Michel van Egmond
Feyenoord houdt van Kiprich en Gyan
In feyenoords donkerste naoorlogse periode arriveer de in De Kuip een voetballer met de uitstraling van een om gewaaid tuinhekje. Zes jaar later huilden volwassen Rotterdamse mannen om zijn vertrek.
Hoe kan dat?
De eerste Nederlandse woorden die József Kiprich spreekt, zijn 'Dikke tieten', 'Hiele grote bek' en 'Lokhoff dikke drol'. Zijn kamergenoot Piet Keur heeft hem die tijdens Feyenoords trainingskamp in Saoedi-Arabië geleerd.
Het is de zomer van 1989. József Kiprich heeft het Hongaarse platteland verlaten voor Rotterdam. Hij was duur, maar zijn staat van dienst rechtvaardigt volgens het bestuur van Feyenoord zijn komst. De Hongaar zal de ongehoorde transfersom van 1,3 miljoen gulden in doelpunten gaan terugbetalen.
Kiprich is dan al veelvoudig international. Hij speelde met Hongarije op het WK in Mexico en had twee jaar daarvoor in De Kuip al een aandeel gehad in de imponerende 1-2 zege op Oranje. In de Nederlandse kranten wordt de komst van een van de beste spitsen van Hongarije aangekondigd.
Eenmaal gearriveerd in Rotterdam is het allemaal maar moeilijk te geloven. József Kiprich lijkt niet eens op een voetballer. Zijn figuur vertoont althans geen enkel spoor van regelmatige inspanning. Met zijn vlassnorretje en lange slierthaar ziet hij eruit als een Haagse glazenwasser.
De voetballer Kiprich blijkt in eerste instantie een speler die uit voorzorg graag uitrust vóórdat de vermoeidheid intreedt. In zijn allereerste wedstrijd, thuis tegen Fortuna Sittard, zien de Feyenoord-fans hem één keer voluit sprinten. Dat is als op Vak S een gefrustreerde menigte door de hekken breekt en woedend het veld bestormt.
Het incident is typerend voor de staat waarin het instituut Feyenoord op dat moment verkeert. Het is de tijd waarin niemand binnen de club op zaterdag met zekerheid durft te zeggen dat de spelersbus op zondag nog zal kunnen rijden. Er is in Rotterdam-Zuid geen gulden in kas. Op sportief gebied moet zelfs serieus rekening worden gehouden met degradatie, nu Feyenoord voor het eerst sinds zijn oprichting in 1908 de laatste plaats van de eredivisie heeft bereikt.
Opgesloten in de spelerstunnel leert József Kiprich er die middag wel een nieuw Nederlands woord bij. Kankerbestuur.
Fred Blankemeijer is van 1926. Hij is de emeritus van de club, al luidt zijn officiële titel senior manager. Heel vroeger was hij de stopperspil van Feyenoord. Fred Blankemeijer kwam tot zestien wedstrijden in het eerste. "Ik was geen bijzondere speler, hoor. Ik had een aardig overzicht, maar mijn figuur zat niet mee. Ik was zo mager als een lat, een echte panharing." Later groeide hij in ontelbare bestuursfuncties alsnog uit tot een van de markantste figuren binnen de club.
Achter zijn bureau in De Kuip strekt hij zijn lange lijf om iets te pakken. Fred Blankemeijer gaat me zijn favoriete voetbalfoto tonen.
"Jochie, dit heb jij nog nooit gezien."
Het is mooi te merken dat hij zich ook na 78 jaar nog oprecht kan verheugen op een verbaasd gezicht.
De afbeelding die hij me in slow motion overhandigt, werd dik tachtig jaar geleden gemaakt tijdens een wedstrijd van Feynoord. Het decor is het verdwenen stadion aan de Kromme Zandweg. De tegenpartij is kennelijk al een tijdje in de aanval, want Feyenoord-spits Jan Petterson is er maar even bij gaan zitten. Ten overstaan van volle tribunes wacht hij in kleermakerszit op de komst van de bal.
"Hoe vind je die! Is dat niet om te gieren?"
Het is inderdaad een komisch gezicht.
De foto is een mensenleven oud, maar Blankemeijer raakt er maar niet op uitgekeken.
"Kijk 'm nou zitten! Als dit geen humor is..."
Komische voetballers zijn altijd populair geweest in De Kuip. Te beginnen met de grootste van allemaal natuurlijk, Coen Moulijn. Sportjournalisten vergeleken zijn sketches op de linkerflank graag met het werk van Charlie Chaplin.
Lees het hele verhaal in Hard Gras 41!