Raùl
Wordt Raùl onsterfelijk?
Hij is de vroegrijpe en onbetwiste aanvoerder van de ploeg met de meeste titels van de wereld, Real Madrid. Met z'n 26 jaar is hij de (nog actieve) speler die de meeste doelpunten in de Champions League heeft gescoord. Hij heeft een waterval aan andere records waarnaar de rest van de voetballers van de planeet zou smachten, maar is Raúl, de koninklijke nummer zeven, onsterfelijk? Of anders gezegd: is hij al toegetreden tot de categorie van onbetwiste nummers één als Di Stefano, Maradona, Pelé, Cruijff, Beckenbauer, Platini, Van Basten, Puskas, Zamora, Yashin, Eusebio, Baresi of Gento? Ik ben er niet zeker van.
Die twijfel pijnigt me, want ik ben een bekeerde, dus hartstochtelijke supporter van Real Madrid sinds ik meer dan veertig jaar geleden, verblind door een perfecte bekervertoning van het Real van Di Stéfano op een mooie voorjaarsavond in Alicante, als Paulus van het paard viel. Beter spelen dan dat elftal was onmogelijk. Daar zag ik het witte licht en dat is sindsdien niet meer gedoofd.
Daarom ook bewonder ik de ster van Real, Raúl. Ik zie in de jonge spits de symbiose van wat alle grote spelers van deze club hebben gehad, oftewel aangeboren klasse met een behoorlijke dosis van moed en eergevoel. Bovendien heeft hij me enkele van de grootste momenten van vreugde uit mijn gevorderde volwassenheid gegeven. Ik zal er, concreet, één noemen, dat ik beleefde tijdens de Þnale van de wereldbeker in 1998 in Tokio tegen Vasco da Gama. Het was ochtend in Europa toen de wedstrijd rechtstreeks werd uitgezonden. In mijn gevecht met de tijd was ik gedwongen het duel tussen opeengehoopte mensen in een drukbezocht café in Madrid te aanschouwen.
Staand, leunend op de bar en proberend de rook en de hoofden voor me weg te wuiven, zag ik het Real-jochie, laat in de nog onbesliste wedstrijd, in de lucht op magische wijze een verre pass van Seedorf opvangen om daarna, opstomend naar het doel, twee superieure, diepe kapbewegingen te maken, van buiten naar binnen, tegenover evenveel Braziliaanse verdedigers. "Schiet... schiet alsjeblieft, om Gods wil," þuisterde ik koortsachtig toen hij de eerste schijnbeweging voltooide. Maar het jong, vol inspiratie, verlengde de spanning en mijn smachten. Hij liet de tweede verdediger zitten en even later legde hij de bal voor zijn rechtervoet, zijn slechte, en schoot hem in het net. Het café ontplofte, gelach, vochtige ogen, omhelzingen van onbekenden...
Het doelpunt, dat een langverwachte titel betekende, bracht de tranen in mijn ogen. En niet alleen om wat het betekende, een wereldbeker voor clubs; en nog minder omdat het van onberispelijke makelij was, maar omdat het me in één klap dertig jaar jonger maakte. Net als de Madeleine, het koekje van Proust, brachten de capriolen en het doelpunt mij terug naar mijn zoete jeugd, naar die middagen waarop het Real Madrid van de vijf Europa Cups onstuitbaar over de velden van het continent galoppeerde om trofeeën te verzamelen. In één klap bracht Raúl mij de smaak van de hakballetjes van de eeuwig onsterfelijke Di Stefano in herinnering, de sprints van Gento, de kanonskogels van Puskas, de symfonie van dat onvergelijkbare orkest dat Real eind jaren vijftig was. Van de aaneengeregen successen.
Raúl heeft een bliksemcarrière gemaakt in een stadion en bij een club waar niemand iets cadeau wordt gedaan. Hij heeft triomfen gevierd in de kathedraal van het Santiago Bernabéu voor de ogen van de meest kritische aanhang van Europa en in een ploeg waar gewoonlijk het niet halen van een Þnale van welke competitie dan ook als een teleurstelling wordt beschouwd. Hij stormde het elftal en de kleedkamer binnen op de ongelooþijke leeftijd van zeventien jaar, aan de hand van zijn Pygmalion, de WK-deelnemer en latere trainer Jorge Valdano. Het lot had tactvol voor Raúl een debuut gereserveerd in de derby Real Madrid-Atlético Madrid (de club waar hij was opgeleid) en de jongeling liet zich niet intimideren. Hij viel niet uit de toon en maakte, uit een pass van Laudrup die hij in de lucht oppikte, in de kruising een doelpunt van een grote plastische schoonheid. De aanhang gaf zich aan hem over. Love at Þrst sight, een spontane liefde. Een melkmuil, in de buitenwijken van Madrid geboren, die zich tegenover de rivaal waar hij vandaan kwam met een elegant, beslissend en moordend optreden presenteerde. Het lot was vrijgevig geweest.
Lees het hele verhaal in Hard Gras 38!