Peter Veldhuisen
DE KLAP VAN OME FRANS
OP VERJAARDAGEN vielen in onze familie rake klappen. Terwijl de tantes zich in de half verduisterde voorkamer fluisterend rond de likeurtjes schaarden, namen de omes in de achterkamer relevante gebeurtenissen op het gebied van de sport door. Relevantie was bij ons een rekbaar begrip; wedstrijden uit het grijze verleden verhitten de gemoederen net zo hevig als de wedstrijd van het vorige weekend.
Jasjes gingen uit, mouwen werden opgestroopt en koppen liepen rood aan, vooral wanneer het over voetbal en boksen ging. Het was een onstuitbaar ritueel. Grote eensgezindheid, zojuist nog gedemonstreerd met schouderklopjes en instemmend geknik, loste opeens op in rook. Tot algemene opluchting - daar leek het in mijn ogen althans op - had een onverlaat iets heel erg verkeerds gezegd. Hij kon terugnemen wat hij wilde maar het pleit werd beslecht met uppercut en linkse-directe.
Dat was onze manier om een punt achter het gesprek te zetten. Tot werkelijk inzicht leidde dat zelden, en de ruzie van een vorige verjaardag flakkerde gemakkelijk weer op bij de volgende, maar het had allemaal wel tot gevolg dat de omes even verlangend uitkeken naar verjaardagen als ik naar een wedstrijd van het schoolelftal.
Ome Dirk, de enige ongetrouwde van het hele stel, liep bij opstootjes altijd averij op, of hij nu stil in een hoekje had gezeten of dat hij zich in een gesprek had gemengd. Eigenlijk was het zo dat hij er al vanaf zijn entree een beetje om vroeg. Hij bracht altijd spotgoedkope cadeautjes mee en consumeerde in ruil daarvoor alsof hij met zijn drieën was. Geen der omes verstond zozeer als hij de kunst om direct na het uitspreken van de beste wensen door te glijden naar de jonge klare op het onbewaakte garnituurtafeltje. Wanneer twee koffierondes later de anderen ook aan hun kelkjes begonnen te nippen, bezat hij een voorsprong die niet meer kon worden ingelopen.
Ooit had hij, waarschijnlijk in een gevorderd stadium van de feestelijkheden, ome Frans - zijn zwager - diens vlinderstrikje van de nek gedraaid. Hij hield niet van arbeiders die 'op sjiek gingen', en dat wilden we best geloven. Ronduit onvoorstelbaar was het dat nog iemand op deze planeet zulke stinkende broeken droeg. Het heette dat de pijpen uit zichzelf overeind bleven staan wanneer ome Dirk zijn broek verliet.
Bijna gemoedelijk, geruststellingen naar alle kanten verkondigend, droeg ome Frans de 'strikkenkiller' de kamer uit. Een paar van de omes gingen voor alle zekerheid mee. Misschien om zich aan de bestraffing van ome Dirk te verlustigen, misschien ook wel om ome Frans een beetje in toom te houden.
In zijn jonge jaren had hij furore gemaakt als prijsbokser. Kortstondig weliswaar, maar er ging geen feest voorbij of zijn roemruchte partijen werden aan analyse onderworpen. Het was alsof de hoop had postgevat dat zijn in de knop gebroken carričre door nabeschouwing van een andere, triomfantelijke, loop kon worden voorzien.
Toen het gezelschap terugkwam, werd er schaapachtig gelachen om een verdwaalde bloeduitstorting bij de ene ome en een gescheurd hemd bij de andere. De omstanders waren te dichtbij gekomen en ome Frans was een man van de vrije doortocht. Toch had hij zich beheerst, zoals een blik op zijn nog altijd kreukvrije pak leerde.
Om zijn zelfbeheersing aanbad ik hem. Ome Frans was mijn idool, al was hij het niet in zijn eentje. Die voorbeeldfunctie deelde hij met de wereldvermaarde trainer van het Engelse voetbalelftal. Soms vergat ik bijna dat het twee verschillende mannen waren, zo groot was hun gelijkenis.
Om te beginnen droeg ome Frans zijn schouders op dezelfde manier als waarop ik het de trainer aller Britten bij Studio Sport een keer had zien doen: breed en lichtjes achteroverleunend, een onaantastbare superioriteit uitstralend. Verder was hij op exact dezelfde manier kalend (én strak-glimmend gekapt) en kleedde hij zich net zo onberispelijk in een driedelig krijtstreepje. Dan beschikten trainer en ome beiden over dat minzame lachje dat altijd precies de goede correctietechniek bleek wanneer iemand iets heel erg doms had gevraagd. Samen met zijn evenbeeld aan de andere kant van het Kanaal hield ome Frans, kortom, de wereld aan een touwtje.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik ome Frans nooit ook maar een seconde op tv heb gezien. Wel haalde hij een keer de krant, omdat hij ome Henkie door de tv had heengeslagen. Dat gebeurde op de verjaardag van ome Jan in diens veel te krappe huiskamer, toen ome Henkie, altijd goed voor een noodlottige verspreking, hem een 'prutbokser' noemde 'die al groen van angst werd als er een pakje boter de hoek om kwam'.
De kamer moest worden ontruimd en twee ziekenbroeders waren uren bezig om ome Henkie uit de tv te trekken. Een in allerijl gewaarschuwde fotograaf van de krant kwam langs om 'de man met het televisiehoofd' te vereeuwigen. Ome Frans moest ziekenhuiskosten vergoeden, een nieuw toestel betalen en beterschap beloven. Dat deed hij allemaal zonder ook maar iets af te dingen en mijn vader vond dat 'bar sportief' van hem. Ik ook. Te sportief, eigenlijk. Ik had niets betaald.
Een groot man was hij, mijn ome Frans, maar hij was niet gelukkig. De schuld voor zijn verdriet lag bij tante Wally, de zus van ome Dirk. Dat was algemeen bekend.
Op aanraden van Dirk, die hij op de balk van de legerlatrine had leren kennen, had Frans haar ten huwelijk gevraagd. Eigenlijk kende hij haar alleen van foto's die bijgetekend moesten zijn, zo flatteus waren ze; de roemende verhalen van broer Dirk gaven hem het laatste zetje.
Het klinkt eigenaardig maar blijkbaar was de stemming destijds van dien aard dat jonge soldaten in de gauwigheid nog iets voor de toekomst probeerden te regelen. Misschien omdat ze uitgezwaaid wilden worden als ze naar de koloniën voeren, of dat ze toegejuicht wilden worden bij een parade, of opgevangen als ze kreupel waren geschoten; ik weet het niet.
Een paar dagen later brak de oorlog uit. Die werd door ons land verloren - door 'vuil spel' van de bezetter, volgens ome Frans. Tot diep in vredestijd, toen de oorlog alsnog was gewonnen, verkondigde hij dat hij 'permanente latrinedienst' aan zijn broek had. Het was dubieus jargon, maar ik - geboren afluisteraar die ik was - ving het op en introduceerde het tot verbijstering van de juf in de klas.
Aan mijn oor sleurde ze me naar het hoofd der school. Doodsbang was ik. Het leek wel alsof ze me ernstig oorletsel wilde toedienen; mijn flap hing aan zijn laatste draadje.
Op de kamer van het hoofd had ik weinig tekst. Het lukte me niet om hem ervan te overtuigen dat ik de juf 'heel erg lief' vond en graag les van haar had. De zuivere waarheid was ook te ingewikkeld; mijn wrede juf was me veel liever dan ik onder woorden had kunnen brengen. Hoe moest ik die man nu uitleggen dat ik van haar droomde? Dat ik erover fantaseerde hoe het in haar buik zou zijn, waar ik een gezellig holletje voor mezelf had ingeruimd? Zoiets was niet uit te leggen.
Het hoofd zette me een week op de gang. Tegenover de toiletten, en die overstroomden elke dag tot aan mijn tafeltje.
Opvoedkundig deugde er weinig van deze maatregel, maar het ongeluk van ome Frans was eindeloos veel groter dan mijn kleine malheur. En ondanks alle ellende wist hij iets van zijn leven te maken.
Hij had een kant waar niemand het fijne van wist. Als hij terugkwam van een van zijn uitstapjes naar de provincie - altijd zonder begeleiding van tante Wally - straalde hij en kon hij er weer een tijdje tegen. Hij straalde als een overwinnaar, vond ik. Eén keer leverde zijn goede bui me zomaar een rijksdaalder op.
Wanneer hij het niet kon horen, noemden de omes hem 'de Canadees'. Nijd en bewondering streden om voorrang op hun gezichten. Ik begreep er weinig van, maar liet parmantig weten dat ik ook een Canadees was. Mijn vader raadde me aan om eerst maar eens een jaartje ouder te worden, misschien dat er dan over viel te praten. Maar beloven kon hij niets, daar begon hij niet aan.
Ome Frans had minstens tien kinderen. Hij had ze bij vijf of zes 'tantes' die nooit voor verjaardagen werden uitgenodigd. Dat betreurde ik zeer, want ik was nieuwsgierig naar alles wat met hem te maken had, en zeker naar die woekerende achterban van de geruchten en de roddels.
Omdat er nooit eens een nakomeling in beeld kwam, concentreerde ik mijn denkkracht op de oorzaak van ome Frans' ongeluk. Die moest geografisch bepaald zijn. Tante Wally kwam namelijk uit een oord waarvan wij hier, in onze eigen prachtstad, de naam liever verzwijgen.
Toen Dirk en Frans de latrinebalk deelden, verzweeg Dirk zijn herkomst. Aan zijn eerste woorden ("Geef Volk en Vaderland eens door, kerel") hoorde hij waar ome Frans vandaan kwam. Hij was zo onder de indruk, zoals iedereen die ome Frans leerde kennen, dat hij diens accent meteen overnam. Dat was slim, maar ome Frans heeft het hem nooit vergeven; hij werd 'erin geluisd'.
Ome Dirk trachtte zijn nieuwe familie te paaien door tot vervelens toe te verkondigen dat onze stad de mooiste van de wereld was. Daarmee oogstte hij slechts verveeld gegaap. Door bij ons in het centrum te komen wonen, werd hij evenmin sympathieker. Ome Dirk bleef een onbetrouwbaar mannetje, vooral op voetbalgebied.
Op de avond dat ik voor de tiende keer de verjaardag van mijn vader meevierde ("proost, knul," joelde ome Henkie), zat de familie in de gebruikelijke opstelling. Omes en neven in de achterkamer, tantes en nichten in de voorkamer. Ome Nelis zoog al een van zijn beruchte bolknakken, gedraaid van 'Russische vodden', en ome Sjaak hing er kokhalzend naast. Ik dichtte hem een sterk gestel toe, want hij hield het de hele avond vol. Een paar maanden later begreep ik dat hij gewoon niet sterk genoeg was geweest om ergens anders te gaan zitten. Mijn vader vertelde me dat ome Sjaak was overleden aan de kanker, een rotziekte die de schare der omes in de volgende jaren onbarmhartig zou decimeren. Dat konden we toen nog niet weten, maar over de kanker in zijn smerige algemeenheid werd onophoudelijk gepraat, alsof men wist dat hij op de loer lag. Om er iets tegen te doen zette mijn moeder op woensdagavond, het midden van de week, zodat je er het laatste deel van de week nog iets aan had, rauwe groenten op tafel. Of we er gezonder van werden en beter bestand tegen kanker durf ik niet te zeggen, maar op zo'n avond ging je wel met honger naar bed.
Ik had me voorgenomen om een serieus gesprek met ome Frans te gaan voeren. Daartoe was ik op een krukje naast hem gaan zitten, een stukje naar achteren, om vooral niet opdringerig te worden gevonden.
Ik zag dat hij telkens naar de hoek van tante Wally keek. Ze had zich achter een batterij likeurtjes aan het gezichtsveld onttrokken, wat de dreiging uit die hoek alleen maar groter maakte.
Van de likeurtjes flitsten de ogen van ome Frans naar de druk rondrennende tante Cora. Zij had een klein schortje omgedaan en zich als hulpdienster opgeworpen. Net als mijn moeder was ze voortdurend onderweg tussen keuken en verjaardag.
Dit keer was ze zonder ome Frederik gekomen. Ik had gehoord dat hij het bed hield omdat hij in het stadion van de derde ring was gevallen: "Een wonder dat hij nog leeft! Een wonder!"
"Die stadions worden met de dag onveiliger," vond ome Sjaak.
"Er komt te veel tuig," beaamde ome Henkie.
"Jij kan het weten" - ome Nol.
"Voetbal verheft anders wel het volk," zei mijn vader.
Hij was 'enorm in zijn sas' omdat tante Cora ondanks al haar zorgen om ome Frederik toch was gekomen.
Ome Frans was nog blijer. Als hij ook maar iets voor haar kon doen, hoefde ze maar een kik te geven: "Daar ben je vrienden voor."
Ik gluurde naar de dikke gouden ring met de rode fonkelrobijn die ome Frans aan zijn rechter middelvinger droeg. Een vinger verder zat een bleek trouwringetje. Een knellertje. De ring met de robijn was een trofee. Ome Frans had hem dertig jaar terug gewonnen met boksen. Volgens mijn vader vond iedereen hem levensgevaarlijk.
"Hij mocht nog net vrij over straat," vulde ome Manus aan.
Ome Frans glimlachte.
Mijn vader ging door: "Hij sloeg zo hard dat ze hem smeekten ermee op te houden. Ze konden niemand meer vinden die nog tegen hem durfde te boksen."
Ome Frans deed alsof hij een stoot op het hoofd van mijn vader plaatste, uit de voorkamer klonk een gil. Geen angstkreet; het was de tirannie van het scheidsrechtersfluitje. Het was tante Wally. Onmiddellijk trok ome Frans zijn arm in en begon hij zijn ring te poetsen. Mijn vader keek met getuite lippen naar een plekje bij het bovenlicht waar hij een mug had geplet.
Conspiratief boog ome Frans zich naar me toe. Hij ging me iets heel persoonlijks vragen. Maar de vraag die hij stelde, ontnuchterde me. Voor welke club ik was, dat wilde hij weten. Alsof ik de ruimte nodig had om voor een andere club te zijn dan hij, zo zacht had hij het gevraagd. Was dat het? Wilde hij verhinderen dat ik me blameerde?
Overbodige voorzorg. Hoe kon hij denken dat ik voor een andere club was dan hij, dan de andere omes, dan alle buren in de straat, dan iedereen in de stad of - zo meende ik destijds te weten - dan elke andere voetbalzindelijke landgenoot?
Natuurlijk wist ik dat er een stad was waar veel mensen voor een andere club waren. Ome Dirk en tante Wally kwamen uit die stad. Daar regeerde het onverstand. Daar waren ze voor 'de concurrent', waarvan de naam hier, in onze stad, alleen in het geval van een nederlaag genoeglijk over de tong rolde. Die weerzinwekkende stad zou ik van mijn leven niet bezoeken; er waren betere manieren om ziek te worden. Wat zou ik die malloten daar gaan bekijken? Je moest eens naar ze luisteren: bekende woorden in een vreemde taal, of vreemde woorden in een bekende taal - er was geen touw aan vast te knopen. Soms kwam er wel eens eentje uit die stad op de radio. Daar deden ze niet aan ondertiteling en je had de hele tijd het idee dat iemand ontroostbaar zat te huilen. Begrijpelijk trouwens, want het kon geen pretje zijn om in zo'n negorij te wonen.
De mensen daar waren arme donders; ik had gehoord dat nergens zovelen aan de kanker stierven als daar. Hele straten werden ontvolkt. Er was daar iets goed mis en je kon er maar beter niet te lang over nadenken, want voor je het wist werd je erdoor besmet. Het was alleen wel jammer dat hun club zo vre-se-lijk ge-vaar-lijk was. Nooit hoorde je eens dat er daar een speler aan de kanker stierf. Nee, het was eerder zo dat ze wel extra gehard leken door al die kreperenden om hen heen. Misschien aten ze wel vaker rauwe groenten dan onze jongens, op woensdag, donderdag en vrijdag bijvoorbeeld, zodat ze er op zondag nog wat aan hadden. Wat er ook achter zat: we verloren er vaker dan we wonnen. Het was al mooi wanneer we met een gelijkspel wegkwamen. Triest, maar zo lagen de zaken.
Tot overmaat van ramp plachten die gasten onze prachtige stad nog dieper in rouw en wanhoop te dompelen wanneer ze hier hun uitwedstrijd kwamen spelen. Voor mij stond vast dat Koning Voetbal zijn rijk niet op orde had; hoogste tijd dat er iets aan gedaan ging worden. Die lui moesten leren begrijpen dat het geen schande was om te verliezen; je moest gewoon je plaats kennen.
Toen ome Frans me in de gelegenheid stelde om voor een andere club - voor de concurrent wellicht - te zijn, sloeg ik dat aanbod af. Misschien verontwaardigder dan passend was voor een tienjarige, maar bluf was nu eenmaal het handelsmerk van onze stad. We waren winnaars doordat we als winnaars de strijd aangingen. Zo kwamen we het veld op en wanneer we klaar waren bleven onze tegenstanders en hun aanhang in ontreddering achter. Winnaarschap viel niet aan te leren, dat was een geboorterecht. Ik heb iemand horen zeggen dat de hele wereld ons erom benijdde.
Nadat ik ome Frans had gerustgesteld, ondervroeg hij me naar de competities in de grote voetballanden.
Mijn vader begon sigaren uit te delen en lanceerde weer eens zijn spreuk over de verheffing van het volk, 'te beginnen met de kleintjes die zo langzamerhand naar bed moeten worden verheven'.
"Je hebt anders niets te klagen met die snuiter," zei ome Frans.
Tintelend noemde ik de namen van alle lijstaanvoerders die, net als onze club, in de Europacup speelden. Ook de namen van de voornaamste spelers kende ik.
Onder de Italianen dienden we uit te kijken voor de gemene streken van een zekere spelverdeler met een 'splijtende pass'. Hij viel te herkennen aan een snorretje en een toepetje dat nooit wegwoei. En dat terwijl hij heel vaak scoorde met kopballen.
Een beetje griezelig was de keeper die vanwege zijn sprongkracht en zijn zwarte kledij als 'de zwarte kat' werd aangeduid. Onze jongens zouden hem nog flink laten springen, hoopte ik, maar makkelijk zou het niet worden.
Bij de Duitsers boezemde een kleine, zeg maar gerust bolle spits vrees in die naar de bijnaam 'bommenwerper' luisterde: hij maakte zelfs doelpunten 'onder het niezen door'. En dan de aanvoerder: die werd 'keizer' genoemd. Ze waren daar duidelijk alle gevoel voor proporties kwijt en het was hoog nodig dat onze club dat volk de oren ging wassen.
De omes knikten. Verheugd, dacht ik.
In alle hoofden staken inmiddels sigaren. Ik wist precies welke sigaren, want ik had ze die middag moeten halen. Roken vond ik smerig, maar met behagen snoof ik de walm op van de 'sigarenpoelier', zoals mijn vader de sigarenboer noemde. Al die opgestapelde kistjes met koperkleurige slotjes en portretten van Grote Vaderlanders, het was net een geschiedenisboek van school, maar dan beter.
Daar kwam bij dat de sigarenboer in de hoogste klasse had gevoetbald. En dan niet zomaar ergens; tien jaar lang had hij de kleuren van onze club verdedigd. Hij was rechtsback in het eerste elftal geweest. In de herinnering van de omes was hij er een die zijn tegenstanders meedogenloos fileerde, trancheerde, lardeerde en tenslotte afserveerde. Een halve moordenaar. Ome Nelis woonde een paar straten verder, maar liep graag een stukje om voor zijn Russische vodden; ze waren alleen op dit adres te betrekken.
Hoe onze club destijds ondanks de activiteiten van onze - tegenwoordig zo gezellig babbelende - sigarenboer had kunnen degraderen, was mij een raadsel. Ome Frans stelde me een voetbalboek ("geschreven door een echte ingenieur") in het vooruitzicht dat het allemaal uitlegde. Hij had het vroeger van zíjn ome gekregen en wilde het best doorgeven. "Tradities moet je in ere houden."
Terwijl we de internationale concurrentie in kaart brachten, begon er in mijn binnenste iets te knagen dat ik tot mijn schrik als onzekerheid herkende. De omes schenen serieus te twijfelen over het respect dat onze club in het buitenland genoot. Hun twijfel bleek besmettelijk. Tevergeefs hield ik hen (en mezelf) voor, hoe men ons daar in alles bestudeerde, om ons zo beter te kunnen nadoen. Uiteindelijk zouden al die buitenlanders als verliezers van de mat kruipen, pochte ik. Tranen van wanhoop stonden me in de ogen.
Ome Frans knikte zonder me aan te kijken. Hij staarde in een verte die hinderlijk dichtbij lag. Ik wist welke verte hij op het oog had, en ik betreurde het dat hij zijn tijd zo verspilde. Het liefst had ik hem dat ook gezegd, maar ik leefde in een wereld waarin iedereen zijn plaats kende. In afwachting van betere tijden liet ik het dus maar zo. Ome Frans keek naar de veel te strakke rok van tante Cora.
Om de een of andere reden was in de voorkamer grote drukte ontstaan. Mijn moeder was naar de keuken gejakkerd en zou ongetwijfeld met de bezem terugkomen. Geërgerd keek ik naar het broodplankbrede achterwerk van tante Cora. Wat stond ze daar toch weer onhandig. Als ze iets wilde oprapen, knakte ze doormidden in plaats van te hurken en daarbij hield ze haar gigantische zuilbenen ook nog eens volkomen gestrekt. Je zou die vrouw toch in je elftal hebben. Met haar hoge hakken en haar suikerspinnenpruik. Om het lijden te bekorten, kon je je maar beter meteen overgeven. Gelukkig was voetbal een mannensport.
"Tante Cora lijkt net een acht", fluisterde ik tegen mijn vader. Ik doelde op haar figuur. Een slordige, langgerekte acht was ze, met de bovenste krul wat kleiner dan de onderste. "Je kan niet tellen, knul", zei hij. Dromerig zweefde zijn blik naar het bovenlicht.
Ome Frans bewoog ongemakkelijk heen en weer. Het was alsof hij jeuk had. Hij keek beteuterd van de ene ome naar de andere, tikte wat tegen zijn sigaar en drukte hem opeens in de asbak.
Ik begreep er niets van. Hoe kon hij dat doen? Hier werd een ongeschreven wet overtreden. De sigaar was nog lang niet op, nog niet eens voor de helft. Het ergste was dat het leek alsof ome Frans niet wist dat sigaren niet uitgedrukt mochten worden. Dat deed je met een sigarettenpeuk. Sigaretten kon je achter je oor steken. Dat moest je met een sigaar proberen. "Sigaren," had ik van mijn vader geleerd, "sigaren roken zich zelf ten einde. Daar nemen ze de tijd voor en daarom is het rookwaar op stand."
Hoe was het gesprek nog in goede banen te leiden? Hoe kon een tienjarige hier nog iets uitrichten? En hoe kon hij (kon ik) de aandacht afleiden van dat beschamende kadaver in de asbak?
De omes waren helemaal klaar met voetballen en keken verwachtingsvol om zich heen; er werd gemompeld en gemonkeld. Minder vriendelijk en vriendschappelijk dan voorheen. Lege glazen rolden door knijpende handen, houten achterwerken begonnen ongedurig heen en weer te schuiven. Er hing een ontsporing in de lucht. Aan het gezicht van mijn vader - de enige uitgesproken pacifist in de hele familie - kon ik aflezen dat hij nadacht over de nu te volgen tactiek. Hij was de gastheer. Aan hem de taak om de vaart er in te houden. Aan hem de taak om de kloppartij te voorkomen waarvoor de tijd leek te zijn aangebroken.
Ome Frans kwam hem te hulp. Terwijl ik er helemaal niet meer op had durven rekenen dat hij nog het woord tot me zou richten, had hij een van de diepste voetbalvragen voorbereid die je maar kunt stellen. Opeens zat hij rechtop en informeerde hij ernaar voor welke club ik verder nog 'warme gevoelens' koesterde. Voor welke club buiten onze club om. Meesterpsycholoog met losse handen, schoot het door me heen, meesterpsycholoog met losse handen. Het was een typering die mijn vader wel eens voor hem gebruikte als ome Frans er niet bij was; meesterpsycholoog met losse handen.
Wat had hij me geweldig te pakken. Mij en de omes. Terwijl ik nog op het spoor van de Europacup rondjakkerde, en de omes zich voorbereidden op een robbertje vechten, had ome Frans alweer een geheel nieuw strijdplan ontworpen. De ware sporter zette zijn tegenstander op het verkeerde been. Niet één keer, niet twee keer, maar altijd weer. Dat moest ik eindelijk eens zien te onthouden; en dat moest ik me ook op de een of andere manier eigen zien te maken.
In het schoolelftal was ik alleen maar invaller. En niet eens eerste invaller. Dikke Willem, half zo wendbaar als ik, ging voor. Ik was tweede invaller en moest maar hopen dat er een paar jongens onder de tram kwamen. En dan nog. Het hoofd, trainer van het schoolelftal, vond me 'harkerig'. Ik liep te weinig vrij en ik trok geen gaten, maar het allerergste was dat ik tackelde 'als een zelfmoordenaar'.
Dat moest allemaal veranderen. Ik moest meer mijn best doen. Als ik al geen nakomeling van ome Frans kon zijn, dan moest ik hem imiteren waar het maar enigszins mogelijk was. "Meer kun je niet doen, minder mag niet," in de woorden van de Engelse bondstrainer en van ome Frans. Wat was de gelijkenis tussen die twee toch frappant.
Maar niet op dat moment.
Ome Frans leek te gaan ontploffen. Telkens zoefden zijn ogen naar de voorkamer. Zijn handen zochten naar iets en vonden niets. Ze dwaalden rond door zijn colbert, kropen naar zijn vestje en zakten af naar zijn broekzakken. Zweet druppelde tappelings langs zijn slapen.
Het leek wel alsof hij bang was. Maar waarvoor? Tante Wally was onzichtbaar. Samen met de andere tantes zat ze ondergedoken in het schemerduister. "In hun boudoir," zoals mijn vader dat omschreef. Misschien was het dat wat mijn ome Frans vrees aanjoeg. Het boudoir.
Zo streng als ik kon keek ik naar de voorkamer. In de duisternis van het boudoir stond de witte kokerrok van tante Cora recht overeind, nog steeds, als een totempaal in de grondverf. Het leek wel alsof ze niet van plan was om nog een stap opzij te doen. Ik vermoedde dat de suikerpot met alle klontjes erin compleet tot poeder was gevallen en dat zij hoogstpersoonlijk de rotzooi korreltje voor korreltje bijeenveegde.
Normale mensen deden dat hup-twee met stoffer en blik. Misschien dat tante Cora niet helemaal normaal was.
In een wanhopige poging ome Frans en alle andere omes bij de les te houden, noemde ik de naam van de club die al een paar jaar met de grootste nederlagen op zak onze stad verliet. Het leek me een verrassende stellingname om juist die club sympathiek te vinden. Als ik daarmee ome Frans' ongedeelde aandacht weer wist te trekken, wilde ik hem wel uitleggen dat die boertjes geen IJzeren Gordijn optrokken, zoals sommige andere bezoekende clubs in een poging om de schade beperkt te houden. Ze kwamen om vrijuit het spel te spelen dat nergens anders zo goed werd gespeeld als hier. Daar moesten ze toch iets van opsteken. Ongeacht de uitslag konden ze naar huis met het gevoel dat ze iets van de geest van onze stad meenamen. Dat kon het voetbal alleen maar ten goede komen.
Rochelend als een orgeldraaier verhief ome Frans zich van zijn stoel. Hij moest even de aardappels afgieten, meldde hij.
Weer kon ik me verbazen. Nu bleek mijn vereerde ome opeens een keukenprins te zijn. Zou de Engelse bondstrainer ook culinaire talenten hebben? Ik herinnerde me geen enkele uitspraak van hem die daarop kon wijzen. Even keek ik naar mijn vader, die zich nooit in de keuken vertoonde, en daardoor misten mijn ogen wat mijn oren hoorden. Er weerklonk een knal. Toen ik me naar de voorkamer wendde, zag ik de bron van het geluid. Met de vlakke hand had ome Frans tante Cora een klap op de broodplankkont gegeven. Het klonk als een schot tegen de paal. De bal ketste af en keerde terug in het speelveld. Het wachten was op de afmaker, een groot probleem in ons vaderlandse voetbal - maar niet in onze familie.
Vanwege de boudoirbelichting kon ik de gezichten van de tantes niet goed onderscheiden. Ik hoorde afkeurende kreten.
Enthousiasme daarentegen bij de omes: "Die zit", riep ome Nol. "Een-nul," was het commentaar van ome Manus. Ome Nelis stikte bijna in het verraderlijke stompje van zijn Russische vodden en ome Sjaak zette een vermoeide grijns op. Mijn vader keek gebiologeerd naar zijn plekje bij het bovenlicht.
Het viel me tegen dat de omes een goal hadden gezien waar het toch gewoon een schot tegen de paal was. "Nul-nul", piepte ik. Eerst was ik boos, nu werd ik driftig. Niemand die het merkte.
Een tweede kets, harder nog dan de eerste, overstemde me geheel. Tante Cora was uit haar bukhouding omhoog geveerd en had uitgehaald naar ome Frans. Ze had hem zo hard op zijn wang geraakt dat de tweede doelpaal nog stond na te trillen toen mijn moeder eindelijk met de bezem kwam aanzetten. Waar had ze die toch verstopt, dat ze er zo lang naar had moeten zoeken.
"Goed zo, Cora," riep tante Sjaan, altijd in voor een relletje. "Vuile viezerik," werd van achter de likeurtjes gesist. "Vieze vuile smeerlap."
"D'r zijn kinderen bij hoor, dames", zei ome Frans. En met een zwierigheid die je bij zo'n kast van een man niet direct zou verwachten, maakte hij een draai. Naar mij. Naar mij speciaal. En hij gaf me een knipoog. De wang zwol rood op, maar feller straalde het oog, het knipperende bondstrainers- en boksers-oog.
Opnieuw liepen de rillingen me over de rug. Dankbaarheid voelde ik. Wat leerde ik veel. Eindeloos veel meer dan op school, meer ook dan op het veld. Ik leerde hier, op de tiende keer dat ik mijn vaders verjaardag meevierde, wat zelfbeheersing was. De bondstrainer van het Engelse elftal had het niet beter kunnen demonstreren.
Ome Dirk en ome Sjaak en alle andere omes konden het laten afweten: door straalbezopen de trap af te lazeren of door wartaal uit te slaan. Maar ome Frans liet je nooit in de steek. Nooit.
Ome Frans had uitgedeeld en geďncasseerd. De wedstrijd werd doelpuntloos afgesloten, maar het stond buiten kijf wie zich de morele winnaar mocht voelen. Die ging nu gewoon naar de keuken, wiegend bijna, alsof hij een beetje tegen de wind optornde. Ome Frans ging doen waarvoor hij was opgestaan.
Een man moet doen wat een man moet doen. Zo had de bondstrainer het een keer uitgedrukt. Het onvermijdelijke is niet uit de weg te gaan. Probeerde je het toch, dan bezegelde je je lot. Een man moet nu eenmaal echt altijd doen wat hij moet doen. Ik dacht het, de bondstrainer zei het en ome Frans deed het.
"Muziek dan maar," zei mijn vader. Hij was uitgekeken op zijn bovenlicht en liep haastig naar de pick-up. Als hij nu eens de Mars van Koning Voetbal zou opzetten, dacht ik, dan waren we toch weer een beetje in het stadion. Weg van de tantes. De omes en de neven onder elkaar.
Het zou mooi zijn. Maar ik wist dat mijn vader van operette hield. Van walsjes. Die hoorden ook bij onze verjaardagen.