Herman Koch
De laatste gang
Barcelona.
Iets in de naam van de stad klinkt al anders dan Rome, Londen of Parijs. Om over Manchester, Auxerre, of Dortmund maar te zwijgen. Zoals bekend kun je maar één favoriete stad hebben. Barcelona ligt lekker in de mond, als een veelbelovende bonbon waarvan ook de vulling niet teleurstelt. 'Ik moet volgende week naar Barcelona,' klinkt gewoon beter dan dezelfde zin met een van bovengenoemde steden in de hoofdrol. Dit heeft ook alles te maken met de keuze voor 'moet' in plaats van 'ga'. 'Ik moet volgende week naar Dortmund,' betekent bijna hetzelfde als 'Ik moet volgende week naar de mondhygiëniste.' Dezelfde zin met 'Parijs' of 'Londen' betekent al jaren helemaal niks meer. Meestal wordt hij uitgesproken door mensen tot wie het niet is doorgedrongen dat Sartre dood is, of die in alle ernst geloven dat je tegenwoordig in Londen 'best heel behoorlijk kunt eten'.
Maar wie naar Barcelona 'moet', leidt blijkbaar een leven waarin leukere dingen moeten dan in de mensenlevens die zojuist de afslag Dortmund hebben gemist en nu een verschrikkelijk eind moeten omrijden. In Manchester wordt het heel vroeg donker, en in Rome staan veel Romeinse ruïnes.
De eerste keer was in 1977. Wie in Nederland woont, komt zijn latere favoriete steden doorgaans vanuit het noorden of oosten binnen, maar wij waren op de terugweg uit Marokko en kwamen dus via de zuidelijke invalsweg. 'Wij', dat waren Barten van Elden en ik. Onze aftocht uit Marokko was een jammerlijke geweest. Na drie dagen vergeefs liften kochten wij van ons laatste geld een buskaartje Malaga-Barcelona. Het was heel vroeg in de ochtend toen de bus ergens in het havengebied stopte. Over een verlaten straat met twee rijbanen aan weerszijden van een voetgangerspassage slenterden we met onze rugzakken in de richting waar wij het stadscentrum vermoedden. In een café op een groot plein dronken wij een cafe con leche. Buiten waren schoonmakers met een karretje bezig gevallen bladeren van het plaveisel af te spuiten.
Amper twee uur later stonden wij alweer aan de uitvalsweg. De ochtendspits was inmiddels begonnen. Het was december en het was koud, en er stopte niemand. In de verte zag ik twee wonderlijke torens boven de daken van de zes verdiepingen hoge huizenblokken uitsteken. Het was net of de torenspitsen eerst met inktvisschubben waren beplakt en daarna nagetekend door Anton Pieck.
"Dat is die kathedraal die nooit afkomt," zei Barten van Elden, die van dit soort dingen meer wist dan ik. "Van Gaudí."
"Van wie?" zei ik.
Later die middag bereikten we toch nog Andorra. Het had gesneeuwd, auto's met sneeuwkettingen ratelden ons stapvoets voorbij zonder te stoppen. Op het kruispunt, waar wij onze rugzakken in de metershoge sneeuw hadden laten zakken, hing zo'n dichte mist dat wij het bord ANDORRA 12 km aan de overkant van de weg niet meer konden lezen. Tegen de koude dronken wij de helft van de fles anís leeg die we op het nippertje in Barcelona hadden gekocht. Daarna begonnen ook wij langzaam in de mist op te lossen, tot we uiteindelijk geheel uit het zicht waren verdwenen.
Jaren later, in 1985 om precies te zijn, keerde ik in Barcelona terug. Via de noordelijke invalsweg dit keer. Dezelfde invalsweg die bij het eerste bezoek nog de uitvalsweg was geweest. In de dagen daarna zou ik nog meer herkenningspunten in omgekeerde volgorde tegenkomen. Zo duurde het toch nog een halve ochtend slenteren over de Ramblas voordat het tot me doordrong dat dit de straat met voetgangerspassage was waarover ik de eerste keer vanuit de haven de stad was binnengekomen. Een van de hippere cafés in 1985 was Zürich, dat aan het begin van de Ramblas aan de Plaza de Catalunya lag. Maar pas toen ik vanuit het café door het raam naar buiten keek, besefte ik dat ik hier eerder op een verlaten ochtend een cafe con leche had gedronken. Het was of ik elke keer twee in verschillende jaren genomen foto's van dezelfde locatie naast elkaar moest leggen, die ook nog eens uit een andere hoek waren genomen - als in een fotoboek met een hoog toen...-gehalte, het soort fotoboek waarin je een foto van je geboortestraat aantreft, maar dan zonder geparkeerde auto's, of met alleen hoge bomen en een paardentram.
Ik had een adressenboekje bij me, met namen en telefoonnummers van mij onbekende Barcelonezen die mij door enthousiaste Nederlandse vrienden en kennissen waren verstrekt, met de toevoeging dat ik hun Barcelonese vrienden en kennissen 'altijd kon bellen'. Zelf ben ik nogal voorzichtig met telefoonnummers van anderen. In het bijzonder met nummers die je 'altijd kunt bellen'. Ik had kortom besloten om de nummers de nummers te laten en ze alleen te bellen wanneer ik zwaargewond zou raken.
Maar na enkele weken van disco in, disco uit werd ik op een late en katterige ochtend toch weer wakker naast het adressenboekje. Ik draaide het bovenste nummer, legde uit via wie ik belde ("Aah, Essanderr Sluuruufter!" riep de vriendelijke vrouwenstem aan de andere kant van de lijnt. 'Que tal está?') en werd uitgenodigd de volgende zondag 'sobre las tres' langs te komen.
Die zondag stapte ik rond een uur of drie uit de metro bij de halte Verdaguer. Een paar blokken verderop, in de Calle Provenca, zag ik de kerktorens van Gaudí tussen de platanen schemeren. De kerk was nog steeds niet af. Meer dan op door Anton Pieck getekende inktvisschubben leek hij van dichtbij, en vanuit deze hoek, op een uit zijn krachten gegroeid koekhappershuisje uit een attractiepark.
Ik belde aan op Roger de Flor 256 tercero-segundo en nam de lift naar boven. Het was een lift met veel metalen krullen en traliewerk, zoals liften in zwartwit films met een begin, een midden en een eind. Op de derde verdieping deed mijn toekomstige vrouw de deur open.
Ik stapte over de drempel en keek linksaf een lange, met zwarte en witte tegels belegde gang in. Aan het eind van de gang gloorde daglicht, maar waar precies was door de lengte niet goed te zien. Tot mijn spijt gebaarde mijn toekomstige vrouw echter dat wij rechtsaf moesten, naar een woonkamer aan de straatzijde, gevuld met tientallen door elkaar pratende Barcelonezen. Voordat ik de woonkamer betrad, keek ik nog één keer, bijna heimelijk, over mijn schouder. Aan de gang leek geen einde te komen, hij loste simpelweg op in de verte, als in een tekening waarin opzettelijk met het perspectief is geknoeid.
Ik woonde destijds op een donkere verdieping in een donker, zogenaamd 'schilderachtig' zijstraatje van de Ramblas. In het nog donkerder trapportaal zochten junks naar hun aderen, de onontbeerlijke kakkerlakken lieten zich op de meest onverwachte momenten, met een voorkeur voor de uren na middernacht, uit de laden van de keukenkastjes op de stenen vloer vallen, en in de verdieping boven de mijne had ooit Pablo Picasso nog gewoond. Wanneer ik 's nachts de slaap niet kon vatten, probeerde ik op de naam van de schrijver te komen die ooit had gezegd dat op onverwarmde zolderkamers weliswaar kunst werd gemaakt, maar nooit zulke goede kunst als in een centraal verwarmd huis en op een elektrische typemachine. Ik was kortom rijp voor een verhuizing.
Mede door mijn gebrekkige Spaans verliep het gesprek met de tientallen Barcelonezen wat stroef. Bovendien was ik met mijn gedachten vooral bij de gang. Mijn kans kwam toen ik naar de wc vroeg en deze 'de derde deur links' bleek te zijn. Bij die derde deur was de gang nog lang niet op de helft van zijn volle lengte. Onbedwingbare nieuwsgierigheid dwong mij om me in de deur te vergissen en dieper in de gang door te dringen. Aan het einde was een reusachtige kamer, ook al met zwarte en witte tegels op de vloer, badend in een zee van licht dat door de metershoge ramen van een aangebouwde serre naar binnen viel. De ramen op hun beurt zagen uit op de torenspitsen van Gaudí's Efteling-kathedraal.
Ik stak mijn handen in mijn zakken en liep langzaam door mijn toekomstige werkkamer. Voor de ramen hield ik stil. Een hijskraan die nog hoger was dan de torens zelf, takelde juist op dat moment een kruiwagen met bouwmaterialen naar boven. Het was daar, voor de ramen van de serre, dat mijn toekomstige vrouw zich bij mij voegde. Ik had haar niet horen aankomen. "Mooi hè?" zei ze. Ik wist niet of zij het over het uitzicht of over de kerk zelf had, en heb haar daar later ook nooit meer naar durven vragen. Ik knikte bevestigend.
"Gaudí," zei ik, omdat mijn Spaans eigenlijk te gebrekkig was om daar nog al te veel aan toe te voegen.
Vele jaren later, tijdens een van de talrijke reconstructies van onze eerste ontmoeting, vroeg ik haar voor de zoveelste keer wat haar eerste indruk van mij was geweest.
"Ik vond je een tamelijk arrogante en ontoegankelijke lul," zei mijn vrouw.
"En jij?"
"Ik keek helemaal niet naar jou," zei ik, omdat een leugen op zo'n moment later nooit meer rechtgezet kan worden. "Ik keek in die gang, en ik dacht: in een huis met zo'n gang wil ik wel wonen."
Daarna legde ik haar nog eens uitvoerig en geduldig uit dat dat 'arrogante' en 'ontoegankelijke' voornamelijk door de zogenaamde taalbarrière kwam, door mijn gebrekkige Spaans kortom, waardoor ik op het eerste gezicht misschien wat stroef was overgekomen. Een arrogante en ontoegankelijke lul heeft ook het voordeel dat hij naderhand alleen maar mee kan vallen, zoals enkele dagen later, toen wij elkaar rond vier uur 's ochtends voor het eerst kusten in danszaal Cibeles aan de Calle Corsega. Om vijf uur 's ochtends waren wij in het huis met de lange gang, waar ik de volgende vijf jaar niet meer weg zou gaan.
Uiteindelijk zijn wij die nacht in de danszaal als onze officiële 'huwelijksdatum' blijven vieren. Maar op de een of andere manier is het net of de foto van de gang op de eerste pagina van het fotoalbum thuishoort, en die van de eerste kus op pagina twee.
Vaak vraagt mijn zoon P. hoeveel nachtjes het nog slapen is voordat we weer naar Barcelona gaan. Ik denk dan altijd even aan de gezinnen waarin kinderen vergelijkbare vragen stellen, maar met andere steden als eindbestemming. In een vraag met 'Dortmund' zal vooral angst doorklinken, maar ook in gezinnen met 'Parijs' en 'Londen' zit iets goed scheef. Zoveel kansen zijn er niet in een mensenleven om je kinderen een ideale jeugd voor te schotelen.
Afgelopen lente nam ik P. voor het eerst mee naar het Camp Nou Stadion voor de wedstrijd Barcelona-Rayo Vallecano (5-1). Omdat in Spanje de 's avonds gespeelde wedstrijden om negen uur beginnen, heb je niet echt de tijd om na te denken of ze dan misschien veel te laat zijn afgelopen voor een kind van zes.
We gingen met mijn zwager en diens zoon van twaalf. Door een gelukkige samenloop van omstandigheden bewoont mijn zwager tegenwoordig het huis in de Calle Roger de Flor 256. Wanneer wij in Barcelona verblijven, slapen wij nog altijd in dezelfde kamer waar wij zestien jaar eerder om vijf uur 's ochtends naar binnen stommelden. Wel lijkt de gang inmiddels een stuk korter. In elk geval heeft hij niet meer het soort lengte dat aan de wieg van een ontluikende verliefdheid kan staan. Misschien komt het door de andere verlichting die mijn zwager en zijn vrouw hebben opgehangen, waardoor je wel beter kunt zien waar je loopt, maar die tegelijkertijd iets wezenlijks weghaalt uit het perspectief. Anders komt het gewoon door de tussenliggende tijd die inmiddels verstreken is - dezelfde tijd die alles korter maakt, dus ook de lange gangen.
Barcelona-Rayo Vallecano was de wedstrijd waarin Patrick Kluivert de hele eerste helft werd uitgefloten omdat hij had laten doorschemeren misschien te zullen vertrekken, waarbij zelfs de naam van Real Madrid was gevallen. Het was vooral het noemen van deze laatste club die de trainer dwong Kluivert in de rust te wisselen. Kluivert is P.'s favoriete speler. Die middag hadden wij in de fanshop van de FC Barcelona nog een computerfoto laten maken waarop hij naast Kluivert in het Camp Nou Stadion poseert. Iets in de belichting maakt dat je kan zien dat het een truc-foto is. P.'s gezicht is simpelweg te wit naast het bruine hoofd met zes dagen oud baardje van Patrick Kluivert.
De gang is nog altijd lang genoeg voor een partijtje voetbal. Ook als wij om half een 's nachts thuiskomen na de wedstrijd - en na een paar biertjes met pulpo en su tinta in een naast het stadion gelegen restaurant. Mijn zwager en zijn zoon lopen uit naar 3-1, maar dan schiet P. een van de nieuwerwetse lampjes van de muur. Het is net of plotseling de stadionverlichting uitvalt, zoals in die chaotische Europa-Cupfinale tussen AC Milan en Olympique Marseille, en dus zou er eigenlijk niet meer doorgespeeld mogen worden - maar wij doen het toch.
Door het uitvallen van een van de lampen worden niet alleen onze schaduwen, maar ook de gang zelf langer. Gedurende een vol kwartier is hij zelfs net zo lang als zestien jaar geleden. Ik sta in mijn doel - de deur naar mijn voormalige werkkamer - en overzie het zwartwit betegelde veld. In de verte, bij het doel van de tegenstander, neemt mijn zwager een omstreden beslissing, die ik onder normale omstandigheden, en bij normaal licht, waarschijnlijk zou aanvechten, maar die ik nu laat voor wat hij is, omdat ik nog even ongestoord van de gang wil blijven genieten zoals ik hem ooit voor het eerst zag.
"Over hoeveel nachtjes gaan we weer naar Barcelona?" vraagt P.
Ik kijk op van de krant waarin ik zojuist een interview met Rafael van der Vaart heb gelezen. Sinds september 2001 speelt P. als spits in de F5 van Geuzen Middenmeer. Toen hij zijn eerste doelpunt had gescoord, zijn we naar de Arena gegaan om een nieuw Ajax-shirtje voor hem te kopen.
"Wie moet er achterop?" vroeg ik. "Chivu? Kluivert mag ook, al speelt-ie niet meer bij Ajax."
P. dacht even na. "Nee, ik wil die andere," zei hij. "Hoe heet-ie ook alweer? Die zo goed is..."
"Van der Vaart," zei ik.
"Die," zei hij.
Het meisje dat de namen achterop de shirtjes stoomde, zei dat de hele naam van de voetballer niet op een shirtje maat F5 paste en dat het daarom 'v.d. Vaart' zou worden. P. knikte. "Dat is oké," zei hij.
"Weet je wat hier allemaal in de krant staat," zeg ik nu. "Dat Rafael van der Vaart linksbenig is, net als jij. En dat hij net als jij een Spaanse moeder heeft. Zijn opa en oma wonen in Spanje, net als jouw opa en oma, en ze hebben een satellietschotel gekocht om hun kleinzoon te kunnen zien voetballen. En verder wil Van der Vaart nog een paar jaar bij Ajax blijven voetballen, en weet je waar hij daarna naartoe wil? Hij zegt het hier zelf in de krant."
"Naar het Nederlands elftal?" zegt P.
"Dat sowieso. Nee, als hij bij Ajax weggaat, wil hij naar Barcelona." Net als jij, wil ik eraan toevoegen, maar houd me nog net bijtijds in. "En wanneer gaan wij?"
Ik tel de nachtjes op mijn vingers, alsof ik niet allang weet welke datum op de tickets staat vermeld.
"Over tien nachtjes," zeg ik.