Zeger van Herwaarden
Maradona in de schaduw van de dood
Maradona. Zijn naam zingt rond in de lege huiskamer van ons nieuwe dijkhuis in Krimpen aan den IJssel. Mijn vader blijft sceptisch, klusjesman Henk is vol lof. België wordt vernederd, vast en zeker, en hij dicht het plafond. 0-0 voorspelt mijn vader en misschien wel een echte verrassing. Mijn moeder geeft Henk een kop koffie. Zijn lach buldert. De deuren naar de rivier staan open. "Mijnheer Van Kranen, ik vind u een aardige man, maar het wordt vanavond minstens 4-0.''
Ik houd mijn nieuwe bal, gekregen als cadeau voor de verhuizing, onder mijn arm geklemd, en luister. Ik ben op de hand van Henk. Sinds enige weken heb ik een abonnement op Voetbal International. Ik spel alles en had gelezen dat Maradona er eigenlijk in 1978 al bij had moeten zijn. Boven het bed in mijn kamer volleert het wonderkind in vogelvlucht met links. Maradona wordt een sensatie, kopt VI.
Ik meng me in de discussie en steek mijn passie voor Diego Armando niet onder stoelen of banken. "Maradona gaat scoren,'' onderbreek ik mijn vaders betoog over de stugge defensie der Belgen en de strakke teamorganisatie onder bondscoach Guy Thijs. Mijn vader begrijpt best dat ik me verheug op mijn eerste grote toernooi, maar maant me tot kalmte. "Joris, niet zo verbeten, anders vanavond geen wedstrijd.''
Soms gaat mijn voetbalmanie mijn vader te ver, al heeft hij dat fanatisme, door mij vaak mee te nemen naar Het Kasteel, zelf aangewakkerd. Wanneer wij op zondagmiddag naar Sparta gaan, neemt mijn moeder mijn broertje mee naar de bioscoop. Terwijl ik Wout Holverda met mijn twaalf jaar zijn doelpuntjes zie meepikken, is mijn broertje op negenjarige leeftijd getuige van de gruwelen van Novecento.
Ik kijk zwaar verongelijkt door de reprimande van mijn vader over de rivier naar de aangemeerde boten. Onze buren hebben een schippersbedrijf. Vanwege de verhuizing gaan we deze zomer niet naar Italië, maar het water maakt veel goed. Bij lekker weer, en dat is het al sinds we in mei verhuisden, duiken we in de IJssel. Mijn moeder trekt banen langs de steiger. Mijn broertje Johan en ik duiken en springen in het water tot etenstijd. Bij de rivier hebben we vorige week een jongen uit onze nieuwe buurt ontmoet: Jaap, een schipperskind, die beneden aan de dijk woont. Hij zit qua leeftijd tussen Johan en mij in. We hebben ook met hem gevoetbald. Jaap is snel en heeft een goede voorzet, maar zit niet op voetbal. Hij korfbalt, een voor mij onvoorstelbare keuze. Zijn vader vaart voor De Broedertrouw, zo heet het bedrijf van de buren. Jaap kan heel lang onder water blijven. Hij is enig kind.
Johan zei gisteren 'godverdomme' toen hij uitgleed op de steiger. "Je mag niet vloeken,'' zei Jaap meteen. "Waarom niet?'' vroeg ik. Je mag Gods naam niet misbruiken, was zijn antwoord. Johan begreep niet helemaal wat hij zei, maar de ernst in zijn stem was des te duidelijker: vloeken mocht niet. Mijn moeder legde die avond aan tafel uit dat de mensen in de buurt heel gelovig zijn. "Het zijn christenen," voegde mijn vader eraan toe.
"Ze geloven in God,'' besloot mijn moeder.
"Net als in Italië,'' merkte ik op.
"Ja , maar dan anders,'' lachte mijn vader. "Hier in de buurt zijn ze zwaar protestant, gereformeerd heet dat, niet katholiek. Het is veel strenger. Je mag bijvoorbeeld geen verhalen uit de bijbel afbeelden, zoals we in Italiaanse kerken altijd zien.'' Direct vraagtekens bij Johan en mij: waren hun kerken dan leeg? Geen fresco's? Geen altaren? Geen mozaïeken?
Op een kruis, wat banken en een orgel na helemaal leeg, verzekerde mijn vader ons. "Kale muren.'' "Maar dan komt er nooit iemand kijken,'' zei Johan. "Dat is ook niet de bedoeling,'' legde mijn moeder uit. "En is de dood voor hen net als voor de katholieken niet het einde?'' vroeg ik. Ik was gefascineerd door de dood. Vooral de hemel boeide mij. Afbeeldingen in kerken en musea gaven onvoldoende uitsluitsel. Ik kon geen vinger achter het mysterie krijgen. Italiaanse vriendjes sloegen als we de begraafplaats van San Miniato in Poggio passeerden altijd een kruisje. Daarna keken ze naar boven. "Zij geloven ook in een hiernamaals,'' antwoordde mijn moeder. Johan en ik vonden dat we in een rare buurt terecht waren gekomen met mensen die naar lege kerken gingen. Tijdens de maaltijd zei mijn broertje dat hij toch wel eens een protestantse kerk van binnen wilde zien. Ook ik was nieuwsgierig naar de leegte van Jaap.
Een Broedertrouw meert aan. Touwen worden aan de steiger bevestigd. Geschreeuw vanaf de kant, gebrul van motoren. Dit alles overgoten door de junizon. Henk neemt een laatste slok, maakt aanstalten te vertrekken, maar ploft terug in de stoel. "Let maar goed op die kleine vanavond, mijnheer van Kranen. Die gaat de Belgen gek spelen.'' Ik lach met hem mee. "We zullen zien,'' bromt mijn vader en laat Henk uit. Ik staar over het water. Vanavond zie ik mijn eerste WK-wedstrijd.
Van de EK in 1980 staat me alleen nog de avond van de finale Duitsland-België voor de geest. We keken bij goede vrienden van mijn ouders. Johan was boven te slapen gelegd. Ik kan me de reacties op de gelijkmaker van de Belgen nog wel herinneren. Oom Kees balde zijn vuist en schreeuwde dat de Belgen nu door moesten gaan. "Afmaken, die moffen.'' Mijn vader zei dat het niet moffen, maar gewoon Duitsers waren. "Voor mij blijven het moffen, Karel,'' riep oom Kees uit.
Zijn zoon Han gaf me een knipoog. Hij was getooid in een vaaloranje Adidas shirt, uit de dagen dat Nederland nog meedeed. Hij waarschuwde ernstig voor de veerkracht van de Duitsers. En kreeg gelijk. Terwijl mijn vader mijn moeders hand bij een diepe bal van spelmaker Bernd Schuster fijnkneep, knikte Het Beest Horst Hrubesch de daarop volgende voorzet keihard tegen de touwen. Juichende Duitsers, verslagenheid bij oom Kees. Zo kort voor tijd, dat zou België nooit meer goedmaken. Ik ging even later naast Johan liggen, en de grote mensen discussiëerden tot diep in de nacht door.
Ook al deed Oranje dit keer niet mee, toch had ik van de WK-koorts de vorige nacht nauwelijks geslapen. Ook dacht ik in bed na over het protestantse geloof en de dood. Mijn vader vertelde voor het slapen gaan dat ze zondags niets mochten doen, behalve naar hun sobere kerk gaan en in de bijbel lezen. Geen tv op zondag. Niet zwemmen op zondag, ook al is het schitterend weer. Niet naar Sparta. Geen Studio Sport, zelfs als ze korfbal lieten zien. Korfbal, hoe verzin je het, als je zo goed kunt voetballen als Jaap?!
Terwijl ik begon te duizelen van alle beperkingen, hoorde ik jongens voetballen. Ik kon vanuit mijn slaapkamerraam het benedendijkse veldje zien liggen. De voetballers waren ouder dan ik, sommigen misschien wel vijftien. Ze zaten vast allemaal al op de middelbare school, een instituut dat mij bleef intrigeren. Na de zomervakantie ging ik erheen. Gemengde gevoelens. Mijn moeder gaf les aan leerlingen op de havo en het vwo. Ik wist er alles van.
Ik kon de jongens op den duur nauwelijks meer onderscheiden, zo schimmig werden hun gestaltes. Totdat ze bijna opgingen in de duisternis. De spelers pakten hun fietsen. Schreeuwend werden ze opgeslokt door de nacht en verdwenen de uitgestrekte polders in. Ik zou wel een keer mee willen spelen, maar daar was ik vast te jong voor. Ik pakte de nieuwe VI en nam de selecties voor de zoveelste keer door. Ik kon de namen dromen.
De melancholieke oogopslag van Michel Platini, die Oranje in november geveld had. Krol en Van Breukelen versteend op de doellijn, terwijl zijn vrije trap in het Parc des Princes de bodem onder mijn hoop wegsloeg. Nog in tranen zag ik hoe linkspoot Didier Six Nederland de genadeslag toebracht. Alain Giresse en Jean Tigana, lichtvoetige middenvelders, klein maar technisch perfect, waren zelfs de teruggekeerde Neeskens te veel. Ik bladerde verder.
Norman Whiteside, zeventien jaar, aanvaller van Manchester United en Noord-Ierland. Ik rekende, vechtend tegen de slaap, uit dat ik op het WK van 1986 als jongste in zijn voetsporen kon treden. Ik sloeg mijn lievelingspagina open: de selectie van Argentinië, volgens VI de oude en nieuwe wereldkampioen. De ongenaakbare Daniel Passarella, de dribbelaar Osvaldo Ardiles, de lepe Ramon Diaz en natuurlijk Diego Armando Maradona, eenentwintig jaar oud en door VI getipt als de ster van het WK. Ik las: Speler van een andere planeet. Slaapdronken wenste ik dat 1990 mijn toernooi zou worden. Ik sliep in met een vol Kasteel op mijn netvlies.
Lees het hele verhaal verder in Hard Gras 37!