was belachelijk, vond hij, en zeker als je in aanmerking nam dat hij hier voor deze Scheisse nog entree had moeten betalen ook. Maar hij kon geen uitstel meer verdragen. Hij wilde nú iets drinken. Een grote pul bier voor de dorst en meteen maar een schnapps erbij voor de smaak. Reeds op voorhand wenkend, dus zwaaiend als een S.O.S.'er, liep hij op de Dirndl af, niet wetend dat het roze wc-papier van achteren als een feestlint uit zijn broek slingerde. Niemand scheen er overigens acht op te slaan. Er werd gedaan alsof hij niet bestond. 'Fräulein!' Hij knipte met zijn vingers. Hij sloeg met zijn vuist op de bar, waarbij zijn hand nog bijna werd verpletterd door een langsmarcherende Lederhosen. 'Fräulein, bitte!'
In plaats van hem te bedienen, klom ook de Dirndl op de bar. Wat zullen we nu krijgen! Hij kreeg zin om zelf zijn bier te tappen, maar dat durfde hij toch niet. 'Fräulein, verdammt noch mal!' Het werd hem onverdraaglijk dat ze hem bleef negeren. En zonder te weten waarom en waartoe, begon hij aan het schortje van haar folkloristische groene jurkje te trekken. 'Bier! Ich will ein Bier!' Het klonk eerder dreinend en jengelend en geenszins gebiedend. De Dirndl torende hoog boven hem uit. Ze leek onverstoorbaar een danspasje te maken - en gaf hem toen, in één vloeiende zwaaibeweging, met haar puntige schoentje een rake trap in zijn smoel. Even was hij de kluts kwijt. Hij hapte naar adem, proefde bloed. Maar voordat hij besefte wat er aan de hand was, pakte iemand hem bij zijn haren en ketste hem met zijn gezicht twee keer hard en venijnig tegen de bar, alsof er een noot moest worden gekraakt.
Hij merkte het al niet meer dat ze hem bij kop en kont naar buiten sleurden en hij met het wc-papier jolig achter zich aan wapperend als een zak vuil op het trottoir werd gekwakt.
Tegenwoordig is Gerd Müller jeugdtrainer bij 1. FC Bayern te München.