Beckham door Julie Burchill
Een wijze man heeft ooit gezegd dat satire ophield te bestaan op de dag dat Henry Kissinger de Nobelprijs voor de Vrede ontving. Maar voor mij was het uiteindelijk met de satire gedaan toen Coutts & Co, de koninklijke bank, op een mooie lentedag in 2001 aankondigde een speciale afdeling te openen om de jonge voetbalgoden te paaien. Nog voordat de bank zijn deuren opende, hadden zich zo'n zestig spelers aangemeld.
Welke ruimtereis had ons in dit vreemde tijdperk gebracht, in dit parallelle universum, waarin de bank van de koningin naar het pijpen danste van jongemannen die ze daarvoor niet eens als portier in dienst zouden hebben genomen? Eerst leek het een wrange grap, zoals die ene dag per jaar op 's lands deftigste kostschool, als de meesters de leerlingen bedienen en ze op afschuwelijke, lijzige toon 'Sir' noemen. Maar het was de koninklijke bank dodelijke ernst; een woordvoerder zei: "Ooit stonden voetballers bekend vanwege hun spilzucht, zodat ze aan het eind van hun carrière failliet waren. Maar dat is allemaal verleden tijd. Tegenwoordig zijn ze veel verstandiger... Er wordt de laatste acht jaar enorm veel geld in de voetbalsport gestoken, en nu is de tijd rijp voor een goed beheer van hun geld. Hun carrière aan de top duurt slechts zo'n twaalf en wij moeten ervoor zorgen dat ze er optimaal van profiteren."
Het klonk allemaal prachtig - het Nieuwe Groot-Brittannië, het Nieuwe Geld, het doorbreken van de duffe, oude barrières van het privilege en meer van dat soort flauwekul - totdat iemand zich herinnerde dat onlangs ook over Coutts zelf kletspraatjes de ronde deden. Zo werd er beweerd dat cliënten met een sterstatus als Andrew Lloyd Webber en Phil Collins hun rekening hadden gesloten en gepikeerd hun centjes mee naar huis hadden genomen. Stel je voor - de restjes opeten die op tafel zijn achtergelaten door hopeloos duffe figuren als Phil Collins and Andrew Lloyd Webber! Was dit dan werkelijk het Nieuwe Ras van chique, stijlvolle voetballers die The Beautiful Game, het Prachtige Spel, voor altijd uit het klamme kielzog van burgerlijke dufheid naar de staalblauwe diepten van cool zouden voeren? Of was een rekening bij Coutts gewoon de laatste trend op een lange lijst van bevliegingen, zoals imitatie-Tudorhuizen, plastic haarbandjes op het veld, het openen van boetieks en het slapen met meisjes die je schaars gekleed in de tabloids aantreft en die toch een hoger IQ hebben dan jijzelf?
Wat zo bizar en droevig is aan het Engelse voetbal, is dat toen spelers nog zakgeld kregen, ze op echte mannen leken; op het moment dat ze een mannenloon kregen werden het Jongens, en daarna, toen ze vorstelijke gages ontvingen, jochies. Velen onder ons waren lichtelijk verrast toen we ontdekten dat het een hobby van David Beckham was om stripverhalen als The Lion King over te trekken en na te tekenen - en die dan als teken van zijn liefde naar zijn verloofde, Victoria Adams, te sturen - maar we wenden snel aan het idee en waren geneigd te denken: ach, wat lief. Hetzelfde met de onthulling, gedaan tegenover Michael Parkinson tijdens diens tv-praatprogramma, dat hij er voor het eerst achterkwam dat Victoria hem zag zitten 'toen ze een groot pluche konijn voor me kocht; ik denk dat het de eerste keer was dat ik besefte dat ze me wel mocht.'
Maar echt gechoqueerd waren we niet, zoals we dat wel zouden zijn geweest als we iets dergelijks over Stanley Matthews hadden gehoord. Inmiddels wisten we dat George Best (met zijn hartverscheurende naam) al drie decennia lang zo verslaafd aan de fles was, dat hij blijkbaar liever doodging dan dat hij het zuigen aan zijn toxische speen opgaf, en dat Tony Adams zich regelmatig zo aan drank te buiten ging dat hij in zijn broek plaste. We koesterden het idee van sportmensen als de nieuw rocksterren - dronken, gedrogeerd en met verrassende gelijkmoedigheid destructief voor zowel zichzelf als hun sexy, blonde metgezellin. Het kwam als een ware opluchting te horen dat het overtekenen van leeuwen en in ontvangst nemen van pluche konijnen het slechtste was waartoe Beckham de jongen in staat was. Op een of andere manier sneed het hout; er bestond een soort volksgeheugen dat begreep dat het, zodra sportmensen niet meer uit liefde voor het spel speelden, vreselijk uit de hand zou lopen. Want sport is in essentie spelen, zoals kinderen spelen; wie zich er al te overdreven op concentreert, verliest vanzelfsprekend al het andere uit het oog. Door zo weinig betaald te krijgen, gaven Matthews en zijn tijdgenoten waardigheid aan het bestaan van de sportman, en dat was hard kunnen rennen, een bal kunnen trappen en zich in het algemeen kunnen onttrekken aan al het vervelende, geestdodende en slopende werk dat andere jonge arbeiders moesten doen. Maar zodra men enorme bedragen aan grote mannen ging betalen voor het niet volwassen worden, werd duidelijk dat ze nog verder zouden terugvallen; het was de zuivere logica van de kinderbox.
Ooit hadden we Busby's Babes en we waren trots op hen; sinds het begin van de jaren negentig hebben we Engelands Verbazingwekkende Voetballende Baby's en we wenden beschaamd het hoofd af. Soms zijn ze fysiek incontinent, zoals Adams, of emotioneel en moreel incontinent, zoals Paul Gascoigne en Stan Collymore. Maar het eindresultaat is hetzelfde; over het algemeen zijn onze voetballers meer een bron van schaamte dan van trots en dat is al vele jaren zo. En het is moeilijk voorstelbaar dat het walgelijke gedrag van Engelse spelers buiten het veld niet wordt weerspiegeld in het berucht gewelddadige gedrag van Engelse fans in het buitenland en vice versa; dat zowel de overbetaalde spelers als de onderlaag van supporters erop gespitst zijn een soort danse macabre uit te voeren op de ruïnes van hun brute mannelijkheid, vastbesloten zoveel mogelijk in hun val mee te sleuren. Wie filmbeelden van reltrappende Engelse fans in de steden op het vasteland ziet, moet haast wel terugdenken aan de laatste keer dat grote aantallen jonge Engelse mannen daar waren om Europa van het fascisme te bevrijden.
Met het risico als een commentaar uit de Daily Mail te klinken: wat is er misgegaan?
David Beckham draagt een zware last op zijn fraaie schouders. Hoewel hij de meest kinderlijke van de huidige voetballers is, zich het meest met een geur van vrouwelijkheid omgeeft, is hij paradoxaal genoeg degene van wie we hopen dat hij het ooit-prachtige-spel terugbrengt naar de staat van genade, naar de mannelijke heiligheid met kort opgeknipte kapsel, belichaamd door Matthews en Finney. Ernstig kijkend, doodstil, schitterend gekleed in sarong, met het slipje van zijn vrouw aan, zet deze heilige dwaas zijn leeftijdgenoten voor schut als hij moeiteloos voetbal aan beleefdheid paart bij het beantwoorden van Michael Parkinsons vraag: "Voetbal is een echt mannenspel en heel erg macho. En jij, je bent geen drinker, je slaat je vrouw niet in elkaar, je bent gek op je kind en je bent een idool voor homo's. En dat vind je niet hinderlijk?"
"Nee, helemaal niet."
"En je praat in je boek over die vrouwelijke kant, waarvan je houdt en die je bewondert. Je gaat wel erg tegen de draad in."
"Ik denk dat het komt doordat ik nooit in dat soort kringen heb verkeerd.Toen ik jonger was, bleef ik thuis en keek ik naar Match of the Day in plaats van voor een fles cider naar de winkel op de hoek te gaan. Op die manier ben ik grootgebracht. Ik drink wel eens wat, maar ik ga nooit stappen om te drinken en ik sla geen vrouwen in elkaar, dus ben ik gelukkig."
En dat is de sleutel: Beckham, rijk, succesvol en sexy, is bovenal gelukkig, in een tijd waarin een opvallend vertoon van geluk door de rijke en beroemde medemens met afkeuring wordt bezien. Zo'n beetje iedere zeverende beroemdheid heeft wel een op maat gesneden treurverhaal over hoe hij of zij op zijn vijfde mammie met de kerstman zag zoenen, en dat dat de reden is dat hij of zij alcoholist, veelvraat of nymfomaan is geworden. Gelukkig zijn wordt gezien als oppervlakkig, duidend op een boerenafkomst; 'verward zijn' daarentegen is chic, diepzinnig en fascinerend. Maar het trieste feit is dat het de neurotici zijn die zo stomvervelend zijn. Net als junkies hebben ze allemaal dezelfde persoonlijkheid. Gooi een aantal interviews met Geri Halliwell, Robbie Williams en Tara Palmer-Tomkinson door elkaar en je weet niet meer wie wat heeft gezegd.
Beckham heeft dit droevige aandacht vragen overgeslagen, zoals hij de Crisis van het Man-zijn, het Eind van het Industriële Tijdperk en de Financiële Flop van The Lion King II niet nodig had om er munt uit te slaan. Maakt dit hem nou echt dom, juist slim, of heeft hij gewoon geluk? Niemand weet het. En of hij het Engelse voetbal onder zijn aanvoerderschap uit de duisternis naar het licht kan voeren, moet worden afgewacht. Maar als híj het niet kan, wie dan wel? En als het nú niet gebeurt, wanneer dan wel?
Vertaling: Peter Out
Lees het hele verhaal in Hard Gras 30