Bert Wagendorp
Engeland, yes, yes, yes, no
Het is 12 juni, Philips-stadion, Engeland-Portugal. Eindhoven zweet van angst voor de hooligans en ook nog een beetje van de warmte. Het is een van die voetbalavonden waarop er iets mysterieus boven het gras trilt en waarop je voelt dat zich voor je ogen vreemde dingen zullen gaan afspelen, mooie dingen.
Dat gebeurt ook, in de derde minuut begint het al. David Beckham gooit van rechts een lange bal het strafschopgebied in, en Paul Scholes scoort 1-0.
'Yes!' hoor ik mezelf zeggen. 'Verdomme! Yes!' Een kwartier later maakt Steve McManaman er 2-0 van.
Engeland speelt goed en ik ben trots, want het is ook een beetje mijn Engeland. ''Dit wordt wat,'' zegt Robert Misset van NRC Handelsblad die achter me zit. ''Die Ince, jongen, dat is nog eens wat anders dan die Davids van ons. Moet je 'm zien buffelen! Ze gaan die Portugezen inmaken! Tíen! Tíen!''
Engeland 2-0 voor, tegen een van de favorieten voor de Europese titel! Sinds de kwartfinale van het WK van 1970, tegen West-Duitsland, heeft Engeland nooit meer een 2-0 voorsprong weggegeven. Illusies gaan werkelijkheid worden, vanavond in Eindhoven, ik voel het.
Ik heb van begin 1996 tot eind vorig jaar in Engeland gewoond. Ik dacht dat ik in die jaren het land en de mensen met een diepe passie was gaan haten. Toen we ons op een decemberavond voor de laatste keer inscheepten in Dover, keek ik naar de hemel en dankte het Opperwezen. Hoewel ik werd gekweld door claustrofobie, vond ik het niet eens erg dat de bootmaatschappij ons per ongeluk op de potdichte Hoovercraft had geboekt. Het was voorbij, ik zwoer dat ik nooit meer zou terugkeren en het kon me niet schelen hóe ik dat verdoemde eiland voor de laatste keer achter me zou laten.
Maar in Eindhoven blijkt dat de zaken veel gecompliceerder liggen. Scholes scoort en er lopen rillingen over mijn rug. McManaman schiet hem erin, Kevin Keegan komt dol van vreugde uit zijn dug-out en bij mij schieten de tranen van blijdschap in de ogen. Ik heb zin om met de fans mee te schreeuwen: Ingerland! Ingerland! (''Afstand houden jongen,'' klinkt de vermanende stem van mijn oude chef Ben de Graaf door mijn hoofd. ''Afstand houden!'')
Maar ik hoop stiekem dat ik getuige zal zijn van een wonderbaarlijke en geheel onverwachte wederopstanding van het Engelse voetbal. Ik hoop dat Paul Scholes de wereld eindelijk zal laten zien hoe goed hij is, dat de broertjes Neville iedereen die hen altijd belachelijk maakt voorgoed de mond zullen snoeren, dat David Beckham zich in één duel zal verzekeren van de titel Voetballer van het Jaar en dat Tony Adams Luis Figo door de benen zal spelen. Pas die avond besef ik hoe diep Engeland in de voorgaande jaren in mijn botten is gekropen, en dat zich achter de haat een merkwaardige vorm van liefde heeft verborgen.
Dat weet ik helemaal zeker als Engeland met 3-2 heeft verloren, Paul Scholes eerlijk gezegd niet zo heel goed heeft gespeeld, de broertjes Neville er een puinhoop van hebben gemaakt, Ince onzichtbaar is geweest en Luis Figo met een schot door de benen van Tony Adams voor de 2-1 heeft gezorgd die de droom wreed verstoorde en het einde inluidde.
Ik heb stevig de pest in en geef het team van Keegan er in mijn verhaal voor de Volkskrant in de beste Engelse tradities stevig van langs. Waardeloos elftal. Domme coach. Was sich liebt, das neckt sich; nergens een wredere voetbalpers dan in Engeland.
Je moet toch wat, met je teleurstelling en frustraties.
De kop boven een artikel in The Independent van vijf juni, vijf dagen voor het begin van het Europees kampioenschap: Why does it always end in tears?
Nog geen bal getrapt, en toch al de mentale voorbereiding op het drama dat er weer onvermijdelijk aan zit te komen. Keegan, die zegt dat Engeland all the way kan gaan. De journalisten voor zijn neus die dat verheugd opschrijven, maar tegelijkertijd weten dat het onzin is. Net als Keegan zelf waarschijnlijk.
32 Years of hurt, maar toch blijven dromen, in de dieptreurige zekerheid dat het weer mis zal gaan.
Why does it always end in tears?
Why does it always end in tears?
WHY does it ALWAYS end in TEARS??
Inderdaad, waarom eigenlijk?
Waarom is het in het voetbal niet een beetje beter verdeeld met de prijzen? Waarom worden Brazilië en Duitsland steeds wereldkampioen, en als ze het niet worden Argentinië of Italië? Waarom krijgt Frankrijk na de wereldtitel ook nog eens de Europese titel? Waarom winnen elf zonnebadende dronkelappen uit Denemarken wel het EK en een stelletje prima jongens uit de Premier League die zich de longen uit het lijf voetballen, nooit en te nimmer?
Waarom wordt Engeland altijd vernederd als het er na veel geploeter en stinkende mazzel in is geslaagd zich eindelijk voor een groot toernooi te plaatsen?
Dat is toch verschrikkelijk oneerlijk? Bestaat er nog zoiets als een voetbalgod met enig rechtvaardigheidsgevoel, of hoe zit het?
''Als het op eerlijkheid en gepleegde inspanningen zou aankomen, waren we Europees kampioen geworden,'' zegt Kevin Keegan nadat Roemenië zijn team er in Charleroi definitief uit heeft geknikkerd (door een penalty in de laatste minuut, ook zoiets. Engeland, nooit klip en klaar na een kwartier met 4?0 achter en uitgeschakeld; altijd in de laatste minuut door een dubieuze penalty. Of door iemand die de bal er met zijn hand inslaat.)
''Maar daar komt het niet op aan, in het moderne voetbal,'' zegt Keegan, ''op eerlijkheid en gepleegde inspanningen.'' Nee, maar waarom eigenlijk niet? Wat is er tegen eerlijkheid en inspanningen? Dat zijn toch prachtige kwaliteiten, die best eens beloond zouden mogen worden met een mooie titel? Het hoeft toch niet altíjd te gaan om tactische rijpheid en technische superioriteit, of wel soms?
Ik ben negen jaar. Het is 30 juli 1966, zaterdagmiddag. Ik kan me van alle voorgaande wedstrijden van het wereldkampioenschap van dat jaar niets herinneren - misschien heb ik ze helemaal niet gezien. Maar deze, de finale, staat in mijn geheugen gegrift.
Als ik 's nachts niet in slaap kan komen en de opstelling van Engeland probeer op te lepelen, zijn er altijd maar twee namen die me niet te binnen willen schieten: George Cohen en Ray Wilson (Wilson is al jarenlang begrafenisondernemer, lees ik in The Cassel Soccer Companion waarin ik zijn naam weer moet opzoeken, en Cohen zit in het onroerend goed).
Gordon Banks, Jackie Charlton, Bobby Moore, Martin Peters, Bobby Charlton, Nobby Stiles, Roger Hunt, Alan Ball, Geoff Hurst (drie keer).
Ik zit in mijn eentje in onze huiskamer en buiten is het prachtig weer. Mijn vader is vissen. Hij is een groot voetballiefhebber, maar vandaag is hij om onbegrijpelijke redenen gaan vissen. Waar mijn moeder en broers zijn, is tot op de dag van vandaag een mysterie. Ik zit in elk geval alleen voor onze zwart?wit Blaupunkt naar Engeland?Duitsland te kijken. De gordijnen zijn dicht, om het zonlicht uit het scherm te houden.
Haller 0?1. Hurst 1?1. (Mijn vader keert terug van het vissen. Hij heeft niets gevangen.) Peters 2?1. Weber 2?2 in de allerlaatste minuut. Verlenging.
Op het veld spreekt Alf Ramsey zijn allerberoemdste woorden: ''You've won it once, now go out and do it again. Look at them... they're finished.''
Hurst 3?2, de meest legendarische treffer ooit. BBC?verslaggever Kenneth Wolstenholme spreekt zíjn allerberoemdste woorden: ''There are people on the pitch... They think it's all over... (Hurst 4-2) It is now!''
Alf Ramsey spreekt op de bank zijn beroemdste woorden op zijn allerberoemdste woorden na, tegen zijn assistent?trainer Harold Shepherdson, die ordinair zit te juichen omdat Engeland tien seconden eerder voor het eerst in de geschiedenis wereldkampioen is geworden. ''Control yourself!''
Helmuth Haller stopt de bal onder zijn shirt (hij zal hem pas in 1996 teruggeven.)
Hurst spreekt zíjn allerberoemdste woorden. ''I just belted it.''
Ik ben diep teleurgesteld, want ik was voor West?Duitsland, vooral omdat ik Nobby Stiles zo'n gemene speler vind.
The 32 Years of Hurt:
1968: verloren in de halve finale van het EK.
1970: verloren in de kwart finale van het WK.
1972: verloren in de kwart finale van het EK.
1974: eindronde van het WK niet gehaald.
1976: eindronde van het EK niet gehaald.
1978: eindronde van het WK niet gehaald.
1980: uitgeschakeld in de eerste ronde van het EK.
1982: uitgeschakeld in de tweede ronde van het WK.
1984: eindronde van het EK niet gehaald.
1986: verloren in de kwart finale van het WK.
1988: uitgeschakeld in de eerste ronde van het EK.
1990: verloren in de halve finale van het WK.
1992: uitgeschakeld in de eerste ronde van het EK.
1994: eindronde van het WK niet gehaald.
1996: verloren in de halve finale van het EK.
1998: uitgeschakeld in de achtste finale van het WK.
2000: uitgeschakeld in de eerste ronde van het EK.
Op de middag voor de wedstrijd tegen Portugal praat ik in een café in Eindhoven met een paar Engelse supporters. ''Die 4?1 tegen Nederland, in 1996, dat was ons allermooiste moment sinds 1966,'' zeggen ze. Eentje wordt emotioneel bij de herinnering. ''That was great, absolutely great. We beat the Dutch! We beat the country of Cruijff, Van Basten and Bergkamp!''
Ze weten het zelf ook wel: dat het nu ook weer niet zo'n ongeloofijk bijzondere overwinning was. En dat hij uiteindelijk ook weer tot niets leidde. Maar je moet toch wat, je kunt het geheugen niet uitsluitend vullen met nare herinneringen, want dan word je gek.
Voor aanvang van het EK van 1996 ga ik naar het hoofdkwartier van de Football Association, aan Lancaster Gate in Londen. Ik heb met de documentalist van de bond afgesproken dat ik wat mag rondneuzen in de uitgebreide bibliotheek. Ik ben nog niet binnen of hij komt aanlopen met een klein schrift met een hard rood kaft. ''Dit is heel bijzonder,'' zegt hij. ''Voorzichtig alstublieft.'' In het schrift staan de handgeschreven notulen van de allereerste vergaderingen van de FA, in Freemasons Tavern aan Great Queen Street. De eerste aantekeningen dateren van 26 oktober 1863.
Op 24 november 1863, tijdens de vierde vergadering, komt secretaris Ebenezer Cobb Morley met de veertien wetten die voetbal tot voetbal zouden maken en definitief zouden scheiden van het rugby.
Regel 9: lopen met de bal in de hand is verboden.
Regel 10: het vasthouden en schoppen van de tegenstander is verboden.
Regel 11: de bal mag niet met de handen naar de tegenstander worden gespeeld.
Engeland is op dat moment het beste voetballand ter wereld, want nergens anders wordt nog voetbal gespeeld, althans niet volgens de regels van de FA. Dat verandert snel, maar Engeland blijft nog even het beste voetballand ter wereld. Hoewel je dat eigenlijk niet met zekerheid kunt zeggen, want het nationale team speelt tot 1908 alleen maar officiële interlands tegen Schotland, Wales en Ierland. De 18e februari 1882, in Belfast, 13?0 tegen de Ieren! Maar ook: 2 maart 1878, in Glasgow, 7-2 voor Schotland.
Dus op dat moment is er al ruimte voor enige twijfel.
Ondertussen geven de Engelse amateurs op het continent voetballes, dus misschien hadden de profs wel gelijk om zich gewoon te concentreren op de competitie, de FA Cup en op Schotland. De eerste Olympische Spelen waar wordt gevoetbald, zijn die van Parijs 1900. Er zijn drie deelnemers: Groot-Brittannië, Frankrijk en België. De amateurs van Upton Park FC winnen goud, 4?0 in de finale tegen Frankrijk. Weten die ook weer waar ze staan. Nederland speelt op 1 april 1907 op Houtrust tegen de Engelse amateurs: 1-8. Op 21 december volgt de return in Darlington: met 12-2 ingemaakt.
Ergens in die jaren moet de mythe van het onverslaanbare Engeland zich in de harten van de fans hebben genesteld. Groot?Brittannië had zijn imperium en zijn voetbal en de rest, ach, de rest van de wereld was eigenlijk maar een zielig zootje dat niet helemaal serieus kon worden genomen.
De vier landen van Groot?Brittannië waren er niet eens bij, toen in 1904 Robert Guerin en de Nederlander Carl Anton Wilhelm Hirschman de Fifa oprichtten. Pas in 1906 sloten de Home Countries zich aan. Om in 1919 weer op te zeggen, als uitvloeisel van de Eerste Wereldoorlog. In 1924 werden ze weer lid, in 1928 zegden ze weer op, ditmaal na een ruzie over de definitie van amateurisme. De eerste drie wereldkampioenschappen, die van 1930, 1934 en 1938, werden gespeeld zonder Britse deelname. Niemand in Engeland vond dat erg. De Cup Final was veel belangrijker.
Pas in 1946 meldden Engeland, Schotland, Wales en Noord?Ierland zich weer bij de wereldvoetbalbond.
Voor 1930 speelt het Engelse nationale elftal maar 24 interlands tegen ploegen van buiten de eigen eilanden, waarvan acht tegen België en zes tegen Frankrijk: lekker dichtbij. In de volgende tien jaar komen er nog 33 bij. Niet dat dergelijke wedstrijden er veel toe doen. Er waren elk jaar maar twee interlands echt van belang: Engeland-Schotland en Schotland-Engeland.
Meestal won Engeland, dus Engeland was het beste voetballand ter wereld. Ook als er toevallig eens werd verloren van een armzalig ontwikkelingsland. Van Spanje bijvoorbeeld, dat Engeland in 1929 in Madrid de eerste overzeese nederlaag in de geschiedenis toebracht: 4?3. Of van Frankrijk, dat Engeland voor de eerste keer versloeg in 1931 in Parijs, met 5-2. Tsjechoslowakije won in 1934 in Praag met 2?1 en in datzelfde jaar was Hongarije in Boedapest ook met 2?1 te sterk. België won in 1936 in Brussel met 3?2, Oostenrijk in hetzelfde jaar met 2?1. Zwitserland versloeg de grote leermeesters in 1938 in Zürich (2-1) en Joegoslavië won een jaar later ook met 2-1. Maakte niet veel uit. Niet helemaal geconcentreerd, bootreis nog in de benen, bloody foreign food. Engeland won de meeste van de overige duels en versloeg op 14 november 1934 op Highbury de Italiaanse wereldkampioenen met 3?2. Dus eigenlijk was Engeland wereldkampioen. Maar daaraan twijfelde, in Engeland althans, toch al niemand.
Maart 2000. Aan 52 Britse voetbalmanagers en ex?voetbalmanagers wordt gevraagd wie zij als 's werelds beste voetbalcoaches aller tijden beschouwen.
En dan volgt hier de uitslag:
1. Alex Ferguson (Manchester United).
2. Bill Shankly (Liverpool).
3. Brian Clough (Nottingham Forest).
4. Matt Busby (Manchester United).
5. Alf Ramsey (Engels elftal).
6. Bob Paisley (Liverpool).
7. Jock Stein (Celtic).
8. Bill Nicholson (Tottenham Hotspur).
9. Don Revie (Leeds United).
10. Marcello Lippi (Juventus).
11. Bobby Robson (Ipswich Town).
12. Jim Smith (Oxford United).
13. Terry Venables (Engels elftal).
14. Rinus Michels (Ajax).
15. Sven Göran Eriksson (SS Lazio).
16. Herbert Chapman (Arsenal).
17. Arsene Wenger (Arsenal).
18. Graham Taylor (Engels elftal).
19. Joe Mercer (Manchester City).
20. John King (onbekend).
Een prachtig resultaat voor het Engelse voetbal. Het blijkt dat zestien van de twintig beste managers aller tijden Brits zijn en dat Frankrijk, Italië, Zweden en Nederland zich al die tijd met maar één topper hebben moeten behelpen, en van hen is de Fransman pas in Engeland echt opgebloeid. Voor landen als Duitsland, Brazilië, Argentinië, Spanje en Oostenrijk is het resultaat helemaal teleurstellend. Beckenbauer, Zagallo, Menotti, Munoz, Happel: allemaal toch net een maatje te klein. Cruijff ook. En Louis van Gaal heeft eveneens nog veel te bewijzen, voor hij misschien John King van de twintigste plaats kan verdringen.
Ik hoef de lijst maar twee keer over te lezen, en ik weet weer waarom ik de Engelsen wel eens heb beschuldigd van chauvinisme, arrogantie en blindheid.
Maar nu kan ik er eigenlijk wel om lachen.
Zouden we in Nederland ook moeten doen, van die oogkleplijstjes.
In een van de cafés van de Houses of Parliament in Londen heb ik een gesprek met een Kamerlid van de Conservatieve Partij, die onder Thatcher nog staatssecretaris voor Verkeer of zoiets is geweest. Ik vraag hem wat hij vindt van het Britse parlementaire systeem.
''Het beste van de wereld.''
''Waarom?''
''Omdat wij het eerste land ter wereld waren dat een parlementaire democratie werd. De anderen hebben het allemaal van ons afgekeken.''
''Maar daarom hoeft het toch nog niet automatisch het beste systeem ter wereld te zijn?''
''O yes, it is.''
''Moet het Britse parlementaire systeem niet eens worden gemoderniseerd?''
''Nee.''
''Waarom niet?''
''Omdat het al het beste systeem ter wereld is. Dus waarom zouden we het dan moderniseren? Laten de anderen hun systeem maar moderniseren. Wij willen ze daarbij gaarne terzijde staan.''
''Dank u wel.''
Bewonderenswaardige eigenwijsheid. Ik ben zijn naam vergeten, maar hij had zo voorzitter van de Football Association kunnen zijn.
Vier jaar lang heb ik intensieve pogingen in het werk gesteld om de Engelse ziel te doorgronden. Het is me bij lange na niet gelukt. Steeds stuitte ik op die niet te ontwarren tegenstelling tussen arrogantie en minderwaardigheidscomplex. Ik liep in mijn pogingen steeds vast op de complexe neiging van de Engelsen om hun land aan de ene kant als het absolute voorbeeld voor de wereld naar voren te schuiven, en het aan de andere kant met satanisch genoegen de grond in te boren en als een failliete boedel te omschrijven.
Zeg tegen een Engelsman dat je van zijn land houdt, en hij zal je omstandig gaan uitleggen waarom het absoluut belachelijk is je liefde te betuigen aan zo'n godvergeten negorij.
Vertel hem dat er weinig deugt van zijn land, en hij zal het met vuur verdedigen. Om het daarna, als je hem gelijk geeft, weer met de grond gelijk te maken.
En waarschijnlijk bedoelt hij steeds het omgekeerde van wat hij zegt en vindt hij je sowieso een vreemde buitenlandse snuiter die helemaal niets van Engeland begrijpt en die maar beter gelijk weer kan ophoepelen naar Euroland.
Ik ben er zeker van dat een verklaring voor de neergang van het Engelse voetbal, als die er al zou zijn, moet worden gezocht in die doolhof van tegenstrijdigheden, die ook de Engelsman zelf volledig het spoor bijster hebben doen raken.
Een Engelse voetbalfan kan zijn team in één zin hemelhoog prijzen en tot op het bot afkraken, in rijke bewoordingen die je niet achter zo'n kale getatoeëerde zuiplap zou zoeken.
Uit de bron van het minderwaardigheidsgevoel komt de verheerlijking van buitenlandse voetballers, die in Engeland extreme vormen heeft aangenomen. Jarenlang was een voetballer van buiten de eilanden een zeldzaamheid, want zo goed als de Engelse baltovenaars zelf waren ze toch nooit. Dat is veranderd. Er lopen in het Engelse betaald voetbal nu zo'n 330 buitenlanders rond (Schotten, Ieren en Welshmen niet meegerekend).
Toen Ed de Goey net keeper was geworden bij Chelsea, stonden er regelmatig interviews met hem in de Engelse kranten. Daarin werd Ed tot mijn verbazing steeds afgeschilderd als een intrigerende intellectueel. Hij zei namelijk niets. Dit zwijgen werd door de voetbaljournalisten geïnterpreteerd als een uiting van grote denkkracht en filosofische beschouwelijkheid.
Ed de Goey kwam per slot van rekening van het continent en daar, luidt het adagium in de Engelse sportpers, zijn voetballers heel andere mensen dan Engelse spelers. Ed ging nooit met de jongens mee naar de pub bijvoorbeeld. Dus het kon haast niet anders of hij zat thuis de hele tijd in allerlei moeilijke boeken van Franse wijsgeren te neuzen. Ook werd Ed nooit met een snolletje in een motel betrapt, dus waarschijnlijk had hij Onbegrijpelijke en Hoge Ideeën over de Liefde.
Een man als Ed, vond de pers, was een sieraad voor de sport aan wie de Engelse voetballende proleten een voorbeeld konden nemen.
Het ging zo ver, dat ik me begon af te vragen of wij in Nederland Ed de Goey - de mens, niet de keeper natuurlijk - niet jarenlang schromelijk hadden onderschat.
Hetzelfde met Gullit. Die praatte wél, en dat werd uiteindelijk ook zijn ondergang, maar in het begin van zijn Engelse periode en ook nog toen hij al manager van Chelsea was geworden, boekte hij immens veel succes met zijn plastic voetbalfilosofietjes. Bij persconferenties hingen zelfs de collega's van de tabloids als brave schooljongens aan zijn lippen.
''Zulke dingen hoor je nou nooit van een Engelse manager,'' zei een voetbalverslaggever van The Guardian, na een persconferentie voorafgaand aan de Cup Final van 1997.
''Maar wat zegt?ie dan in godsnaam voor bijzonders?'' vroeg ik.
''Dat weet ik ook niet precies. Het is die continental touch. Dat mondaine van hem. Hoe hij gekleed gaat. En hoorde je wat hij zei tegen die Italiaanse journalisten?''
''Nee, ik versta dat niet.''
''Ik ook niet, maar hij zei het in het Italiaans! Moet je nagaan!''
''Maar hij heeft jarenlang in Italië gewoond!''
''Dat bedoel ik. Als Engelse voetballers een paar jaar in Italië hebben gespeeld, spreken ze nog steeds geen woord Italiaans. Heb je Gascoigne wel eens Italiaans horen praten? Of Ince?''
Toen de journalisten in de gaten kregen dat Gullit wel een gezellige prater was, maar dat zijn woorden, eenmaal opgeschreven, verdampten als regendruppels in de Sahara, was het snel afgelopen. Gullit had zich beter kunnen opstellen als de zwijgzame Sfinx van Amsterdam. Dan was hij nu nog de aanbeden trainer van Chelsea geweest.
Als Frank Lebœuf van Chelsea in zijn column in The Times iets beweert, geldt dat automatisch als zeer behartenswaardig. Columns van Engelse profs neemt niemand serieus: gebral van dronkelappen en niet eens zelf geschreven. Imbecielen kunnen niet schrijven.
Maak dan eens zo'n buitenlandse voetbalintellectueel bondscoach, zou je zeggen. Maar dat gaat weer veel te ver. Een buitenlander als coach van het nationale team is in Engeland alleen een discussiepunt onder zeer vrijgevochten geesten. Die willen nog wel eens voorstellen om Wenger te benoemen, of Van Gaal of Houllier.
Een grote meerderheid van het volk zou zo'n aanstelling echter beschouwen als het ultieme bewijs dat het met Engeland definitief is afgelopen. Zelfs Schotten of Ieren, doorgaans de beste trainers in de Premier League, komen er niet in. Ferguson moet maar gewoon bondscoach van Schotland worden en O'Leary van Ierland.
Dat steeds meer clubs hun managers van over het Kanaal halen, is nog tot daar aan toe. Maar het moet niet te gek worden. Dat een Engelsman Engeland naar de afgrond voert is nog te verdragen. Maar zou dat gebeuren onder leiding van een buitenlander, dan is het einde zoek. Dat een buitenlandse coach misschien wel nieuwe en vruchtbare wegen in zou kunnen slaan, is voor de meeste Engelsen nog wel een aanvaardbare stelling. Maar dat is nog geen reden om tot een dergelijke ingrijpende maatregel te besluiten. Het zou, is de algemene opvatting, toch zoiets zijn als Tony Blair vervangen door de talentvolle Wim Kok: een verschrikkelijk bewijs van eigen falen en ontoereikendheid.
Iets constateren is in Engeland nog heel wat anders dan de consequenties uit die constatering trekken.
Alle Engelse kranten schreven tijdens en na het EK dat Kevin Keegan een tactische prutser is, die bovendien de verkeerde spelers had geselecteerd en tot overmaat van ramp uit die selectie ook nog de foute opstelling had gedestilleerd. Maar de luide roep om Keegans vertrek bleef uit. Toen Hoddle werd geslacht, was er een alternatief: Keegan. Maar nu weet niemand welke Engelsman Keegan zou moeten opvolgen, dus bleef het stil.
Keegan schoof wel zijn eigen opvolger alvast naar voren: Alan Shearer. Wie in Engeland coach wil worden, moet of zelf op hoog niveau hebben gespeeld, of buitenlander zijn. Omdat buitenlanders voor de post van bondscoach niet in aanmerking komen, is ervaring in de Premier League dus het enige vereiste.
Alan Shearer zei dat hij straks eerst een tijdje manager van Newcastle United wil worden en dat hij daarna beschikbaar is voor Engeland. Vermoedelijk zal dit scenario binnen enkele jaren ook werkelijkheid worden. Alan Shearer is nog nooit betrapt op een opmerking waaruit een diep inzicht in het voetbalspel viel op te maken. Hij is überhaupt nog nooit op een opmerking betrapt die niet iedereen na drie seconden alweer was vergeten (behalve misschien in de reclamespots waarin hij optreedt, maar die teksten verzinnen anderen).
Dus dat wordt onherroepelijk een verlenging van het lijden, met Alan Shearer als bondscoach. Iedereen in Engeland weet dat, maar toch gaat het gebeuren. Misschien komt eerst Bryan Robson van Middlesbrough nog aan de beurt. Robson was vroeger speler van Manchester United, en stond bekend als een geweldige innemer. Dat is hij nog steeds. Robson zuipt nog altijd iedereen, inclusief de meest geharde elementen uit zijn selectie, genadeloos onder tafel. Daarmee dwingt hij veel respect af.
De Kroaat Igor Stimac sprak er, toen hij net bij Derby County speelde, zijn verbazing over uit. ''In Europa drinkt een jonge speler als hij een avond uit gaat een glas wijn. Daarna gaat hij op zoek naar een goede maaltijd of een lekker potje neuken. Maar hier denken ze alleen aan het volgende glas, en de volgende pub.'' Een paar jaar geleden verklaarde coach Ferguson van Manchester United vol trots dat zich in zijn selectie maar liefst zeven geheelonthouders bevonden.
Die slappe buitenlanders zeker, schreven de tabloids.
Dus Bryan Robson zal heus nog wel een keer bondscoach worden en waarschijnlijk zal hij na zijn eerste uitschakeling verklaren dat, wanneer het bij het EK op zuipen was aangekomen, zijn team Europees kampioen zou zijn geworden. ''Maar daar gaat het helaas niet om.''
Toen Arsène Wenger na zijn aantreden bij Arsenal een diëtist aantrok en de spelers maande het kroegbezoek te beperken, gold hij onmiddellijk als een sissy. De tabloids suggereerden dat hij vermoedelijk een homo was. Buitenlanders zijn intrigerende types, vinden ze in Engeland, maar ze zijn ook wel een beetje vreemd. Dus dan op de hoogste positie toch maar liever een echte Engelsman, ook al begrijpt die er duidelijk niets van.
Soms denk ik wel eens dat de Engelsen, na het verlies van hun imperium, een volk zijn geworden dat, in een masochistische feeststemming, willens en wetens naar de afgrond danst. Een volk dat zich genotvol wentelt in de doem van de neergang. All is lost en het wordt nog veel erger, so let's enjoy it.
Ze zouden niet weten wat ze moesten doen, als ze opeens wereldkampioen zouden worden. Het zou hun hele zelfbeeld verstoren. Ze zouden in een delirium van vreugde raken, en tegelijkertijd de tegenstander vervloeken die hun de kans gaf te winnen. Mooier is het te verliezen in de laatste minuut door een onterechte penalty. Ik heb in de loop der jaren tientallen Engelse voetballiefhebbers uiterst tevreden het noodlot Engeland?supporter te zijn horen bewieroken.
''Als winnen de opwindendste zaak in het leven is, dan is verliezen toch nog altijd het op één na opwindendst,'' schreef The Times na het EK?echec.
Mooi was het, 1966, maar daar moet het wel bij blijven.
Maar we zoeken een verklaring voor de neergang, en met socio?psychologisch geleuter komen we er niet. Te veel buitenlanders in de Premier League, dat moet het zijn. ''Het tekort aan technisch begaafde Engelse spelers is niet het resultaat van al die buitenlanders in de Premier League, maar de oorzaak,'' schreef The Independent. Juist.
Het middeleeuws georganiseerde jeugdvoetbal, daaruit kan wellicht iets worden verklaard.
Alle achtjarige jongetjes op de school van mijn dochter speelden op zaterdagochtend voetbal in het schoolelftal. Dat werd getraind door meester D., die altijd op sandalen langs de kant stond te springen en onbenullige aanwijzingen gaf, zoals 'hit that ball' en 'up front!' Als meester D. geen tijd had, werd de training waargenomen door een dikke moeder in een Arsenal?shirt.
Maar niettemin, het talent is er wel, in Engeland: Cole, Woodgate, Barry, Carrick, Dyer, Hendrie, Upson, Brown, Harley, Gerrard en nog dertig veelbelovende spelers.
Alleen moet iemand ze wel bijbrengen hoe je buitenlandse ploegen kunt verslaan. Dat je bijvoorbeeld de bal moet passen, en niet moet behandelen als een handgranaat zonder veiligheidspin of een bron van dodelijke ziektekiemen, die je maar het beste zo snel mogelijk weer kunt wegrossen.
Dat je enig geduld moet betrachten, en niet als gekken naar voren moet hollen, zoals elke week het geval is in de Premier League. Met vrienden die ons bezochten in Engeland, ging ik meestal naar West Ham United. Daar kon je, anders dan bij Arsenal of Chelsea, vaak nog wel kaartjes krijgen. Na betaling van tachtig gulden zetten mijn gasten zich handenwrijvend op de tribune. Engels voetbal! Spektakel! Meestal gingen zij na anderhalf uur verbijsterd naar huis. Hun door de samenvattingen van Match of the Day gevoede droom lag aan diggelen. De meeste Engelse wedstrijden zijn namelijk het aanzien absoluut niet waard. Het is over het algemeen van een bedroevend niveau wat de supporters krijgen voorgeschoteld. Het enige wat leuk is, is de sfeer op de tribunes. En de pubs naast de stadions.
''Ze juichen elke keer als die back de bal de tribunes in ramt,'' zei een verbaasde vriend toen we een keer, om het echte ouderwetse Engelse voetbal te beleven, bij Fulham gingen kijken, dat toen nog in de tweede divisie speelde.
''Dat vinden ze erg goed van die back,'' zei ik.
''Dat?ie hem steeds een blinde pegel geeft?''
''Dat?ie zoveel inzet toont.''
''Maar hij zou de bal toch beter kunnen passen?''
''Dat vinden ze saai. Bovendien kan hij dat niet, een pass geven. Hebben ze hem nooit geleerd.''
Daarna ging ik voor mijn vriend de specialiteit van de catering bij Fulham FC kopen, de allervetste hamburger ter wereld.
Veelgehoorde verklaring voor de neergang: Engeland verloor het contact met het moderne voetbal toen het, in de nasleep van het Heizeldrama, vijf jaar lang op zichzelf was aangewezen. Eilandbewoners waren het altijd al, maar tussen 1985 en 1990 kreeg het insulaire karakter een nieuwe impuls. Als de wereld zich afkeert van Engeland, leert de geschiedenis, draait Engeland op zijn beurt de wereld de rug toe. Ook de wereld van de nieuwe voetbalinzichten.
Ik geef toe, het klinkt behoorlijk aannemelijk en je zou er op een congres voor bondscoaches best mee voor de dag kunnen komen.
Maar waarom haalde het land dan in 1990 onder Bobby Robson de halve finales van het WK en hadden ze zelfs gewoon in de finale gestaan als Pearce die penalty erin had geschoten (waarna ze misschien ook Argentinië wel hadden geklopt en wereldkampioen waren geworden)? En waarom leek het dan twee jaar later bij het EK in Zweden weer helemaal nergens op?
''Wij hebben de wereld het spel geschonken, de wereld heeft het aangenomen en er iets van gemaakt dat wij niet langer begrijpen,'' schreef James Lawton treurig in The Independent. ''Achter de rijkdom van de Premier League bevindt zich een wanhopige klasse van Derde Wereld?voetbalarmoede.''
Dat zal allemaal wel, maar hoe komt dat dan?
Hoe zit het nu met die neergang?
Why does it always end in tears? Dat zit zo. In Engeland vinden ze een sport uit (voetbal, rugby, cricket, tennis, badminton). De rest van de wereld neemt de sport over, en is binnen de kortste keren beter dan de uitvinders. En niemand weet waarom.
Er zijn mensen die beweren dat het heeft te maken met het feit dat de Engelsen sport in het diepst van hun ziel nog altijd beschouwen als een bezigheid voor gentlemen, en dat een gentleman nu eenmaal niet de winst als het enige en absolute doel beschouwt, maar eerder als iets afschuwelijk ordinairs.
Maar Martin Keown op zijn rare schoenen, dat is toch geen gentleman? Of Tony Adams? Die gaan toch over lijken voor de winst? Die schoppen toch het liefst iemand doormidden, als?ie alleen op Seaman afdendert?
Hoe dan ook, feit is dat het bijna een wetmatigheid is: een paar decennia kan Engeland zijn voorsprong in een zelf ontwikkelde sport handhaven, daarna is afgelopen. Fred Perry was in 1936 de laatste Engelse tennisser die Wimbledon won, daarna namen de onsportieve barbaren uit Amerika de boel over. En in het darten gaan ze er ook aan.
Misschien heeft het met het slechte voedsel te maken. Of met de druilerige regen. Misschien zijn Engelsen van oudsher licht motorisch gestoord. Wellicht dat genetisch onderzoek op termijn de oplossing voor het vraagstuk kan bieden.
Toen Engeland in 1950 voor de eerste keer deelnam aan een wereldkampioenschap, gold het nog als hét voetballand: het tegendeel was nog niet bewezen. Met spelers als Stan Mortensen, Tom Finney, Stanley Matthews en Billy Wright trok het elftal naar Brazilië, om de wereldtitel even op te halen en de wereld de Engelse superioriteit nog even in te peperen.
Helaas verloor het wonderteam met 1?0 van een café?elftal van de Verenigde Staten, daarna nog een keer met 1?0 van Spanje, en toen mocht het weer naar huis. Engeland was diep geschokt. En het werd nog erger. In 1953 won Hongarije op Wembley met 6?3. In Boedapest werd Engeland in de return met 7-1 afgeslacht.
Vier jaar later vloog de ploeg er tijdens het WK in Zwitserland in de kwart_nale uit tegen Uruquay. In 1958 in Zweden overleefde het land de eerste ronde niet en in Chili, vier jaar later, was Brazilië in de kwart_nale te sterk.
En toch bleef, in elk geval voor de Engelsen, de illusie bestaan dat het land als het er echt op aankwam, het beste voetballand ter wereld was. (Maar het kwam er nu eenmaal bijna nooit echt op aan. Engelsen kunnen desgewenst zelfs een WK?finale met gemak relativeren tot een op zich tamelijk onbelangrijke wedstrijd, in vergelijking met bijvoorbeeld Bradford-Notts County voor de FA Cup.).
In 1963 klopte het nationale team op Wembley, in een officiële interland waarin het er wel degelijk op aankwam, toch maar mooi de Rest van de Wereld (met Pelé) met 3?0.
En in 1966, ijkpunt voor de neergang, werd het land dus wereldkampioen. Eigenlijk was dat onverklaarbaar. Brazilië had moeten winnen. Italië of Portugal. West?Duitsland desnoods: allemaal betere teams dan het Engelse. Engeland had een heel goede keeper (Banks), een heel goede centrale verdediger (Moore), een heel goede middenvelder (Bobby Charlton), drie opkomende talenten (Ball, Peters en Hurst) en een gemene terriër (Stiles) wiens specialiteit het was de beste speler van de tegenpartij uit de wedstrijd te schoppen. Voor de rest was het eerlijk gezegd brandhout.
Maar Engeland had ook elke wedstrijd 94.000 supporters op Wembley, en het had Sir Alf. Die slaagde er op de een of andere magische manier in het elftal boven zichzelf uit te laten groeien. Voor één keer zat alles mee, zelfs de lat en de Russische grensrechter. Maar Engeland was ongetwijfeld de zwakste wereldkampioen uit de geschiedenis.
De conclusie moet luiden dat er van een neergang helemaal geen sprake is. Engeland is al minstens een halve eeuw een subtopper in het mondiale voetbal en veel meer zit er niet in. Uitschieterje naar boven of beneden, maar doorgaans gewone middelmaat. Typisch eerste ronde/kwartfinale?land. Engeland presteert naar vermogen. Die 1?0 tegen Duitsland in de allerslechtste wedstrijd van het EK was een prima prestatie waar iedereen heel gelukkig van werd. Het was al meer dan we mochten verwachten.
Toen Phil Neville zich op 20 juni na zijn oerdomme tackle op Moldovan omdraaide in de richting van de scheidsrechter, keek hij zo mistroostig, zo ontroostbaar verdrietig, dat ik ter plekke in huilen had kunnen uitbarsten. Phil smeekte de scheidsrechter om het níet te doen, hoewel hij ook vond dat een penalty volkomen terecht zou zijn. Laat ons nu éénmaal zwijnen, smeekte Phil. Maar de scheidsrechter piekerde er niet over.
Ik voelde me in Charleroi opeens Engelsman met de Engelsen en dacht aan de kroeg van Jack Brady (de broer van Liam) bij het station van Sevenoaks in Kent, waar iedereen nu ongetwijfeld naar de bar zou rennen om bier te bestellen - dat gebeurde namelijk altijd bij Jack als het weer eens zwaar tegenzat met Engeland. ''Geef mij maar een fuckin' pint, Jack. Het is weer zo ver.''
Phil, goeie ouwe Phil, had dan ook wat vaker met dat linkerbeen geoefend! Goeie god man, had die Roemeen dan tenminste tegen de grond gewerkt in de zéstigste minuut en niet in 87ste! Had hem gewoon laten lopen, misschien had Martyn wel de safe van zijn leven gemaakt en was het wonder geschied: Engeland in de kwartfinale. Hadden de Italianen ons kunnen afmaken, wat altijd nog beter is dan Roemenië in de poule.
In Phils ogen stond al het leed van jaren te lezen. Ik kon er niks aan doen, zeiden ze. En dat was ook zo. Phil kon er niks aan doen. Of kan Phil er soms wél wat aan doen dat hij een Engelse voetballer is? Kan Phil het soms wél helpen dat het altijd tegenzit en dat hij moet staan schoffelen met een stel houthakkers om zich heen en dat zo'n verdomde Roemeen nu eenmaal veel beter kan voetballen - een van die wrede en nergens op gebaseerde onrechtvaardigheden waarmee je maar moet zien te leven?
''We waren niet goed genoeg,'' zei Keegan na afloop. Maar dat was een opmerking die was ingegeven door de teleurstelling van het moment. ''We hebben drie wedstrijden achter de bal aan lopen jagen, en als we hem eindelijk hadden gaven we hem weer weg.''
Een paar dagen later was Keegan weer zichzelf. Toen zei hij dat hij blij was dat hij door mocht gaan met zijn job, en dat hij bij de volgende World Cup grote mogelijkheden zag. Want zoveel talent als er in Engeland rondliep, dat was gewoon niet normaal meer, zei Keegan.
Een jaar geleden had ik dat nog een zeer irritante opmerking gevonden, maar nu niet meer. Ik ben de boosheid en de verbazing voorbij. Ik vond het een ontroerende uitspraak en ik was Keegan dankbaar. De eeuwige hoop die eruit sprak, het heilige optimisme tegen beter weten in!
In Engeland weten ze dat je het leven een hele tijd kunt uitzingen, zolang je maar illusies hebt.
De schoonheid van het verschrikkelijke misverstand.
Ingerland! Keep us dreaming!
De deernis met de blinde.
Kom op Kev! Show them!