Marcel van Roosmalen
Met welzijnswerker Henk Wery de pleintjes af
Zijn vrouw Hetty zegt: “Henk is weg. Rondje met de hond. Om kwart voor zes is hij er weer. Dat is altijd zo.” Een half uur later belt Henk Wery (62) terug. Hij zegt: “We gaan zo eten.” Van Hard Gras heeft hij nog nooit gehoord. Hij vindt het een rare naam.
“Wie heeft dat verzonnen?”
“Euh... iemand anders,” zeg ik.
Ik leg uit wat de bedoeling is. Dat er een boekje wordt gemaakt over de spelers die in 1970 met Feyenoord de Wereldbeker wonnen. En dat daar natuurlijk ook een verhaal over hem in hoort.
“Moet ik over toen praten dan?” vraagt Henk Wery.
“En over nu,” zeg ik.
Henk vertelt dat hij voor de NV SRO in zijn woonplaats Amersfoort werkt. Na schooltijd sport hij met vooral allochtone jongeren. “We rijden in die speelbus door alle clusters van Amersfoort. We zoeken ze op in de wijken. En dan gaan we sporten. Indoor en outdoor, maar in de zomer eigenlijk alleen outdoor.”
"Voetballen?” vraag ik.
“Ja, dat ook,” zegt Henk. “Ken jij het spelletje bowls?”
Nooit van gehoord.
“Nou, dat doen we dus ook vaak. Het is net jeu-de-boulen, maar dan op een egale ondergrond. Je gooit eerst de jack met een onderhandse beweging. Daarna mag je drie ballen gooien. Degene die het dichtst bij komt, heeft gewonnen. Mooi spel hoor.”
Hij sluit af met: “Ik hoor net dat ik ga eten.”
We hebben op een vrijdagmiddag afgesproken bij De Speeldraak in de wijk Nieuwland. Daar staat de speelbus. Er zit een dikke jongen in met heel veel oorbellen. Hij beheert de speelattributen en zegt: “Die ga ik niet allemaal uitladen, hoor. Er zijn toch geen kinderen.”
“Waar is Henk?” vraag ik.
“Die heb ik een zak met ballen gegeven,” zegt de jongen. “Ik doe dadelijk nog even een rondje langs de andere wijken. En dan is het weer weekeinde.”
Op het veld staat Henk Wery. Hij draagt een trainingspak en trapt ballen naar een donkere man. Ik zwaai. Henk schopt een bal in het doel en wandelt naar me toe. Hij knijpt in mijn hand en zegt: “Ja, rustig hè? Maar straks wordt het herfst en dan weer winter. Dan hebben we de sporthal.”
“Komen er dan wel kinderen?” vraag ik.
“Meer dan nu,” zegt Henk.
We kijken naar het veld. De donkere man schiet ballen op het verlaten doel. “Die komt uit Soedan,” zegt Henk. “Hij is daar international geweest. Op zijn 25ste is-ie naar Nederland gekomen. Nu is hij 35 en hij heeft nog steeds geen status. Hij gaat met mijn buurvrouw. Ik heb tegen hem gezegd: ‘Je moet een keer een borrel komen halen.’ Nou, ze kwamen en toen heeft hij dat hele verhaal verteld. Ik zei: ‘Ga eens met me mee. Lekker buiten.’ En nu is-ie er dus. Jammer dat er geen kinderen zijn, hè? Maar ja, ik heb het ’m gezegd: ‘Pas op, het is vakantietijd’.”
Ik haal mijn schrift en pen uit mijn jaszak en vraag: “Hoe heet die man?”
“Weet ik niet,” zegt Henk. “Ik noem hem meneer Ali.”
Hij kijkt me aan en vraagt: “Ben je al begonnen?” “Ja,” zeg ik.
“Dan gaan we daar zitten,” zegt Henk en hij wijst naar een bankje bij De Speeldraak.
“Jij spuugde voor een wedstrijd altijd in je sporttas,” zeg ik.
Henk kijkt me verbaasd aan.
“Dat las ik op het internet,” zeg ik. “Dat bracht geluk of zo.”
“Nou dat zal dan wel,” zegt Henk. “Ik deed zo veel. Ik nam vaak de slip van mijn vrouw mee. Dat werkte: we wonnen toen alles en ik heb veertien interlands gespeeld.”
“Ik heb je nooit zien spelen,” zeg ik. “Ik was twee toen jij de Wereldbeker won.”
“Rechter- of linkerspits dat maakte voor mij niet uit,” zegt Henk. “Bij DOS speelde ik altijd op links. Bij Feyenoord kwam ik op rechts.”
We kijken naar de pubers in het klimrek. Het is duidelijk dat ze niet komen om met Henk te spelen. Ze hangen ondersteboven met het hoofd naar de grond en roken sigaretten. Er is er ook één met een scooter en in het gras naast ons liggen er twee te vrijen.
“Het lijkt me niet makkelijk,” zeg ik.
“Wat?” vraagt Henk.
“Nou, met jongeren werken.”
“Ach,” zegt Henk, “de drukke middagen draai je met een x-aantal collega’s. We spelen vaak bowls. Ken je dat?”
Ik knik en zeg dat-ie het al een keer heeft uitgelegd.
Henk: “Je hebt een egale ondergrond van ongeveer 25 meter nodig. Iemand gooit de jack vooruit. Je kunt met een backhand gooien, maar ook met een forehand. Dat moet je zelf maar weten. En het is twee tegen twee, hè?”
Henk zucht en zegt: “Het is tegenwoordig allemaal zo ontzettend anders. Qua luisteren en dingen op willen pakken, is het enorm veranderd vergeleken met twintig jaar terug. Allochtone groepen zijn het lastigst, maar ik ben d’r wel goed in. Dat komt omdat ik vanaf de jaren vijftig in allerlei soorten groepen heb gezeten.”
“Wat voor groep was Feyenoord?” vraag ik.
... Lees het verder in Hard gras 44