Peter Veldhuisen
HET ERESALUUT
NERGENS WAS TOPSCORER Teuntje Brutalo Dirckzsen zo gevreesd als in het vijandelijk doelgebied. Nergens, behalve in zijn eigen echtelijke sponde. Daar sidderde 's nachts Connie wanneer Brutalo ronkend van haar wegdreef in een slaap vol slidings, ellebogen en kopstoten. Hij schopte ze er dan weer in voor De Batterij, de trots van Torrestad. Nu maakte Brutalo op het veld en in zijn slaap niet alleen doelpunten aan de lopende band; hij beging overtredingen alsof ook aan dat front een prijs in de wacht kon worden gesleept. Met name in de nacht na een wedstrijd deelde de jonge bruidegom vol overgave knietjes uit; op de dichtstbijzijnde achillespezen pleegde hij verwoestende aanslagen.
Hij trof altijd de roos. Een reden voor vreugde was dat echter niet, want even zo vaak als hij door een kermende Connie uit z'n slaap werd gewekt, was hij er vooral verbaasd en treurig over dat hij haar, en niet zijn geduchtste tegenstander, de wrede kale staalpletter uit de verdediging van F.C. Herenthals, een lesje had geleerd. Connie, een en al liefde, begrip en blauwe plekken, oefende zich in geduld. Ze geloofde dat Brutalo, die ze pas een half jaar de hare mocht noemen, nog nooit een bedgenoot had hoeven dulden en dat hij daarom zo fel van zich aftrapte.
Ze was er bij haar vader Jo over te rade gegaan. Jo Jeker veronderstelde dat Teuntje een onbewuste behoefte aan territoriumvergroting uitleefde. Zelf had hij nooit serieus gevoetbald, maar hij meende te weten dat de jongens van De Batterij met eenzelfde gedrevenheid tegen een balletje trapten als waarmee hij vroeger met zijn vrienden landjepik had gespeeld. Je liet een zakmes loodrecht omlaag vallen in het zand en trok een rechte lijn. Een demarcatielijn. Het gebied erachter was van jou. Wat overbleef was van je tegenstander.
In een huwelijksbed, zei Jo, die sinds de dood van Connies moeder uren achtereen domino speelde, hanteerde men natuurlijk andere regels. Welke, kon hij niet zeggen, want op elke matras golden andere prioriteiten.
Het was Jo die hen onder een potje domino op het idee bracht dat Teuntje misschien maar met de voetballerij moest stoppen als het zware nachtcorvee aanhield. "Het is toch een harde sport, hoor, Arrebarrebiesjes. Kan niet gezond zijn, lijkt me."
En zo voelde Teuntje zich ook. Ongezond, toen hij in de lente van het tweede kampioensjaar voor het eerst met Connie Jeker vree. Hij trilde als een espenblad. Hij liet alles uit zijn handen vallen. Haar borsten, zijn geslacht, het condoom. Het was nog net geen seks met een naslagwerk op het nachtkastje, maar er waren meer haperingen en onderbrekingen dan scrimmages in een rugbypot. Connie moest voordoen, corrigeren en aanmoedigen en Teuntje moest telkens weer opnieuw aan de bak. Het leven - tot dan toe zo simpel - scheen met een heel nieuw ABC'tje te herbeginnen.
Toen hij na de zoveelste aanloop tenslotte toch nog totale verzadiging en verzaliging had weten te bereiken, noemde hij Connie 'trainer' - waarna hij onmiddellijk wegzonk in een staat van vredige bewusteloosheid.
Ook de eerstvolgende liefdessessies verliepen met horten en stoten. In het naakte aanzicht van zijn nieuwe meesteres was Teuntje alle uitgesproken mannelijke automatismen kwijt die hem voorheen zo goed de weg hadden gewezen. Verdwenen was de doortastendheid waarmee hij op het voetbalveld (en in talloze andere bedden in talloze steden) de adorabele Brutalo was geworden. Met een piepstem vroeg hij Connie of ze alsjeblieft altijd voorzichtig met hem wilde zijn. Wat Connie het uitdagende gevoel gaf dat ze aan De Zaak Teuntje veel dankbaar opbouwwerk kon verrichten.
Pas jaren later, toen zijn voetbalcarrière allang voorbij was (we maken even een sprongetje door de tijd om te zien waar we zullen uitkomen), biechtte Teun op dat hij voor de eerste ontmoeting met Connie tot drie keer toe een rotprik in het Ludgerziekenhuis had moeten halen. Ja, hij liep heel gemakkelijk tegen een druiper aan, destijds. Hij drukte nu eenmaal in elke stad waar hij zijn doelpunten maakte, na de wedstrijd graag nog een privé-puntje. Voor alle zekerheid. En het was vreemd, maar hij had daarbij een voorkeur voor de geliefden van de keepers die hij eerder op de dag onbarmhartig had laten vissen.
Even leek het erop alsof Connie door de late bekentenis van haar man overstuur raakte, maar ze herstelde zich snel. Precies zoals Teun het had verwacht. Ze waren allebei niet meer de wilde feestvierders van voorheen. En ze werden ook niet meer zo gauw kwaad. Dat was een gevolg van het boeddhistische domino dat vader Jo hen had bijgebracht. Het ging erom dat beide partijen hun best deden om een overwinning te vermijden.
Teun kon zich niet aan de indruk onttrekken dat Connie hem op haar beurt iets had willen opbiechten. Maar ze deed het niet, dus het zou wel niet zo belangrijk zijn geweest. Dacht hij. En vol liefde keek hij naar de roodgelakte nagels die ze altijd over zijn behaarde arm legde wanneer zwijgen weer eens meer moest uitdrukken dan woorden konden zeggen. En hij verbaasde zich in stilte, de 45-jarige Teun Dirckzsen. Over de Brutalo die hij ooit geweest was.
Het geeft te denken wanneer de hoofdpersoon van een verhaal zijn eigen daden uit het verleden niet meer begrijpt. Natuurlijk is hij gedeeltelijk geëxcuseerd omdat hij als personage nu eenmaal niet het overzicht heeft waarover de verteller, gezeten op zijn hoge punt buiten het verhaal, beschikt. Maar voor een fictief personage geldt net als voor mensen in de echte wereld dat de slordige omgang met het eigen verleden kwalijke gevolgen kan hebben. Daar kan geen verteller iets aan doen.
Laten we daarom ter voorbereiding van de weinig verheffende afloop die dit verhaal helaas heeft, de chronologische voortgang onderbreken en wat zorgvuldiger naar dat eerste halve jaar van het Brutalo-huwelijk kijken. Het gedrag van de personages zal er niet in 't minst door veranderen; zij hebben er geen idee van dat ze even in de wachtkamer zijn gezet.
Wie vreest dat de onaangename confrontatie aan het slot hem met deze omtrekkende beweging door de neus wordt geboord, zij gerustgesteld: aan dat slot wordt niet gemorreld. Het ligt als het ware allang contractueel vast en de verteller verplicht zich er dan ook nu alvast graag toe om in het bijzonder bij de weergave dier feiten beknoptheid en terughoudendheid te betrachten.
Aanvankelijk ontkenden de heilloze slapers dat aan hun pas gesloten huwelijk iets kon schorten. Met de moed der wanhoop zochten ze steun in dat wat hen bond, in prettige herinneringen. Veel gemeenschappelijke hadden ze nog niet verzameld - daarvoor waren ze toen nog te kort bij elkaar - maar er school een zekere troost in om bijvoorbeeld momenten van de trouwdag de revue te laten passeren.
Een dag na de laatste wedstrijd van het seizoen hadden ze elkaar het jawoord gegeven. 's Ochtends werd er getrouwd en 's middags was de huldiging van De Batterij op het bordes van het stadhuis. Het leek of heel Torrestad op het Celestijnenplein was bijeengekomen. De enorme opkomst bij de huldiging - de tweede titel in twee jaar tijd - had waarschijnlijk een extra stimulans gekregen doordat Connie Jeker als de nieuwe mevrouw Dirckzsen voor het voetlicht zou treden. Iedereen wilde met eigen ogen zien waarom Brutalo's bruid van zo ver weg (uit het diepe zuiden) had moetenkomen.
Toen Connie het bordes betrad, begreep men het onmiddellijk. Ze zwaaide en lachte, ze vloog iedereen die haar vriendelijk aankeek om de hals en ze was gul met natte zoenen. Teuntje en Connie, Connie en Teuntje: samen zetten ze Torrestad in vuur en vlam. Heel veel veranderde er voor de fans eigenlijk niet. Dachten de fans. Hun Brutalo werd van Torrestads meest begeerde vrijgezel gewoon Torrestads meest begeerde getrouwde man. En hij had een begeerlijke vrouw.
In de lange hete zomer die volgde, werden de positieve indrukken van het prille begin bevestigd. Tot groot genoegen van de aanhang brachten de pasgetrouwden hun wittebroodsweken thuis door. Ze frequenteerden tot diep in de nacht de terrasjes van Celestijnenplein, Blikslagerskade en Tempeliershof en toonden zich bereidwillig wanneer iemand met hen op de foto wilde. Wie Brutalo om een handtekening vroeg, kreeg er voortaan gratis de krabbel van Connie bij. De Dirckzsens waren onafscheidelijk en, zo leek het die zomer tenminste, onverbrekelijk verbonden met Batterij-stad Torrestad.
Connie ontpopte zich als gangmaker van het feestcircuit. Op de pagina Uit & Thuis van de Torrestadter Courant werd ze tot eerste vrouwelijke nachtburgemeester uitgeroepen. Teuntje werd loco. Maar het seizoen dat opnieuw een titel moest opleveren, was nog geen acht weken onderweg, of de nachtelijke complicaties begonnen zich voor te doen. Op dit slagveld - en niet op het heilige gras aan de Sportlaan - werd het voortijdig einde van Teuntjes voetballoopbaan bezegeld.
Tegelijkertijd luidde het afscheid van Torrestad, zonder dat Teuntje of Connie het zo voorzien of bedoeld had, de ondergang van De Batterij in.
Vierentwintig jaren moesten voorbijgaan vooraleer Teun en Connie weer naar Torrestad terugkeerden. Een pennestreek voor een verteller, maar een enorme gebeurtenis voor een personage.
Voor een enkele middag kwamen ze, om de begrafenis bij te wonen van Tonnie Botklopper, alias Tonnie Trauma. Voor Teun was de bijeenkomst onvermijdelijk, vooral daar hem was verteld dat Tonnie hem als eerste drager van z'n kist had 'ingeroosterd'. Connie had hem desondanks liever thuisgehouden, maar na enig aandringen van Teun besloot ze om zelf dan ook maar mee te gaan. Voor zichzelf wilde ze zeker weten dat Trauma echt dood was.
Ten tijde van de gouden generatie was Tonnie Trauma centrale verdediger en aanvoerder van De Batterij geweest. Zijn bijnaam dankte hij aan de gewoonte om breed lachend zijn noppen in de rug van gevelde tegenstanders te planten. Hij wandelde over hen heen alsof hij niet eens merkte dat ze er lagen en vertelde ondertussen een mop aan de goedlachse rechtsback Warre Ruigmond, ook al zo'n geboren uitdeler.
Tegenstanders barstten nog weken na een wedstrijd tegen De Batterij in huilen uit wanneer ze zich de hevige ontmoeting met Trauma herinnerden. Anderen meldden zich vlak voor weer een wedstrijd tegen De Batterij af met acute griep.
Anders dan de tengere Teuntje was Trauma in alles extra large geschapen. Hij was als de deur van een kluis, als een deur die alleen openging wanneer hij er zin in had. Je kon erop los beuken met stormrammen wat je wilde, maar het hielp net zo min als het simsalabim uit de sprookjes.
Met iedereen was Trauma goede vrienden, maar aan Teuntje had hij een hekel. Teuntje van zijn kant richtte nooit het woord tot zijn aanvoerder. Vooral in het seizoen na het behalen van de tweede titel was de stemming tussen de twee sterren van het team nog eens extra bekoeld. De oorzaak van de animositeit was onbekend. Er werd wel gefluisterd dat Trauma buitenzinnig verliefd zou zijn op Connie, maar eigenlijk geloofde niemand dat. Trauma was immers getrouwd met Babs. En aan de veeleisende Babs had hij zijn handen vol. De verbindingslijn tussen Trauma en Brutalo werd perfect onderhouden door Bennie Zadelmaker, verreweg de oudste speler van het elftal. De kleine middenvelder leek negentig minuten lang alleen maar het gras af te speuren naar klavertjes vier.
Ondertussen verzond hij achteloos loepzuivere passes. Hij liep er altijd een beetje verdwaasd bij, kromme Bennie, maar zijn balcontrole was een plaatje: de hardste aanspeelbal landde als een dood vogeltje op z'n borst, gleed sereen omlaag en werd soepeltjes door de wreef van de rechtervoet naar het volgende adres gestuurd, over dertig meter en meer. Tot vreugde van de ontvanger, Teuntje Dirckzsen.
Voor echte Batteristen was Bennie 'de schele'. Wat weinig accuraat genoemd mag worden, omdat hij kleurenblind en bijziend was (en bovendien hardhorend), maar scheel nu juist helemaal niet. Wanneer zijn bijnaam uit honderd kelen over het veld galmde, lachte hij als een boer met kiespijn.
Overigens was Bennie sinds zijn vijftiende uitgerust met een volledig kunstgebit. Het oorspronkelijke glazuur was onophoudelijk bewerkt met Engelse drop, trekdrop, noga en spekkies en werd een jeugd lang schoongespoeld met cola. Het lachen verging Bennie, zoals het iedereen verging die zich bij het wel en wee van De Batterij betrokken voelde. Nog voor Sinterklaas half november op de Blikslagerskade aan land ging, was Teuntje Dirckzsen naar het zuiden van het land verhuisd.
Weg uit Torrestad.
Het vertrek was bespoedigd door een onaangename gebeurtenis aan de Rapenkade. Op een zonovergoten herfstmaandag signaleerde een fotograaf van de Torrestadter Courant Connie voor de deur van fysiotherapeut Bastian Berliner. Diens praktijk werd in de volksmond 'het witte huis' genoemd. Dit vanwege de zakelijk-koele recht toe recht aan-architectuur, die opmerkelijk contrasteerde met de eeuwenoude panden in de omgeving. De praktijk lag op het stille deel van de Rapenkade, direct naast de met overheidssteun zorgvuldig gerestaureerde Agnietenkapel (een hoogtepunt van zestiende-eeuwse baksteengotiek). Connies verschijning moest wel opvallen, want de cliëntèle van Berliner, een genaturaliseerde Wolga-Duitser met handen van gewapend beton, was uitsluitend gerecruteerd uit professionele sporters, allen van de mannelijke kunne.
Hoe groot Berliners faam was, moge blijken uit het feit dat geblesseerden en gekwetsten uit het hele land op pelgrimage naar de Rapenkade gingen. Aangezien Berliner nieuwkomers wantrouwde, moesten ze bidden en smeken om alsjeblieft hun gekreukte spierweefsel over zijn behandeltafel te mogen draperen.
Of het toeval was of kwade opzet, moet in het midden blijven, maar ten tijde van het vijfjarig bestaan van Berliners praktijk drukte de Torrestadter Courant een serie artikelen af over duistere praktijken in de sportwereld. In elk artikel werd wel een keer naar het witte huis verwezen, alsof daar het coördinatiecentrum van het kwaad domicilie had gekozen. Nu kon niet worden geloochend dat steeds meer sporters, ook sporters die bij Berliner 'liepen', zichzelf met andere middelen dan koffie en thee voor hun wedstrijden oppepten, en dat de overtredingen in het veld een steeds delirieuzer karakter kregen. Bijgevolg was 'het geheim van het witte huis', zoals de Courant kopte boven een artikel over versneld herstel van beschadigde spieren, het gesprek van de dag. Berliner werd aangehaald met de volgende woorden: "Amateure und andere soekels will ick nich. Die geh'n mahr zum Hausarzt. Basta."
Met deze Bastian Berliner kreeg Connie Dirckzsen te maken. En dat viel te betreuren. Want Connies plaats was op een met zijde omwikkelde sokkel. Op de catwalk van een modeshow, dat ging ook heel goed, ja. En over de verlichte tegels van een transparante dansvloer had men haar eindeloze zomeravonden lang zien rondwervelen. Ja, overal kon men zich Connie voorstellen, maar op een skailederen knijptafel hoorde ze niet. Connie was het grote voorbeeld. Mannen, vrouwen, jongens en meisjes: allen droomden ze van haar sprietige gestalte. Die hulde ze in kleurige bontjes, glitterjurkjes en hoge laarsjes; en overal waar je keek, zag je even later eendere bontjes, eendere jurkjes en eendere laarsjes. Ze rookte sigaretten met een pijpje van ivoor, een gewoonte die al gauw door de meeste andere spelersvrouwen werd overgenomen. Protesten van de plaatselijke afdeling van het Wereld Natuurfonds lokten schamper commentaar van de olifantenhaters onder de fans uit. Waarvan Connie zich op haar beurt distantieerde middels een klein interview met de societyverslaggever van de Courant. Bezorgd om verkeerd begrepen te worden, benadrukte ze dat ze 'haar' olifant niet zelf had afgemaakt. Daarvoor hield ze te veel van die 'lieve lobbesen'. Als het enigszins mogelijk was geweest, had ze die arme olifant zijn tipje allang teruggegeven. Ze legde uit dat het tipje was meegebracht door haar vader Jo, die wel eens in Afrika was geweest. Niet om op olifanten te schieten, maar om oude auto's te verkopen zodat die mensen daar niet altijd zulke rot-einden hoefden te lopen. Als dank voor de motorisering had een heus stamhoofd Jo Jeker het tipje gegeven dat zij nu voor haar sigaretten gebruikte. Niets om je over op te winden, vond ze. Ze maakte trouwens jaarlijks met plezier een donatie naar het Wereld Natuurfonds over, want die club beschermde de olifanten en de pandaberen en daar was ze erg vóór.
Connie Dirckzsen-Jeker, diplomate in hart en nieren, regeerde met speels gemak over alle rijen en rangen. Van meet af aan lag de hiërarchie onder de voetbalvrouwen vast. Connie - en niet Babs, de bonkige vrouw van Tonnie Trauma - zette de toon; Connie was La Connie. Daar was maar één zomer voor nodig geweest. In haar nood probeerde Babs zich nog te laten aanspreken als Babs Trauma, maar dat ging zelfs de meest welwillende Batterijsupporter te ver. Men wilde haar best een keer uitleggen dat haar man Botklopper heette en dat ze bij het trouwen voor díe naam had geopteerd. Tonnies bijnaam was zíjn bijnaam, niet die van Babs. Punt uit.
Het was onverteerbaar voor Babs dat ze aan het aanvoerderschap van haar man geen leidende rol kon ontlenen. Fervent niet-rookster die ze was, kocht ze een aansteker voor stadiongebruik, zogenaamd om de nachtburgemeester een vuurtje te kunnen geven, maar in werkelijkheid aansturend op een ongeluk dat het gezicht van Miss Wereld Natuurfonds wat minder fotogeniek zou maken. Een onverwachte windvlaag, een brandwond, en de stoelendans kon opnieuw beginnen. Maar het kwam er niet van. Rond Connie stond een leger van vuurtjesgevers. Iedereen popelde om majesteit van dienst te zijn. Er was geen doorkomen aan.
Had Teuntje zich bij Berliner moeten melden, dan had dat niemand verbaasd. Je bent oorlogstoker in de zestien meter of je bent het niet. Spelersvrouwen (en vrouwen überhaupt) hoorden, dacht men, bij de grote groep waarvan Berliner domweg niets wilde weten. Zo vreemd was het dus niet dat het geruchtencircuit zich over Connies gang naar de Rapenkade boog. Afgevaardigden van de Courant benaderden elke voetballer die wel eens een pijntje had laten wegmasseren. Maar men had net zo goed de blinde muur achter de Agnietenkapel om commentaar kunnen vragen. De sporters praatten verzaligd over hun eigen prestaties uit het verleden en hoopvol over hun verwachtingen voor de toekomst; over Berliner zeiden ze geen stom woord.
Wie bij Berliner in behandeling was, werd lid van een bende, concludeerde de Courant. Een klant van Berliner werd gezworene, legde misschien zelfs een eed af en hulde zich in stilzwijgen. Tot het einde der dagen. Tot het einde van de dagen van Tonnie Trauma althans, zoals nog zal blijken.
Als veelbetekenend duidde de Courant het dat sporters die op de Rapenkade waren aangesproken, ontkenden dat ze bij Berliner vandaan kwamen. Ze beweerden zelfs dat ze nog nooit van de man hadden gehoord. Een enkeling hield bij hoog en bij laag vol dat hij helemaal niet in het witte huis was geweest. Hij kwam uit de Agnietenkapel, zei hij; daar had hij geoefend voor de Meezing-Messiah. In verhalen aan de stamtafel leidden Basta's gedecideerde knuisten een eigen leven. Met een mengeling van gruwel en gegenoegen fantaseerde men erover hoe die handen er volkomen krankzinnig op los slagerden wanneer Berliner droevig stemmende herinneringen aan de Wolga en de verdrijving door het hoofd spookten. Men was erop gekomen naar aanleiding van raadselachtig gegil dat, het moet gezegd, ook wel uit de Agnietenkapel afkomstig kon zijn, waar dag in dag uit gesubsidieerde koren als Japik Bouma's Celestijnenkoor The Commedian Ludgerians van Lambert Zwaaier oefenden.
De ware Torrestadter kon zich Berliners treurnis over de verloren geboortegrond maar al te goed voorstellen. Want hoe luidde het oude spreekwoord? Torrestad eens, Torrestad altijd. Eerst was er Torrestad, en toen ontstonden de buitengewesten.(Een ander gezegde.) "Torrestad, Torenstad, To-ho-restad," joelden ze in De Tapperij.
Met zonnebril en regenkapje was Connie Dirckzsen zo nadrukkelijk incognito dat ze wel de aandacht van de fotograaf móest trekken. Haar poging om de papperazzo te ontwijken, leverde een plaatje vol beweging op: vluchtend wild aan de vooravond van het jachtseizoen. Dinsdag stond er een foto op de pagina 'lokale berichten', linksonder, in grofkorrelig zwartwit. De lezers moesten goed kijken om in de harkerig zigzaggende vrouw met krukken de engel van De Batterij te ontwaren. Ontluisterend voor velen was het dat Connie voor het eerst op hakloos schoeisel werd gezien. Alsof ze aan zweefcapaciteit had ingeboet. Het was een macaber gezicht. Achter de zwalkende Connie opende zich het gapende duister van de Rapenkade, en lezers die eerst de populaire rubriek 'statistieken'(rechtsboven op diezelfde pagina) hadden bestudeerd, zagen in gedachten al een dodelijk vervolg voor zich. Uitgerekend die dinsdagavond becijferde de rubriek namelijk dat in de Rapenkade jaarlijks meer mensen verdronken dan in het hele land omkwamen bij zwembadongevallen. Connie had de Rapenkade overleefd, stelde een kort onderschrift gerust. En namens de redactie - een tandem doorgewinterde Batterij-aanhangers - wenste men haar beterschap. Men kon haar slechts goed gezind zijn.
Maar daar zou spoedig verandering in komen.
Bij de eerstvolgende wedstrijd ontbrak La Connie op de tribune. Voor Babs een ideale gelegenheid om zich te profileren. Ze koos voor een rol als sigarenrookster. Zo was ze die ochtend helemaal niet van huis gegaan, maar toevallig zat in het kuipje naast het hare een geldschieter van De Batterij. De man puilde uit van de Havanna's en schepte er behagen in om Babs tot zijn rookwaar te bekeren. Voor het eerst in weken haalde Babs weer eens de Courant: als vrouw met sigaar.
Groter nieuws was echter dat Connie ook bij de volgende wedstrijd op het appel ontbrak en dat Teuntje niet meer scoorde. Toen een drieste verslaggever een week later bij Bastian Berliner inlichtingen probeerde in te winnen, herinnerde deze zich meteen hoe de Courant hem als 'kampbeul van de Rapenkade' had geportretteerd. De woede die zich van hem meester maakte, moet vergelijkbaar zijn geweest met de woede die hij voelde wanneer hij aan de schoonheid van zijn verloren Heimat dacht.
"Kom kom, niet zo lichtgeraakt,, zei de journalist nog. "Spass moet sein, zo zeggen jullie dat aan de Wolga toch, nietwaar."
"Ach so", zei Bastian Berliner: "Na ja, wenn du meinst..." Hij legde de grappenmaker over zijn schouder en stortte hem een paar passen verder in het water van de Rapenkade.
Passanten die het zagen gebeuren, zeiden dat Berliner de man heel luchtig over zijn schouder droeg. "Rechtsdragend," zei iemand die liever anoniem wilde blijven. Het wees er volgens weer een ander op dat Berliner bijzonder geoefend moest zijn in het tillen van mannenbillen. Wat - niet onvoorspelbaar - weer geruchten over handtastelijke herenliefde en donkere kamers in het witte huis genereerde. De schade aan de reporter viel mee. In het proces dat de Courant tegen Berliner aanspande, werd de therapeut volledige vergoeding van de stomerijkosten opgelegd die als gevolg van het onvrijwillige bad waren ontstaan. Berliner betaalde ter plekke en gaf zijn slachtoffer nog een ruime fooi. "Lach, wenn's zum Heulen nicht reicht", zei hij. De naam Connie kwam niet over zijn lippen.
Voor een deel mocht Connie de omslag in de openbare mening zichzelf aanrekenen. Had ze zich niet zo bleu opgesteld (zo on-Connieaans), dan was het vertrek van de Dirckzsens uit Torrestad hoogstwaarschijnlijk aanzienlijk minder grimmig becommentarieerd. Was er wellicht een compromis gezocht. Misschien had Teuntje dan het lopende seizoen afgemaakt, terwijl Connie elders in de oninteressante buitengewesten een nieuw nest inrichtte. Dan waren ze met Torrestadse hoffelijkheid uitgezwaaid. Met een rondvaart door de grachten en veel volk op de kades; met een sentimenteel pinktraantje in plaats van tranen van gramschap.
Die kans was verkeken. Connie wilde aan niemand uitleg omtrent haar hulpstukken geven, wilde opeens geen openbare figuur meer zijn. En Teuntje, toch al geen wonder van welbespraaktheid (hij liet zijn voeten het spreekwerk doen), Teuntje vertrok drie weken later zonder boe of bah uit zijn geboortestad. Alsof Torrestad aan de Wolga lag! Daar lag Torrestad natuurlijk niet, maar een grachtenknooppunt was het wel en de stad zat bij wijze van spreken diep genoeg in het water om nog lang last te moeten houden van de deining die Teuntjes vertrek veroorzaakte.
In alle krantenbeschouwingen werd een verband gelegd tussen het vertrek van Teuntje Dirckzsen en de sportieve neergang van De Batterij. Het voetbal was opeens voorzien van akelige dimensies die voorheen slechts clubs in de staart van de ranglijst waren toegedacht. Het team wist geen wedstrijd meer te winnen. Tonnie Trauma schopte zichzelf van kaart naar kaart en werd zelfs, toen hij zich hardleers toonde, vijf wedstrijden geschorst. Warre Ruigmond brak alleen nog eigen ledematen in plaats van anermans, en Bennie Zadelmaker was het spoor helemaal bijster nu er geen tegengestelde polen meer aan elkaar gekoppeld moesten worden. De term gouden generatie raakte in onbruik. Fans speculeerden over een mogelijke doofpot-affaire. Waren de Dirckzsens wellicht op de vlucht voor onthullingen? Maar voor wat voor onthullingen dan!
Door de beschamende nederlagen tegen clubs die in de voorgaande seizoenen ongenadig voor de broek hadden gekregen, werd de stemming in Torrestad steeds grimmiger. Deserteurs hoorden tegen de muur, hoorde je in De Tapperij. Dat was een probleem. Want de muren van Torrestad waren al jaren behangen met eenovervloed aan Teuntje-posters. Het proces kon eigenlijk alleen nog maar in omgekeerde volgorde worden afgewerkt. Als eigentijdse variant op de beeldenstorm werden daarom overal de Teuntjes van de muren gescheurd. Versnipperd werden ze en verbrand. Er zaten ingelijste en door Brutalo zelf gesigneerde exemplaren bij. Het was niet anders omdat het niet anders kon: onverdraaglijk opeens waren glorie-foto's als die van de Held met kampioensschaal en de Held op de schouders van de spelersvrouwen - op de achtergrond een stuurs toekijkende Tonnie Trauma. De verheerlijking voorbij. Dat was het.
Terwijl het in Torrestad het hele jaar door bleef knetteren, waren Teuntje en Connie in het zuiden een nieuw leven begonnen. Jo Jeker was inmiddels zo ver dat hij de godganse dag alleen nog boeddhistisch domino wilde spelen. Zijn garagebedrijf had hij aan de pasgetrouwden overgedaan. Voor schoonzoon Teuntje ging daarmee een jongensdroom in vervulling, want naast het schoppen tegen de bal en de schenen van tegenstanders was er niets dat hij liever deed dan sleutelen aan automobielen. Van de bougie en de cilinderkleppen tot aan de versnelling, de bumper en de uitlaat bepotelde en bestreelde een ongekend tedere Brutalo de onderdelen die reparatie behoefden.
De woeste Brutalo van weleer werd een goeiige familievader. Een man met hetzelfde zwak voor boeddhistisch domino als zijn schoonvader.
Maar toen, vierentwintig jaar later, kwam het bericht uit Torrestad dat Ton Boterklopper was overleden. Op verzoek van Babs had Bennie Zadelmaker de tamtam bediend, omdat de rol van trait d'union de voetbalmakelaar in ruste nog steeds gemakkelijker af ging dan anderen. Dat Trauma in een kist lag en de anderen buiken ronddroegen die inmiddels ronder waren dan de leren knikkers waar ze destijds tegenaan trapten, was geen complicatie; het was juist de noodzakelijke voorwaarde om het legendarische team nog een keer bij elkaar te krijgen. Zei Bennie.
Terwijl Connie meeluisterde en aan Teun met schuddend hoofd te kennen gaf dat ze er niets voor voelde, bezweek deze voor Bennie's argument dat je niet élke begrafenis kon laten lopen. Daarmee zinspeelde Bennie op eerdere sterfgevallen waarbij de Dirckzsens hadden geschitterd door afwezigheid.
Teun zag de gezichten van de oude Batteristen in gedachten voorbij komen, voor het eerst in jaren. Ze knikten hem verwelkomend toe. Hij besloot er een vingerwijzing van het lot in te zien.
Op Babs en Ton in z'n kist na was De Tapperij al leeg. Honderden mensen stonden op het plein voor het café te wachten tot het sein gegeven werd dat de dragers de kist konden ophalen. Het talkbusje ging van hand tot hand. De Dirckzsens waren nog niet gesignaleerd, maar Babs twijfelde er niet aan dat Teun en Connie zouden komen. Ze zou net zo lang wachten als nodig was. Er werden sigaretten gerookt en uitgetrapt. Er werd geroezemoesd en steels naar de klok gekeken, en toen de twee laatkomers eindelijk uit een taxi met piepende banden sprongen, was er zelfs een sfeer van verwachting samengetrokken. Wat er verwacht werd, had natuurlijk niemand onder woorden kunnen brengen. Op begrafenissen is het 't gezondst om alles maar over je heen te laten komen zoals het komt.
Snel leidde Bennie Zadelmaker hen De Tapperij in, naar het tafeltje van Babs. Hij verliet het drietal onmiddellijk weer, zodat er nog een paar woorden konden worden gewisseld die hij niet met alle geweld hoefde te horen. Bennie had z'n instructies. Connie overwoog haar oude rivale een van haar fameuze smeltkussen toe te dienen, maar zag op het laatste moment een ouderwetse voile voor het gezicht van de weduwe hangen en hield het toen maar, net als Teun, op een slap handje. Die voile leek wel een spinnenweb, daar moest je bij uit de buurt blijven, dacht Connie, en ze probeerde zo treurig mogelijk om zich heen te kijken.
Op het biljart stond de kist. Het was een enorme kist. De meeste overledenen werden een stuk kleiner dan je ze in herinnering had, maar deze jongen hield zich groot tot het laatst. Ze drukte een nare gedachte weg.
Babs schonk een glas bessenjenever in. Ze stond te tollen op de benen. Connie schudde het hoofd. Dat was het signaal waarop Babs had gewacht. Ze sloeg het glas achterover en begon zonder enige overgang te tieren over bedrog en smeerlapperij. Ze had haar tekst vele malen doorgenomen en richtte zich, om niet in de war te raken, tot het met visnetten behangen plafond, waar ooit, herinnerde ze zich, foto's van Teuntje hadden gehangen.
Niemand ging zitten, alle drie hielden ze zich vast aan een stoel- of tafelrand. Teun probeerde Babs te onderbreken. "Het is tijd, Babs. We moeten nog door de kleedkamers met die kist, en door de spelerstunnel. En dan naar de middenstip. En dan is er het saluut. En dan naar Windvliet. Da's een half uur sjouwen, eh, lopen, Babs. Iedereen staat buiten te wachten. Kijk maar."
Terwijl onder de wachtenden op het plein de onrust zichtbaar toenam, schreeuwde Babs haar woede van 24 jaren uit. Ze wist heus wel waarom Teun haar Ton zo had gehaat. Omdat hij haar, Babs, nooit had kunnen krijgen. Hij veegde aan elke vrouw zijn pik af, die mooie Teuntje. Dat was algemeen bekend. Maar Babs was van de baas. Babs deed het niet met personeel. Was dat nieuw voor Connie?
Connie haalde haar schouders op. "Geen reden om zo uit de hoogte te doen, stomme majorette die je bent," siste Babs. Speeksel droop van de voile. "Zal ik dan de jongens maar gaan waarschuwen?" suggereerde Teun, weglopend naar de deur. Maar het was te laat. Babs had nog iets op haar hart. Voor 'de heer Dirckzsen, de grootste hoorndrager van allemaal'. Ze liet een harde boer. "Als jullie tegenwoordig zo enorm lankmoedig zijn, dan zul je het ook wel geen probleem hebben gevonden dat mijn Ton die snol van je een flinke beurt heeft gegeven. In de tijd dat jij haar steeds uit bed schopte."
Teuntje fronste de wenkbrauwen, Connie verstijfde. "In het witte huis," raasde Babs. "Samen met Basta. Weet je nog wel? Basta Berliner. Van twee kanten tegelijk. Lekkere therapie was dat. Ton kreeg er meteen een druiper van. Kan je nagaan hoe fris dat vrouwtje van je was."
Het was eruit. Achter haar voile begon ze te stralen, de veelgeplaagde. Ze had haar wraak. Nieuwsgierig probeerde ze het effect van haar woorden te meten. Er gebeurde niets. Gedurende de stilte die volgde, veranderde de grimas op Babs' gezicht van triomf in verbazing. De regie had in ontzetting voorzien, in trekken aan haren en berouwvol gejammer. Niet in berusting. Connie keek op haar horloge en zweeg. Teun legde een zware hand op de schouder van Babs. "Ik wist het niet, Babs, maar het is allemaal niet zo erg als jij schijnt te denken. Wij doen niet meer aan winnen en verliezen. We zijn gekomen om Ton te begraven. Laten we beginnen. De rest doet er niet toe." En hij liep naar het raam om de dragers naar binnen te wenken.
"De rest," riep Babs. "Wat bedoel je, de rest?" "Niks," zei Teun. Hij gebaarde naar Bennie dat ze aan het werk konden. De jongens kwamen stampend en handenwrijvend naar binnen.
"Niks, Babs," zei Teun, vlak bij haar oor. "Maar heb jij je nooit afgevraagd waarom Ton zo ontzettend vaak naar Berliner moest? Terwijl hij bijna nooit geblesseerd was? Ik bedoel er niks mee, Babs, het is allemaal voor je eigen rekening. Maar je weet toch dat Berliner aan een heel enge geslachtsziekte is overleden? Dat heb ik tenminste van Bennie gehoord."
Met een monter 'één twee huppekee' ging de kist de lucht in. Op weg naar de uitgang schampte het gevaarte een paar stoelen die met veel kabaal omvielen. Trauma's laatste tackles, dacht Connie. Ze voelde zich opgelucht.
Toen de kist op de middenstip werd neergelaten, weerklonk vanaf een podium bij het scorebord een mager trompetje. The last post. De vlag met de clubkleuren die over de kist had gelegen, werd plechtig opgerold en de voorzitter van De Batterij overhandigde het pakket aan de weduwe Boterklopper. Tien dikke tot zeer dikke mannen posteerden zich vervolgens achter ballen die ter hoogte van de penaltystip waren neergelegd.
De tijd was gekomen voor het eresaluut dat Tonnie Trauma in het protocol had laten opnemen. Tien schoten op doel.
De eerste getrouwe trapte zijn lakschoen in de aarde en zag de bal langzaam naast het doel rollen. De tweede schoot hoog over, de derde knalde tegen de paal en de vierde gleed uit. Hij bleef maar even liggen, omdat hij de bilnaad van de pantalon had horen scheuren.
De weduwe Boterklopper stond met open mond toe te kijken. Ze was zo wit als het leer van de saluutballen. Pas nummer vijf wist te scoren. Dat was Bennie Zadelmaker, Bennie de onverstoorbare. Een dood vogeltje landde zachtkens in het doel.
Maar het goede voorbeeld deed niet goed volgen. Het doel scheen de helden van weleer angst in te boezemen. Niemand was nog actief bij het voetbal betrokken, niemand had thuis nog even tegen een muurtje geoefend.
Het gestuntel duurde voort tot nummer tien aan de beurt kwam. Licht in het hoofd voelde hij zich. Brutalo sloop in zijn lijf, op het moment dat Teun D. traag zijn standbeen naast de bal zette; het linker. En het was alsof het kostuum dat hij voor de gelegenheid had Gehuurd, in rook oploste. Er kwam, o wonder, een blauwwit gestreept hemd te voorschijn, zichtbaar alleen voor de drager. Brutalo Dirckzsen was terug en hij nam de bal op de wreef, als voorheen. Er waren geen schenen en pezen meer om tegenaan te schoppen en ook geen trappende verdedigers die je hoog deden opspringen.
Ergens uit de directe omgeving van de middenstip weerklonk een dof en onderdrukt gemurmel. Het was alsof er een opdracht werd gegeven. Niet uit de achterste linie, zoals vroeger, maar van verder weg. En net als toen besloot hij de order te negeren. Een Brutalo voor een doel kende immers geen twijfels. Hij haalde uit en schoot de bal recht door het midden. De bal tikte tegen het net en het net omarmde de bal, voor een fractie van een seconde. Daarna viel de bal op het gras en bleef hij stil liggen.
Door de mazen van het net floot de wind van een oude lente.