Frans Kusters
Omtrent het rood, zwart en groen
Met een bevriende leeftijdgenoot, een introvert type dat als grafisch ontwerper de kost verdient, fietste ik naar De Goffert waar de Nijmegen Eendracht Combinatie Ajax zou ontmoeten. Onze tocht had iets van een bedevaart, een terugkeer naar de zondagen van vroeger, twintig jaar en langer nog geleden. Niet dat we toen in 's lands mooiste stadion kind aan huis waren, maar een keer of zeven, acht per seizoen trokken we in die dagen toch zeker ten strijde voor het rood, zwart en groen, bekerduels niet meegerekend. Herinnerde hij zich nog dat we die kleuren bij tijd en wijle zelfs hadden uitgedragen wanneer er op vreemde bodem punten moesten worden gepakt? Ja, dat herinnerde hij zich. (Troosteloze expedities waren het doorgaans, voor de selectie en voor ons, oefeningen in masochisme, vooral vanwege het thuisfluiten, een bezigheid die buiten Nijmegen nog veel populairder bleek te zijn dan we al vermoedden. Nogal wat beenbreuken ook. Maar het kwam in die dagen ook voor dat we moe maar voldaan, en ook wel enigszins beschonken, een punt over de Waalbrug brachten en we hebben het meegemaakt dat het er twee waren, eerlijk waar.)
Vredig zwijgend fietsten we in het licht van de lentezon door de stille dierenbuurt. Wat hem op dat moment bezielde, mijn vriend, was mij een raadsel, maar ineens schreeuwde hij, zo hard dat de klanken ons via de gevels weer bereikten: 'Ger Donners!' Het was geen baldadigheid, het was woede, een kwade gloed die het verdriet verbergen moest. En ik vond dat ik moeilijk kon achterblijven en brulde, meer belust nog op echo dan hij: 'Aad Mellaard!' En toen hij weer: 'Pedro Koolman!' En ik: 'Tymen van Lier!' En hij: 'Weber!' (op de Hazenkamp 'Truus' en op de staantribunes 'Adèle' geheten), en ik op mijn beurt: 'Hendriks!' want iemand anders had ik zo snel niet paraat. En zo gingen we door en behoedden wij luidkeels de ene na de andere naam voor de vergetelheid. Wimke Meijers, Tiny van Reeken, Ruis, Mozes Bicentini, Sije Visser, Pauke Meijers, Worbst, Gerdsen, Jan Peters, Davi Davidovic, Buli Bulatovic, Nico de Bree. Venneker. Kees Kornelis. Cas Jansen. Toon Willemsen, Eus Marijnessen; de een stond doordeweeks op de vuilniswagen en de andere had naderhand nog een heel behoorlijk contract bij Roda in de wacht gesleept.
En wonderlijk genoeg zag ik, net als hij naar ik aannam, bij iedere naam van onze litanie, als in een droom of in een visioen, de aangeroepene in kwestie. In de modder na een te laat ingezette (en ook nog veel te fatsoenlijke) tackle of in de milde septemberzon op de eigen doellijn zittend, de hand in wanhoop voor de ogen, ik zag balverlies, breedte-passes die meters achter de man belandden, veel kappen en draaien zonder een tegenstander in de buurt, schoten hoog over het scorebord en penalty's die cornervlaggen teisterden. Bewegende beelden, zoals het heette, die twee tellen later al weer stolden in het verdriet dat ze brachten. Ik zag aandoenlijk gespuw, gestomp en getrek aan kledij, terwijl de tegenstanders wel keer op keer baat van hun spuwen, stompen en trekken ondervonden. Aan onze kant amper combinaties en de eendracht school voornamelijk in de gebaren waarmee de een de ander troostte, als het eindsignaal had geklonken. Ik zag, kortom, de Nijmegen Eendracht Combinatie.
Voor wie in het rood, zwart en groen voetbalde, waren roem en buitenland en smakken geld niet weggelegd - Peters daargelaten, maar die treurde al om Groesbeek nog voordat hij Genua had bereikt. Ze degradeerden om te promoveren en promoveerden om te degraderen. Nu heetten ze Pothof, Lok, Cruden, Sumiala en Langereis, keepers konden tegenwoordig hands maken, de eredivisie was van de posterijen geworden en op instigatie van Van Gaal mocht je kansen niet met mogelijkheden verwarren. Wat deed het er allemaal toe, zolang ze degradeerden om te promoveren en promoveerden om te degraderen?
Een man die in de Dingostraat geduldig een poedel met zweetbandjes om de voorpoten het trottoir liet spoelen, schalde: 'Bannie Werts!' (Men moet deze twee woorden niet lezen, maar horen, varend op adem, op onvervalste Nijmeegse adem, om te beseffen hoe minachting en genegenheid verenigd kunnen zijn.) En een paar huizen verder begoot een heel dik iemand in bretellen per gieter godzijdank zijn geraniums en uit zijn mond klonk het: 'Jurgen Jendrossek, gore mofse kansenmisser!' En op een balkon aan de Marterstraat gilde een vrouw; wat zij precies gilde, konden wij niet verstaan, maar het had er alle schijn van dat zij 'Henk de Koning' gilde. Toen was het weer stil, als bij toverslag. 'Zonder Mellaard, De Koning en Kees Kornelis,' sprak mijn vriend na een poos, 'was Cruijff nooit Cruijff geworden.' Ik schrok van de blik in zijn ogen.
Omdat de paddock was uitverkocht en je voor minder dan vijfentwintig gulden tegenwoordig kennelijk geen Hazenkamp meer kunt zitten, kochten we staanplaatsen oost en holden we naar de poort van ons vak. Daar zag het zwart van de jeugdige, van smalle rood-witte dassen voorziene hoofdstedelingetjes. Misschien waren die kledingstukken in Amsterdam op het postkantoor wel gratis te verkrijgen. Het was duidelijk dat we het veld voorlopig niet te zien zouden krijgen, want niemand mocht de trap op zonder door een heuse ME'er aan kleding en lichaam te zijn onderzocht. Eerst meende ik nog dat die dasjes voor de wedstrijd ingeleverd moesten worden. Gretig en routineus posteerden de kinderen zich, de armen en benen in de spreidstand, tegen het hek, alsof ze de lichamelijke aandacht die de overheid voor hen koesterde als een soort beloning beschouwden en iedere aanraking als een compensatie voor een leeg en uitzichtloos bestaan.
Vlak voordat wij aan de beurt waren, vloekte mijn vriend. Binnensmonds, maar daarom niet minder hardgrondig. Uit zijn jaszak schoof hij iets tevoorschijn dat hij met zijn andere hand aan de blikken van derden probeerde te onttrekken. Eerst dacht ik dat het een wegwerpaansteker was, totdat ik het heft van een Stanleymes herkende. 'Net nog even zeil in de kinderkamer gelegd,' verklaarde hij. Ik had geen tijd om iets terug te zeggen, mijn kaartje werd afgescheurd en ik ging, de armen geheven, de benen gespreid, tegen het hek staan. De ME'er tikte mij op de schouder. 'U niet, meneer. U kunt doorlopen.' Ik keek om mij heen. Mijn vriend stond boven aan de trap op me te wachten. 'Noemde hij jou ook meneer?' vroeg ik en even voelde ik mij de jonge consument die bij het meisje van McDonald's een bestelling voor het hele gezin plaatst. 'Gelukkig niet,' antwoordde hij. Geen wonder, ging het door mij heen, als ik net als jij een knopje in het oor droeg, was het mij ook niet overkomen. Dat dacht ik, maar ik zei het niet.
Hoewel we in dat tijdsbestek nog het beste van het spel hadden, stonden we na zes minuten al met 2-0 achter.