Arthur van den Boogaard
Bal der geweigerden. (Een nooit geschreven jongensboek)
"De Mosveldbaby's, dat was in mijn jeugd. Ik speelde toentertijd midvoor bij de Rivalen, een kleine club uit Amsterdam-West, maar op mijn 12de verhuisde ik naar Amsterdam-Noord. Ik kwam bij de familie Schoenmaker in huis terecht, die woonde aan het Mosveld. Toch werd ik geen lid van De Volewijckers, maar van Rood Wit A, omdat meneer Schoenmaker bij die club jeugdsecretaris was. Ik ging wel vaak kijken naar De Volewijckers, dan glipten ik bij het tweede veld naar binnen. Naar de wedstrijd tegen Elinkwijk in Zuilen ben ik nog mee gereden met een van de vele bussen vol supporters. Wat een wedstrijd was dat, eerst de diepe teleurstelling van een 3-0, en een 4-1 achterstand. Maar uiteindelijk de complete euforie, toen ze toch nog gelijk maakten. Op het einde speelden ze alles of niks en kregen alles. Van die tijd herinner ik mij vooral nog dat ik veel voetbalde op straat. Als de markt er niet was, speelden we op het Mosplein en anders op een stukje gras op het Gentiaanplein. Ook ging ik wel kijken naar de trainingen van het eerste elftal van De Volewijckers. Maar verder was er niet veel contact met de club. Mijn vriendjes op straat speelden allemaal bij kleinere amateur-verenigingen. Toen ik wat ouder werd en merkte dat ik talent had, wilde ik echter een stapje hogerop. In die tijd had je bij De Volewijckers nog betaalde jeugd, dus toen ik 16 jaar was ben ik daar gaan praten. Het probleem was dat een overgang van Rood Wit A naar De Volewijckers emotioneel heel lastig lag, omdat ik bij Schoenmaker in huis woonde. Hoewel ik eigenlijk al had toegezegd om bij De Volewijckers te gaan voetballen, heb ik dat uiteindelijk toch niet gedaan. Achteraf misschien maar goed ook, want een jaar later kreeg ik een jeugdcontract bij Ajax." (83-voudig international Ruud Krol vertelt in 2003 over zijn bijna-lidmaatschap van De Volewijckers in 1965.)
"De Volewijckers was van jongs af aan eigenlijk mijn club. Natuurlijk, op mijn elfde was ik lid van Ajax geworden en ik heb daar ook mijn hele jeugd gespeeld, maar op de zondagen gingen we vaak met het gehele gezin langs bij mijn opoe en omoe, die in de Latherusstraat in Amsterdam-Noord woonden. Dat was vlak bij het Mosveld, dus als het effe kon ging ik daar kijken. In 1957 was ik negentien en speelde ik in het tweede elftal van Ajax. Dat ging best aardig, maar toch boden ze me geen contract aan. Toen Dirk de Ruiter senior dat hoorde, vroeg hij of ik niet bij De Volewijckers wilde komen. Dat leek mij wel wat en toen ben ik gaan praten met het bestuur; Gerben Wagenaar zat daar toen nog. Ik was in die tijd vrij brutaal, dus toen ze mij een contract aanboden, zei ik dat ik ook nog duizend gulden onder de tafel wilde hebben. Ze keken wel even moeilijk en ik heb toen op de gang moeten wachten op de beslissing, maar uiteindelijk gingen ze akkoord. Maar toen ik een week met De Volewijckers had meegetraind, kwam Ajax weer bij mij langs. Bennie, zeiden ze, wat heb je nu gedaan. Zij wilden mij namelijk ook een contract aanbieden. Ik dacht, dat kan niet meer. Maar bij Ajax zeiden ze dat als ik tekende, dan regelde iemand van het bestuur het wel met De Volewijckers. Ik heb toen mijn handtekening gezet, waardoor ik twee contracten had. De Volewijckers hield mij echter aan het eerste contract, dus toen is er een arbitragezaak geweest bij de KNVB. Daar werd besloten dat beide contracten ongeldig waren, omdat mijn vader had moeten tekenen. Ik was toen vrij om te kiezen en hoewel ik me wel schaamde tegenover De Volewijckers koos ik voor Ajax. Die duizend gulden had ik nog niet ontvangen, dus daar is verder nooit meer over gesproken." (43-voudig international Bennie Muller vertelt in 2003 over de arbitragezaak in 1957 die ervoor zorgde dat hij uiteindelijk toch geen lid van De Volewijckers werd.)
"In de jaren vijftig deden slechts twee Amsterdamse clubs structureel aan opleiding van jeugd: Ajax en De Volewijckers. Wij waren concurrenten. Met Bennie Muller hebben we de problemen met de arbitragezaak gehad. Maar ook Sjaak Swart, mister Ajax himself, heeft nog wel eens bij De Volewijckers meegetraind. Zover waren we toen al." (Evert Teunissen, ontdekker en trainer van de Mosveldbaby's vertelt in 2003 over de jeugdscouting van De Volewijckers.)
Aan de andere kant van de sloot had een meisje gezeten. Voor de schoolvoetbalwedstrijd op het bijveld naast de sloot, had ze geen oog gehad. Ze plukte bloemen, heel onopvallend. Als Het Parool die middag geen oplettende verslaggever naar het oude AFC-terrein aan de Zuidelijke Wandelweg in de Amsterdamse Rivierenbuurt had gestuurd, had ook nooit iemand meer over haar gesproken. Maar die oplettende verslaggever was er wel.
In het verslag van de Amsterdamse schoolvoetbalfinales in de krant van 16 mei 1955 vervulde het meisje voor hem de hoofdrol. Hij schreef dat zij dromerig was geweest, dat zij bloemen plukte en dat zij tot twee keer toe een cruciale rol in de voortgang van de wedstrijd op het bijveld tussen de Vijfde Technische School en De Bazel had gespeeld. Ook schreef hij dat zij 'beide malen de aan haar zijde neergekomen bal in het water wierp'. Dankzij het meisje aan de waterkant eindigde de finale precies 25 minuten te laat. Daarom begint dit verhaal ook met haar.
Het verhaal zal verder gaan over drie jongens: Robbie, Jopie en Rinus, die ten tijde van de opkomst van Mosveldbaby's opgroeiden in Amsterdam-Noord. Robbie in Oostzaan, Jopie in tuindorp Buiksloot - beter bekend als het Blauwe Zand - en Rinus bracht zijn jeugd door in de Ribesstraat, nog geen honderd meter bij het Mosveld vandaan. Kenners weten nu waarschijnlijk al meer, maar daar zijn het ook kenners voor. Voor al die anderen is het voldoende te weten dat alles wat volgt, net zo waar is gebeurd, als het meisje dat aan de waterkant zat. En ook dat de drie jongens één grote liefde deelden: voetballen. Waarom nu al meer verklappen?
Beter is terug te keren naar het meisje aan de waterkant. Jammer genoeg vermeldt het kranteartikel niet haar naam. De die middag aanwezige Mosveldbaby's Henk Ellens en Piet Boogaard kunnen zich haar, bijna vijftig jaar later, zelfs helemaal niet meer herinneren. - En als ze mooi was geweest, had ik haar echt wel onthouden, riep Ellens enthousiast door de telefoon toen hij van het voorval met de ballen in de sloot hoorde. - De wedstrijd zelf vergeten ze echter hun leven lang niet meer.
Die finale in de leeftijdsgroep 15- en 16-jarigen was een Noordamsterdams onderonsje geweest. Bij De Bazel-school van de Havikslaan had Volewijcker Frits Kick meegespeeld en verder verschillende spelers van DWV. Ook het team van de Vijfde Technische School van de Meeuwenlaan bestond grotendeels uit jongens uit Noord, met Volewijcker Ellens en vooral de bij Schellingwoude spelende Boogaard als de grote uitblinkers. Zij hadden de finale gewonnen. De precieze uitslag is ze ontschoten, maar dat Boogaard had gescoord was wel zeker. Dat deed hij toentertijd immers elke wedstrijd. Piet Boogaard was op zaterdag 14 mei 1955 - het verslag stond pas twee dagen later in de krant - zoveel beter geweest dan alle anderen, dat de scout van De Volewijckers zijn naam met koeieletters in zijn notitieboekje had geschreven. Een ding wist die scout zeker; het volgende seizoen speelde dat jochie met dat harde schot in het juniorenelftal van De Volewijckers.
Boogaard had niet alleen indruk gemaakt op de scout van De Volewijckers. Ook de vader van Jopie was die dag naar de schoolvoetbalfinales gaan kijken. Dat deed hij wel vaker. Als stratenmaker en hoofd van een gezin van zestien kinderen vond hij ontspanning bij voetbal, vooral bij jeugdwedstrijden. Thuis aan de Waddenweg 37 vertelde hij die avond tijdens de maaltijd aan zijn gezin over de finales. "Jongens, vanmiddag zag vader een voetballer, echt ongelofelijk, zo goed. Pietje Boogaard heet-ie. Dat joch kon zo hard schieten en maakte zulke mooie doelpunten, die wordt later vast en zeker een grote ster."
Jopie luisterde aandachtig. Tjonge, zo enthousiast had hij zijn vader alleen gezien tijdens discussies over politiek. Zij waren rood en aan het einde van de straat, vlakbij het DWV-terrein aan de Leeuwarderweg, woonden de Roomsen, dat had hij wel begrepen. Maar wat dat precies betekende wist Jopie niet. Van voetbal begreep hij echter alles en als zijn vader zo onder de indruk was van een jonge speler, dan moest die Boogaard wel echt goed zijn.
Jammer dat hij niet meer in het Noord-Amsterdamse team speelde, dacht Jopie. Toen hij nog op de IJselmonde school op de Hoekschewaardweg zat was hij daarvoor gevraagd, door meester Hooftman van de Azaleaschool, die elk jaar het voetbaltoernooi organiseerde tussen alle scholen in Noord. Samen met Dirkie de Ruiter, Henkie Looyen en nog wat jongens van de overkant van het kanaal, hadden ze een beresterk team gehad. Menig ander stadselftal was verslagen. Een machtige tijd was dat, maar met zijn vijftien jaar was Jopie daar nu te oud voor. Jammer, want iemand uit dat elftal had vast en zeker wel eens van die Boogaard gehoord.
Misschien moest hij zijn neef Rinus daar eens over vragen. Die woonde bij de jongens van Volewijck in de buurt en voetbalde wel eens met hen in het Florapark. Laatst nog, tijdens de dansles bij Jopie's oudere broer Piet op de dansschool aan de Laanweg, had Rinus verteld hoe ze met een groepje over de hekken bij het Energia-terrein waren geklommen en heerlijk hadden gevoetbald op de grote goals. Morgen speelde De Volewijckers thuis tegen RBC, misschien had Rinus wel zin om te gaan kijken. Ja, dat ging Jopie doen, morgen op de staantribune op Mosveld zou hij zijn neef alles vertellen. Rinus was die zondag vroeg op. Zijn moeder had ontbijt gemaakt, voor hem en zijn twee zussen en daarna was hij met vriendjes voor de deur van zijn huis op Ribesstraat 7 gaan voetballen. Ze hadden 'doorrossen' gedaan; een spel waarbij de bal op put lag met aan weerskanten, op zo'n tien meter afstand, twee spelers. Als iemand een teken gaf, moest je keihard sprinten en wie het eerste bij de put was, kon de bal hard wegschieten. Het geheim lag opgesloten in de naam: niet bang zijn, gewoon doorrossen. Rinus was daar goed in. Tenminste, in elk geval beter dan veldvoetbal.
Dat hij als 13-jarige al in het hoogste B-juniorenelftal van DWV speelde was natuurlijk best goed, maar het irriteerde Rinus dat hij te weinig kracht had voor een lange bal. Als iemand vrij stond, lukte het al pingelend wel die medespeler te bereiken. Maar liever zou Rinus passes over dertig meter geven. Misschien moest hij weer eens gaan trainen op boksschool De Ring aan de Meeuwenlaan, zoals vorig jaar toen een ontsteking aan zijn heup voetballen onmogelijk maakte. Daar zou hij sterker van worden en dan kon hij tegelijkertijd iets aan dat rare loopje doen. Sinds de problemen met zijn heup liep hij een beetje waggelend met de kont naar achteren.
"Wil je wat eten, jongen?" Rinus zat aan tafel bij zijn oma in de Binnenhofstraat. Ze woonde in de buurt die bekend stond als de Rimboe en waar veel mensen uit Noord op neerkeken, maar Rinus begreep dat niet. Hij vond het juist altijd reuze gezellig bij zijn oma. "Ja, lekker," zei Rinus en dacht terug aan de tijd van zijn heupblessure.
Hij was toen weinig op het DWV-terrein geweest, had zelfs geen zin om naar wedstrijden van het eerste elftal te gaan. Zo had hij ook de beruchte 'wedstrijd der rugnummers' gemist. Zijn neef Jopie was er wel geweest en had later uitvoerig verteld over het duel tussen de A-junioren van DWV en De Volewijckers. Zij van het Mosveld waren in 1954 toegetreden tot het betaalde voetbal, het bestuur van DWV had besloten amateur te blijven. Als protest hadden de jongeren van DWV speciaal voor die wedstrijd door hun vriendinnen rugnummers - hét symbool van profvoetbal in die tijd - op de shirts laten naaien. In de rust waren de rugnummers op last van het bestuur verwijderd. Iedereen bij DWV sprak er schande van. Rinus had het alleen maar raar gevonden, maar Jopie vond het machtig. Profvoetballer worden, had-ie gezegd, dat was toch het mooiste dat er was.
Okay, genoeg over Jopie en Rinus, het is de hoogste tijd voor de introductie van Robbie. In 1955 woonde de toen achtjarige Robbie - enigst kind uit het tweede huwelijk van zijn ouders - nog in de Van Bossestraat in de Amsterdamse wijk Westerpark. Samen met een halfbroer en halfzus uit het eerste huwelijk van zijn moeder vormden ze een hecht gezin. Het merendeel van de tijd was hij op de Van Bosseschool te vinden. Zat Robbie niet in de klas, dan was hij op het schoolplein aan het voetballen. Soms waren er oudere jongens uit de buurt om een partijtje mee te spelen, maar meestal voetbalde Robbie alleen. Beetje hooghouden, of met een bal tegen de muur trappen en soms ging hij op straat stoepranden. De truc was de bal met een boogje precies op de rand van de stoep te mikken, zodat-ie vanzelf terugkwam. Lastig, maar belangrijk: op straat leerden voetballers techniek, dat wist iedereen. Veel later zou iemand Robbie vertellen dat Cees Kick, de beroemde voetballer van De Volewijckers, DWS/A en NEC bij hem in de straat had gewoond en vaak uit het raam keek als hij op het schoolplein met een bal tegen een muurtje aantrapte. Maar dat was pas later. In die jaren wist Robbie niet beter of hij was helemaal alleen zijn techniek aan het bijschaven. Helemaal alleen, op dat grote schoolplein, maar nooit eenzaam. Daarvoor was zijn bal - meestal zo'n oranje van plastic, soms een rooie - een te grote en te trouwe vriend.
Hoe trouw, bleek toen het gehele gezin in de zomer van 1957 verhuisde naar de Jacob Honigstraat in Oostzaan. Dankzij het werk van zijn vader - hij was classificeerder bij de NDSM - kon een van de huizen worden betrokken in de nieuwe, door de NDSM gebouwde woonwijk. Het was prachtig wonen zo dichtbij de polder, maar Robbie vond het aanvankelijk maar niks. Hij miste zijn schoolplein, de vertrouwde stoepranden, hij miste zelfs de jongens uit de buurt waarmee hij partijtjes had gespeeld. Die eerste weken op de Christelijke school aan de Zuideinde hadden zijn klasgenoten Robbie ook volledig genegeerd. Pas met het voetbaltoernooi tegen de andere drie scholen uit Oostzaan kregen ze oog voor dat rare joch uit de stad. Praten vond hij maar moeilijk, maar met een bal aan zijn voet legde Robbie makkelijk contact.
Inmiddels was rondom het Mosveld iets moois aan het ontstaan. - Dit is overigens een geschikt moment om een van de andere verhalen in deze editie van Hard Gras te gaan lezen, maar u kunt natuurlijk ook dit verhaal blijven volgen. -
Lees het hele verhaal in Hard gras 35!