Tommaso Pellizzari
DE VAN BASTEN IN MIJZELF
Als ik een beroemde schrijver was, zou dit artikel goud waard zijn en door de critici worden begroet als een belangrijke vondst, een vondst van het type 'het nooit geschreven hoofdstuk van het meesterwerk van Pellizzari', of 'deskundigen vermoedden het bestaan ervan, maar niemand heeft het ooit kunnen traceren'. Maar ik ben niet beroemd en zelfs geen schrijver. Ik ben een journalist, en een Inter-supporter, verbitterd door jarenlange successen van Milan, die andere club uit mijn stad. Wat dat voor gevoel is, wat dat betekent, ga ik u hier vertellen.
Hetzelfde heb ik gedaan in een boek dat in 2001 is verschenen met als titel No Milan (de titel en de cover bijna geheel gestolen van het veel beroemdere No Logo van Naomi Klein). Een boek dat aan de ene kant een eruptie van woede was van een gefrustreerde supporter, maar aan de andere kant een uiting van wraak én van trots, dat ik nooit fan ben geweest van een club die het symbool is geworden van het ergste dat Italië heeft voortgebracht (inderdaad, die man bedoel ik).
In het midden van het boekwerk stonden drie hoofdstukken in de vorm van een klassement, van één tot tien, zoals de hitparade: 'de tien Milanisti die ik het meest heb gehaat' (onder wie Sacchi, Baresi, Capello); 'de tien Milanisti van wie ik het meest heb gehouden' (uiteraard een kleinere keuze, met Luther Blissett, Borghi, Calloni en Giussy Farina, de voorzitter die Milan bijna aan schulden ten onder had laten gaan, en Kluivert - ook over hem kunt u in deze Hard Gras een stukje lezen); en dan was er 'de tien grootste vreugdes die Milan ons heeft bezorgd' (de degradaties, de op het laatste moment verspeelde titels, de internationale fiasco's, zoals met de lichtmasten in Marseille). Natuurlijk zou u verwachten, gezien de opzet van het boek, dat Marco van Basten op het lijstje van de tien meest gehate Milanisti voorkomt, niet alleen vanwege het grote aantal doelpunten dat hij heeft gescoord, maar vooral om de goals die hij tegen ¢ns heeft gemaakt. Ik herinner me nog een derby die door Milan gemakkelijk met 3-0 werd gewonnen, waarin Van Basten onze Ricardo Ferri voor schut zette. Ferri was al maanden aan zijn schouder geblesseerd en moest de eerste goal bijvoorbeeld toestaan omdat hij zijn schouder ontzag in het duel (na die wedstrijd besloot hij dan ook zich te laten opereren). Ik herinner me ook de kop in de Corrierre della Sera een dag later: 'Va Milan e addio Inter'. Soms vraag ik me af of ik nog wel langer voor die krant moet werken.
Marco van Basten komt dus niet in dat rijtje van de meest gehate Milanisti voor, en ik zal u straks vertellen waarom. Maar staat u mij toe dat ik eerst een korte programmatische verklaring geef in drie punten: - Dit stuk wordt in Nederland gepubliceerd, en ik beschouw het daarom als een soort hommage.
- Dit stuk wordt in het Nederlands vertaald, een taal die niemand in Italië spreekt. Hetgeen mij in staat stelt een kant van mijzelf als supporter te laten zien die ik voor mijn landgenoten graag verborgen houd. - Dit stuk wordt in Nederland gepubliceerd, een land met een sportieve cultuur die absoluut superieur is aan de Italiaanse. Niet dat er bij u geen rivaliteit bestaat( ik kan me voorstellen dat de rivaliteit tussen Ajax en Feyenoord snel kan ontaarden), maar ik geloof dat die niet dezelfde intensiteit heeft als bij ons. In ons land voel je je in de eerste plaats trots op je stad en daartegen moet de nationale identiteit het altijd afleggen (en dan bedoel ik niet Zeskamp). Daarom vermoed ik dat u, beter dan Italianen, in staat bent te begrijpen wat ik bedoel.
Ik heb Van Basten nooit gehaat, ook al heeft hij ons een hoop ellende bezorgd. Hij behoorde tot de buitencategorie spelers die zo superieur zijn dat je ze niet kunt haten. Natuurlijk heb ik hem niet toegejuicht, maar ik heb hem wel bewonderd. En ik voeg daar graag aan toe, trots op mijn inzicht als voetbalkenner, dat ik een van de eersten was.
Ik herinner me nog heel goed het debuut, eind juli 1987, in San Siro van het Milan van Sacchi en de twee Nederlanders Gullit en Van Basten, in een vriendschappelijke wedstrijd tegen een stel Roemenen. Die gelegenheid was de enige keer dat ik inbreuk heb gemaakt op een van de weinige regels die ik nooit zal overtreden: geef nooit geld uit aan Milan, geen cent. Een regel waaraan ik me ook in mijn jonge jaren heilig heb gehouden, zodat ik bij alle derby's waarin Milan de thuisspelende ploeg was, altijd mijn kaartjes bij de zwarthandelaars heb gekocht. Nu zult u zeggen dat het, vanuit ethisch standpunt, misschien beter zou zijn je geld aan Milan te geven dan aan de maffia, maar dan herinner ik u eraan dat in Italiâ tot op de dag van vandaag processen lopen waarin het onderscheid tussen die twee nou niet zo vanzelfsprekend is.
Ik ging toen naar het stadion met mijn vriend Alberto (Milanista) en ik betaalde eigenlijk graag, overtuigd als ik was dat dat nieuwe Milan één en al bluf was (en ik blijf ervan overtuigd dat zonder die mist in Belgrado). Wat mij vooral aantrok, was de Gullitmania die Italia inmiddels overspoeld had, het eerste voorproefje van de mediacampagnes die het Milan van Silvio Berlusconi begeleiden (ook nu nog). Iedereen was dus gekomen om de enorm bewierookte Gullit te zien, van wie ik hoopte dat hij zich binnen de kortste keren tot een Luther Blissett met dreadlocks zou ontwikkelen, en ik herinner me terzake nog dat ik, bij het verlaten van het stadion, zei: "De echte goeie lijkt me eigenlijk die andere, Van Basten." In Gullit heb ik me vergist, in Van Basten niet.
Het is natuurlijk voldoende om op alle goals te wijzen van Van Basten, en op de Gouden Schoenen die hij heeft gewonnen. Maar dat kan iedereen en dan vooral van die oppervlakkige supporters van Milan. Bijvoorbeeld: iedereen zal meteen refereren aan die goal van Marco waardoor Holland in 1988 Europees kampioen werd, die volley. Een fraai doelpunt, niets op aan te merken, maar ik ben er nog steeds van overtuigd dat de - met roem overladen - Russische keeper Dassajev er ook nogal schuld aan had. Denkt u er nog eens goed aan terug, beste Nederlanders, hoe lang en hoe terecht u ook heeft feestgevierd: om dat schot te stoppen, had hij alleen maar zijn arm hoeven uitsteken.
Overdrijf ik? Misschien, maar u moet proberen mij te begrijpen. Dat EK werd in Milaan gezien als de voortzetting van de Italiaanse competitie: het triomferende Nederland was niets anders dan de Europese versie van het Milan dat net kampioen was geworden (ook weer een gevolg van berlusconiaanse propaganda), en dat verklaart iets waarop ik niet bijzonder trots ben, maar je kunt het verleden niet veranderen: mijn veranderde opstelling tegenover Oranje, van meest geliefde (na Italië) tot meest gehate elftal. Was voor u en voor de Duitsers de Nederland-Duitsland van het WK '90 in Italië de revanche van de halve finale van het EK van twee jaar daarvoor, voor ons, provinciaaltjes in Milaan, was die wedstrijd een derby tussen het Inter van Brehme-Matthëus-Klinsmann en het Milan van Rijkaard-Gullit-van Basten. Ik was in het stadion en uiteraard juichte ik voor Duitsland, waar ik nu een beetje spijt van heb, maar ik zou het onder vergelijkbare omstandigheden opnieuw doen. Ook als pesterijtje aan het adres van die superieur uitbundige Hollandse supportersmassa, met de geweldige blaaskapel tegenover de stijve en voorspelbare Teutonen.
Was voor mij Milan van huis uit al geen sympathieke club, in dat jaar werd de club echt onverdraaglijk. Niet alleen omdat ze, volgens de Italiaanse massamedia, het voetbal had uitgevonden, maar ook omdat Milan werd gebruikt als smeermiddel voor publieke instemming met zijn eigenaar, die daarvan later nog veel sterker gebruik heeft gemaakt bij zijn intrede in de politiek. Misschien weet u dit niet, maar toen Milan in 1994 de Champions League-finale tegen Barcelona won, was Berlusconi net premier geworden (en helaas is het niet bij die ene keer gebleven_). Dat werd gevierd alsof ook in dit geval de titel was binnengehaald en het was tevens de aftrap van het programma 'We maken Italië net als Milan'. Hij was in het parlement gekomen (en later in de regering) na een verkiezingscampagne die werkelijk met alle regels spotte en onder het uitroepen van de meest onwaarschijnlijke leuzen. Hij maakte bijvoorbeeld de volgende weerzinwekkende opmerking tegen zijn tegenstander in de raad, de econoom, ex-minister en universitair docent Luigi Spaventa: "U moet doen zoals ik. Eerst verzamel je een groep mensen om je heen. Dan win je een paar bekers. En daarna stel je je kandidaat." Begrijpt u? Begrijpt u waarom niemand (Milanisti natuurlijk uitgezonderd) ooit zou toegeven, ook na marteling niet, dat Van Basten een superspeler was? En allemachtig, dat was hij natuurlijk wel. Ik ben bereid dat toe te geven, alleen al vanwege zijn acties in de volgende wedstrijden. De eerste herinnert niemand zich meer, hoe ongelooflijk dat ook is. Het is de tweede wedstrijd van de competitie, 13 september 1994. Milan moet naar Pescara en in de eerste 45 minuten gebeurt het onwaarschijnlijke: Milan staat achter met 4-2, Baresi maakt twee eigen doelpunten. Maar dan komt Van Basten en hij maakt binnen twee minuten (in de 37ste en 39ste) gelijk en, daarna, zeventien minuten voor het einde, scoort hij de winnende treffer: 4-5. Ik weet niet meer welke, maar wel dat één van die drie goals legendarisch was. Hij staat in het strafschopgebied, aan de linkerkant, en er komt een voorzet van rechts. Op dat moment doet hij een van de mooiste dingen die ik ooit in een voetbalwedstrijd heb gezien: met buitenkant links aait hij de bal om hem te stoppen, op een manier die ik nooit meer vergeet, een van die dingen die je eens zou moeten laten zien aan al die mensen die lachen als ik beweer dat voetbal kunst is (sterker nog, Peter Handke heeft eens gezegd dat voor de minder gefortuneerden voetbal de enige manier is om in contact te komen met esthetica). Nou goed, door die aanname met links valt de bal onmiddellijk in een diepe slaap, precies op de plek die de rechtervoet nodig heeft om hem in te schieten. Fantastisch.
De andere keer was bij de finale om de wereldbeker tegen de Paraguayaanse pechvogels van Olimpia di Asunci¢n. In die wedstrijd, in Tokio, vond ik Van Basten niet alleen geweldig, maar zelfs sympathiek. Milan won met 3-0, en hij deed er alles aan om te scoren, maar in de uitslag komt hij niet voor. Wie wel profiteerden van zijn juweeltjes (waaronder een meesterlijk balletje langs de uitgelopen keeper dat op de paal eindigde), waren Rijkaard (wie geheugenverlies had, had toen kunnen denken dat hij de echte gangmaker was) met twee doelpunten en Stroppa, een jonge middenvelder met uiterst geföhnde haren, die een ander schot van Van Basten oppikte dat op de paal was beland.
Na die wedstrijd begreep iedereen, Milanista of niet, waarom Van Basten de zwaan uit Utrecht werd genoemd (hoewel hij mij meer aan een reiger deed denken: eleganter, maar ook hoger op de poten dan een zwaan). Op een gegeven moment wilde ik ook een (heel klein) hoofdstuk voor No Milan schrijven met als titel 'De tien meest gerespecteerde Milanisti'. Dat was eigenlijk als grap bedoeld. Want dan zou ik alleen iets schrijven over Van Basten, met als uitleg dat het onmogelijk was om tot tien te komen. Vervolgens deed ik dat toch maar weer niet. Omdat ik de anti-Milanstrekking van het boek voor de buitenwacht ook weer niet wilde overdrijven, maar toch vooral omdat ik het niet de gelegenheid vond ook maar enige concessie te doen aan die club, en vooral zijn bestuur. Ik besloot daarom een mini-hoofdstuk te wijden aan een werkelijk respectabele Milanista - alleen ging het dan niet om Van Basten, maar om Brian Laudrup. Want hij was het die in 1994, tijdens de schandelijke verkiezingscampagne waarbij alle berlusconiaanse t.v-stations aan onfatsoenlijke propaganda deden (met quizshow-presentatoren die ongegeneerde stemverklaringen afgaven), simpelweg zei: "Het is niet correct sport en politiek met elkaar te verbinden, zoals Berlusconi doet." En wat denkt u? Aan het eind van het seizoen kreeg hij een transfer.
Maar weet u wat het meest trieste is? Dat ik er goed aan heb gedaan Van Basten toch niet helemaal te vertrouwen. Dat begreep ik op een avond in december 1999, toen ik op televisie zat te kijken naar een Berlusconi-kanaal (ik geloof Rai 1), waar het feest van honderd jaar Milan werd gevierd (ja, in Italië doen ze dat soort dingen). Ik zal u niet vermoeien met het stuitend serviele gedrag van Berlusconi's werknemers, die mochten vertellen over alle overwinningen in die periode; of over het gigantische portret boven het podium met daarbij de woorden 'de president van de records'; of over de acht minuten lange monoloog van Berlusconi (weet u hoe lang dat is en wat dat kost, acht minuten zendtijd?), waarin hij uitlegde dat elke overwinning van Milan 'een overwinning van het goede' was. Dat zijn zaken waarvan u gelukkig niet zo veel last hebt. Maar het is belangrijk dat u over de aanwezigheid van Van Basten het volgende weet: het was een van de treurigste bijdragen van de avond. Een ex-kampioen die in moeizaam Italiaans een paar duidelijk uit het hoofd geleerde zinnetjes brabbelde. Je begreep er niets van, behalve vier woorden: Silvio, Berlusconi, grandissimo, presidente. Wat een akelige vertoning. Daarom dus heb ik helemaal geen spijt dat ik Marco nooit de eer heb betuigd waar hij recht op had.
Aan de andere kant is de volgende kleine en zeer persoonlijke geschiedenis wel weer in zijn voordeel. U moet daarvoor weten dat ik in 1987 begon met werken voor de Corriere della Sera. In die jaren werkte daar op de kunstredactie Giulio Nascimbene, een beroemde kunstcriticus en literair journalist, die ook de allergrootste fan van Milan was. Ik was heel verlegen nog in die tijd en Giulio was een van de weinigen die ik met u aansprak, uit respect voor zijn werk en zijn roem. Maar weet u hoe hij mij noemde? Van Basten! Want hij zei dat ik precies op hem leek - ook al noemde een Egyptisch kind, in de buurt van het huis van mijn toenmalige verloofde, mij weer Lothar, omdat ik volgens hem op MatthÑus leek, nogal afwijkend van het normale beeld van de Italiaan als een dwerg met een snor. Giulio en ik zijn al jaren vrienden, heel lang ben ik eindredacteur geweest van zijn rubriek in het supplement waar voor ik werkte. Maar ik moet hem nog steeds iets vragen: heeft hij al die jaren ooit maar bij benadering geweten hoe ik werkelijk heette? Ik vermoed van niet. En u begrijpt ook wel dat het leven niet meevalt, als je op je werk bekend staat als Milan-hater en je daarnaast Van Basten wordt genoemd. Dus als je er goed over nadenkt, zou een hommage aan Van Basten werkelijk te veel gevraagd geweest zijn voor mijn boek. Daarom verzoek ik u de strekking van dit verhaaltje maar liever voor u te houden.
Lees het hele verhaal in Hard Gras 34!