Hard gras

http://www.hardgras.nl

Delen op Google Plus Delen op Facebook Delen op Twitter

Billy Beane door Simon Kuper

         Eerst denk je dat het de rommelkamer is: een kelder waar ze rotzooi dumpen. Maar nee, dit is hem echt: de clubhouse, oftewel kleedkamer-annex-hangzone, van de Oakland A’s honkbalclub. Billy Beane, de general manager van de club, ligt languit op een versleten sofa, zijn enorme voeten op het smerige beige tapijt. Hier en daar hangt een geel-groene honkbalshirt in een kleerkast. De Oakland Coliseum is het meest aftandse stadion van de major leagues.

           In deze rommelkamer zat Beane laatst afhaalpizza te eten met Brad Pitt. Met Pitt kan je namelijk niet even de plaatselijke sandwich-tent binnenlopen, legt Beane uit, en de acteur moest hem nou eenmaal goed leren kennen om hem in de aanstaande Hollywood-film Moneyball te kunnen spelen. Hier in deze rommelkamer zit Beane ook vaak naar Europees voetbal te kijken. Terwijl hij voetbal kijkt, kijken de spelers van de A’s, pruimtabak in de bek, meewarig naar hem. Ze begrijpen niet wat hun baas met die meidensport aanmoet.

          Beane weet nog goed dat hij hier op de versleten sofa zat toen Arjen Robben vorig jaar de bal ineens op zijn pantoffel nam en Manchester United uit de Champions League schoot. Beane, inmiddels bijna vijftig maar misschien nog steeds de beste atleet bij de A’s, sprong vertikaal de lucht in en gilde. Een honkballer keek op uit zijn locker, en lachte: wat een absurd gezicht. Je zag die Beane nooit gillen als de A’s een honkbalwedstrijd wonnen.

          ‘Kijk eens naar die goal, jongen’ zei Beane, en omdat Beane de baas is en 1.90 meter lang en gezegend met indrukwekkende spierbundels (zijn Stepmaster staat naast de versleten sofa), keek de honkballer naar de herhaling. En naar de tweede herhaling. Toen begreep de honkballer het eindelijk: die dunne kale Europeaan met X-benen was net zo’n grote sportman als de honkballer zelf. ‘Wow,’ zei de honkballer. Maar misschien zei hij het alleen om de baas te paaien.

            Net als steeds meer Amerikanen volgt Beane het voetbal met de  bijna ongezonde passie van een bekeerling. ‘Ik kijk zoveel wedstrijden als ik kan,’ zegt hij. Soms zit hij al om half zes ‘s ochtends voor de buis, maar zijn verslaving gaat veel verder. Als hij ‘s morgens door de noord-Californische heuvels naar zijn werk rijdt, of als de A’s één van hun 162 competitiewedstrijden spelen, luistert hij vaak naar obscure voetbal-podcasts. ‘Ik ben een beetje een junk,’ weet hij zelf ook.

               Maar naast voetbaljunk is Beane ook een voetbalrevolutionair. Ongezien door de media beïnvloedt hij het denken van Chelsea en Manchester City. Beane zelf ziet Arsene Wenger als zijn zielsgenoot. Je kunt Billy Beane zelfs het brein achter het nieuwe Liverpool kunt nemen. Ook ik heb Beane-methodes gebruikt, om het Nederlands elftal voor de WK-finale een penalty-analyse van Spanje te leveren. Beane en zijn volgelingen zijn nu het voetbal ondersteboven aan het gooien, zoals hij eerder het honkbal ondersteboven heeft gegooid. 

*                *                *                *                *                *

                Ik kende Beane lang voordat we elkaar ontmoetten. Ik ben namelijk één van de miljoenen mensen die Moneyball heeft verslonden, waarschijnlijk het bestverkochte sportboek aller tijden, waarin Michael Lewis de honkbalrevolutie van Beane beschrijft. De speelfilm Moneyball verschijnt in september in de bioscoop. 

                Ergens eind 2009 ontving ik een mail van Beane. ‘Sorry dat ik je lastig val,’ begon het. Via een wederzijdse kennis, Mike Forde, de performance director van Chelsea, had Beane mijn adres gekregen. Hij had mijn boek over voetbal en data gelezen. Later zou ik beseffen dat dat niet zo verrassend is. Beane leest zo’n beetje alles over voetbal. Ik was er een keer bij toen een jonge verslaggever van het Britse voetbalblad Four Four Two timide aan hem vroeg of hij Beane een paar vragen zou mogen stellen. ‘Eerst wil ik jou een vraag stellen,’ antwoordde Beane. ‘Ik betaal me blauw aan het abonnement. Waarom komt het blad steevast twee weken te laat aan?’

             Beane vertelde me eens, ‘Ik heb al tien jaar lang letterlijk elk stukje literatuur dat ik over voetbal kan vinden gelezen, omdat dit een nieuwe wereld is. Dit was een hele nieuwe sport met 150 jaar geschiedenis die ik moest leren. Ik heb zoveel in te halen.’ Beane idoliseert de Britse socioloog David Goldblatt, auteur van het 978 pagina’s lange The Ball Is Round, op ongeveer dezelfde manier dat Goldblatt en ik grote sporters idoliseren. Via boeken geeft Beane zichzelf de universiteitsopleiding die hij zelf als achttienjarige heeft gemist.

               Na dat eerste mailtje begonnen we elkaar te bellen en te mailen over voetbal. Beane bleek een ongewone mix: een ontspannen vriendelijke Californiër, maar tegelijkertijd een keiharde Amerikaanse zakenman. Ik vond het contact leuk, maar ook een beetje onwerkelijk. Ik had moeite Beane als een echt persoon te beschouwen. Voor mij was hij eerder de hoofdfiguur van een briljant boek, als Max Havelaar of Holden Caulfield. Soms, als hij mij op een Californische ochtend vanaf de snelweg belde, wist ik al wat hij ging zeggen voordat hij het zei. Ik had het namelijk al in Moneyball gelezen. 

                 Vorig jaar oktober ontmoette ik hem voor het eerst in levende lijve, bij een congres over voetbal en data bij Chelsea. Ik keek steil omhoog en daar stond hij. (‘Ik heb Nederlands bloed in me,’ verontschuldigt hij zich, ‘en wij zijn het langste volk op aarde.’) Wat je meteen bij Beane opvalt: hij ziet er nog steeds uit als de krachtpatser die hij op zijn achttiende was. Geen wonder, denk je, dat bijna elke Amerikaanse honkbalclub en college football team begin jaren tachtig naar San Diego toog om deze atleet te scouten. De tiener Beane was een soort Griekse standbeeld, het platonisch idee van een topsporter. Hij excelleerde in alle sporten, op één na. In de rommelkamer van de A’s vraag ik hem of hij als kind ooit heeft gevoetbald. ‘Niet één keer,’ zegt hij.

                We weten het van Hollywood-films: op Amerikaanse high schools heb je twee soorten jongens, jocks en nerds. De nerds dragen brillen en lezen boeken. De hoofd-jock is de quarterback van het school football team en gaat met alle meisjes. Dat was Beane.

                Maar het rare was: hij was tegelijkertijd ook een nerd. Beane las boeken. De familie Beane was erg pro-boeken. Zijn ouders waren zeer jong getrouwd, zijn vader zat in de marine, en ze hadden nooit gestudeerd. Hun zoon moest en zou dat wel doen. Dat hij kon sporten was alleen maar handig, want zo kon hij met een sportbeurs naar een universiteit die zij anders niet konden betalen.

               Dat moest Stanford worden. De Californische topuniversiteit bood Beane een beurs om als quarterback voor de football team te komen spelen. De familie Beane was zeer enthusiast. De scout van één van de vele andere colleges die achter Beane aanzat, wees de jongen op het nadeel van Stanford: die lui namen de studie serieus. Een drama, waarschuwde de scout. Soms mocht je van Stanford zelfs een tijdje niet trainen, omdat je voor je examens moest blokken.

              ‘Maar,’ had Beane beleefd gezegd, ‘dat is toch ook de bedoeling?’

              Desondanks koos hij niet voor Stanford. De New York Mets boden de achttienjarige jongen een tekengeld van $125.000 om bij hen te komen honkballen. Beane vond dat hij als jongen uit een doodgewoon militair gezin een dergelijk bedrag niet kon afwijzen. Met pijn in zijn hart zei hij nee tegen Stanford. Zijn ouders investeerden de $125.000 in een onroerend-goed project dat een vriend had aanbevolen. Het project ging naar de knoppen, de $125.000 verdampte, en Beane heeft nooit gestudeerd.

                ‘Ik heb die kans gemist, en daar kan je denk ik geen prijskaartje op zetten,’ zegt hij op deze ochtend in de kleedkamer. Naarmate ik Beane een beetje heb leren kennen, ben ik één ding gaan begrijpen: hij heeft in de laatste dertig jaar zijn eigen Stanford gecreeerd. De manier waarop hij het honkbal tot een wetenschap heeft getransformeerd, zijn latere poging om het voetbal te begrijpen, de boeken en de slimme mensen waarmee hij zichzelf omgeeft: het is het inhalen van de studie die hij als achttienjarige heeft gemist.

            De Mets stuurden de jongen eerst naar de minor leagues. Hij en zijn teamgenoten trokken door de zuidelijke VS, speelden honkbal en ontmoetten meisjes. Met de meisjes had Beane meer succes dan met het honkbal. Volgens Lewis in Moneyball ‘moest Billy voortdurend aan zijn teamgenoot Steve Springer uitleggen dat als je net een meisje had ontmoet, je haar niet moest zeggen dat je profhonkballer was. Dat was niet eerlijk. Je moest haar namelijk een kans geven om je af te wijzen.’

              Wat honkbal betreft: Beane was de beste atleet in zijn ploeg. Al snel merkte hij echter dat hij daar weinig aan had. ‘We speelden namelijk geen tienkamp,’ verzucht hij. Iele mannetjes die niet konden lopen, zoals zijn kamergenoot Lenny Dykstra, bleken betere honkballers dan Beane. Ze zagen de bal beter, wisten welke ballen ze moesten slaan en welke niet, en als ze eens een slechte dag hadden vergaten ze dat meteen. Beane niet. Hij ging dan zitten kniezen.

              Bovendien wist hij niet eens of hij echt honkballer wilde worden. Hij had nog steeds spijt dat hij niet was gaan studeren. Vaak bleef hij ‘s avonds op zijn kamer om boeken te lezen. ‘Slecht voor je ogen,’ waarschuwde Dykstra dan. Al als achttienjarige had Beane een beroep gezien dat hem leuker leek dan honkballer. ‘De general manager van de New York Mets in die tijd was de heer Frank Cashen,’ vertelt hij drie decennia later in de kleedkamer van de A’s. ‘Ik weet nog dat ik hem door het stadion zag lopen toen ik achttien was, en dat ik tegen één van mijn teamgenoten zei: “Wij zitten fout. Wij willen allemaal naar de major leagues. Maar die gozer met dat strikje is de gozer die je eigenlijk moet worden.”’ 

               Uiteindelijk haalde Beane de major leagues. Maar daar viel alles een beetje tegen. Terwijl de iele Dykstra een world series won met de Mets, zat Beane bij zijn clubs vooral op de bank, of mocht hij als vulling meedoen.

            ‘Je falen als honkballer -’ begin ik.

           Beane trekt een beteuterd gezicht. ‘Kunnen we geen synoniem vinden?’ vraagt hij. ‘Wat denk je van, “Mijn relatief succes”?’

              In 1990 was Beane 27 jaar. Hij was geen Dykstra geworden, maar speelde toch maar voor de Oakland A’s in de major leagues. Dat was slechts weinigen gegeven. Desondanks stapte hij op een dag het hoofdkantoor van de A’s binnen en zei: ‘Ik wil niet meer spelen. Ik wil scout worden.’ Iedereen in het hoofdkantoor viel van zijn stoel van verbazing, schrijft Lewis. Geen major leaguer stopt op zijn 27e vrijwillig met honkballen om te gaan scouten, net zomin als dat Otman Bakkal of Ron Vlaar plotseling het verzoek indient om jeugdtrainer te mogen worden. Alleen Beane deed het. Hij wilde die gozer met het strikje worden.

                Voor hem betekende zijn nieuwe beroep een voortzetting van zijn jarenlange zelfstudie: een vervolgcursus aan de Universiteit van Billy Beane. Het leuke was dat het honkbal in de jaren tachtig een heuse eigen intellectuele beweging had gekregen: sabermetrics. De vader van de beweging was ene Bill James, een bebaarde nerd uit een dorpje in Kansas, een staat in het lege midden van het land. James had weinig gedaan in zijn leven. Hij hield de statistieken bij van de plaatselijke jeugdhonkbalcompetitie, en paste op de ovens in een varkensvlees-met-bonenfabriek. In zijn vrije tijd bestudeerde hij echter honkbalstatistieken. Hij kreeg door ‘dat een grote portie van de traditionele kennis in deze sport belachelijke onzin is’. 

                 Zijn vroege ‘boeken’ waren door hemzelf uitgegeven stencils. Van de eerste verkocht hij 75 exemplaren. Maar hij was begonnen de mythes van de sport te verwoesten. James ontdekte bijvoorbeeld dat de belangrijkste statistiek voor slagmannen eentje was die bijna nooit werd genoemd: het ‘on-base percentage’, oftewel het percentage keren dat een slagman op welke manier dan ook op de honken kwam. James en zijn volgelingen (honkbalstatistici die al gauw ‘sabermetricians’ werden genoemd) toonden aan dat het aloude honkstelen een idiote strategie was.  

          Zijn jaarlijkse Baseball Abstracts werden langzamerhand echte boeken. Later haalden ze zelfs de bestsellerslijsten. In één van zijn Abstracts schreef James: ‘Dit is buiten het honkbal. Dit is een boek over hoe het honkbal eruitziet als je een stap terug neemt en het intensief en minutieus bestudeert, maar van afstand.’ 

             Toen Beane scout werd, had bijna niemand binnen het honkbal ooit van Bill James gehoord. De meeste honkbalscouts, coaches en general managers waren mannen als Beane: oud-jocks zonder opleiding. Maar Beane studeerde aan de Universiteit van Billy Beane. Zodra hij lucht kreeg van de sabermetricians, wilde hij hun werken lezen. Hij begon met een pamflet van ene Eric Walker. ‘Het werd glashelder dat hier iets inzat,’ vertelt Beane. Meteen ging hij op zoek naar de Baseball Abstracts van James. ‘Ik heb ze nog steeds in mijn kantoor. Ik zal ze nooit weggooien. Ze zijn nog met de typemachine geschreven.’

           Zodra Beane general manager van de A’s werd, hervormde hij de club volgens het denken van de nerds. ‘Wij stalen ideeën van mensen die slimmer waren dan wij,’ glimlacht hij nu. ‘Nou ja, stalen – wij leenden hun ideeën. Zij waren niet in de inner circle, en konden hun ideeën dus niet uitvoeren. Niemand had nog gezegd: “Dit is het, dit gaan we doen.”

           De A’s zeiden het wel. Beane vond een 24-jarige statisticus die op Harvard had gestudeerd, Paul Podesta, en liet hem alle statistieken van honkballers doorzoeken op interessante tendensen die de andere clubs hadden gemist. Terwijl andere clubs jongens uit high schools scoutten, wisten de A’s dat je met spelers die al op college zaten, en die dus al meer gevormd waren, een grotere kans op slagen had. Terwijl alle andere clubs slagmannen zochten met een hoog slaggemiddelde, zochten de A’s mensen met een hoog on-base percentage. Terwijl andere clubs mooie atleten als de achttienjarige Billy Beane zochten, kon het de A’s weinig schelen hoe hun spelers eruit zagen.

          ‘Jullie scouten vaak dikke spelers,’ stel ik.

          ‘Wij gebruiken liever het begrip “breedgebouwd”,’ lacht Beane. Dan komt hij, hoe kan het ook anders, met een voetbalanalogie. ‘Wij zochten als het ware de volgende Gareth Bale. We wilden 500 pond voor hem betalen en hem dan doorverkopen. Het is niet heel anders dan wat Ajax heeft geperfectioneerd: het ontwikkelen en exporteren van jeugdspelers, al doen zij het langer dan wij.’

           De methoden van James bleken ook in het echt te werken. De A’s zijn een kleine club, uit de arme stad Oakland, een beetje de Excelsior van de major leagues. Ze hebben weinig geld. Maar hun onbekende lamme dikke spelers met hoge on-base percentages kostten niet veel, omdat andere clubs ze niet wilden hebben. Tussen 2000 en 2006 wonnen de A’s viermaal hun divisie, de American League West. Met een beetje mazzel hadden ze ook nog een keer de world series gehaald, maar het mocht niet zo zijn. Succes in de honkbal-playoffs berust vooral op geluk, net als succes in de knockout-rondes van het voetbal-WK of de Champions League, vertelt Beane graag.

                 In 2002 bood John Henry, de eigenaar van de Boston Red Sox, Beane een contract aan voor minimaal $12,5 miljoen over vijf jaar. In de geschiedenis van het honkbal had geen general manager ooit zoveel verdiend. Bovendien waren de Red Sox de ultieme uitdaging. Ze leken in 2002 erg op Feyenoord: een reusachtige club die altijd faalde. De Red Sox hadden miljoenen fans, en veel meer geld dan de A’s, maar hadden al sinds 1918 geen world series meer gewonnen. Dat moest Beane met zijn Moneyball-methoden oplossen. Ook had John Henry Bill James uit Kansas gesommeerd om in Boston te komen werken.

               Eerst zei Beane ja tegen Henry. Hij vond dat hij $12,5 miljoen niet kon afwijzen. Maar een paar dagen later zei hij toch maar nee. Hij wilde helemaal niet weg uit Californië. Dan zou hij zijn tienerdochter uit zijn eerste huwelijk niet meer wekelijks kunnen zien. Bovendien had hij na zijn afwijzen van Stanford voor $125.000 geleerd: doe nooit iets voor geld. Dus ging hij niet naar de grote Red Sox.

             En hij was misschien een semi-bekende held van een kleine club gebleven, ware het niet dat Beane in noord-Californië een slimme man was tegengekomen: de schrijver Michael Lewis. Lewis was auteur van onder meer het legendarische Liar’s Poker, een memoire van Wall Street. (Het boek legt zo simpel uit wat een obligatie is, dat het mij in 1994 door mijn sollicitatiegesprek bij de Financial Times heeft geloodsd.) Lewis woont al jaren in Berkeley, het universiteitsstadje dat naast Oakland ligt. De Universiteit van Billy Beane is altijd op zoek naar gastdocenten. Mede daarom mocht Lewis een jaar met Beane optrekken. In 2003 publiceerde hij Moneyball. Plotseling wist iedereen in het honkbal wat Beane daar met die dikke A’s uitspokte.

              Veel clubs gingen hem imiteren. Christoph Biermann zegt het goed in zijn Duitse boek Die Fussball-Matrix, vooralsnog de klassieker over voetbal en data: Moneyball is het enige boek dat een hele sport heeft veranderd.

              Het gaat zelfs nog verder: Moneyball heeft heel veel sporten veranderd. In 2004 nam de eerste club in het basketball-NBA een full-time statisticus in dienst. Inmiddels hebben alle NBA-clubs statistici. In 2009 schreef Lewis in de New York Times:

 

         Het virus dat in de jaren negentig het profhonkbal besmette, namelijk het gebruik van statistieken om betere manieren te vinden voor het beoordelen van spelers en strategieën, heeft nu elke grote sport bereikt. Niet alleen het basketbal en Amerikaans football, maar ook het voetbal en cricket en rugby en voor zover ik weet, het biljarten en darts – elk van deze sporten ondersteunt inmiddels een subcultuur van slimme mensen die hun sport niet alleen als een spel zien dat je kunt spelen, maar als een probleem dat je kunt oplossen.

       

            Dat komt allemaal door Beane. Maar zijn effect op zijn eigen sport was het grootst. Dat zag je het beste aan de Red Sox van John Henry. Nadat Beane nee had gezegd, haalde Henry een mini-Billy Beane: de 28-jarige Theo Epstein, die nooit profhonkbal had gespeeld maar wel op Yale had gestudeerd. Epstein was de jongste GM in de honkbalgeschiedenis. Met hem en James wonnen de Red Sox in 2004 de world series. In 2007 wonnen ze het nog een keer.

              Ik heb Beane ooit gevraagd of hij geen spijt heeft van het afwijzen van Henry. Als hij naar Boston was gegaan, had hij ook een world series kunnen winnen. Helemaal geen spijt, zei Beane, en hij wees me op wat ik een keer over de WK-finale Nederland-Spanje had gezegd. Ik had Beane verteld dat ik als Nederlandse fan trots was dat Spanje met typisch Nederlandse passingvoetbal wereldkampioen was geworden. Eigenlijk was dat een overwinning voor het Nederlandse voetbal, had ik beweerd. Beane zag het in zijn eigen leven net zo: de Red Sox waren met Moneyball-ideeën wereldkampioen geworden. Daar was hij trots op.

                Inmiddels speelt bijna elke club in de major leagues Moneyball. Iedere club heeft jonge nerds van de beste Amerikaanse universiteiten in dienst. ‘Honkbal is meer een wetenschap geworden,’ zegt Beane. Maar op het moment dat andere, grotere clubs ook Moneyball gingen spelen, verloren de A’s hun voordeel. Sinds 2006 presteert de club minder goed. En het is wellicht geen toeval dat Beane sinds die tijd het voetbal is gaan bestuderen.

*                *                *                *                *                *

               Dat hij überhaupt het voetbal ontdekte, was wel toeval. De verjaardag van zijn vrouw naderde, en als typische man kon Beane geen goed cadeau bedenken. Uiteindelijk vond hij een goedkope vlucht. ‘Hey honey,’ zei hij, ‘we gaan je verjaardag in Londen vieren.’

                Nu zegt hij: ‘Ik ging niet naar Londen in de verwachting verliefd te worden op het voetbal.’ Maar de eeuwige student Beane zag de reis natuurlijk wel als een versnelde studiegang Engelse cultuur. Als boekenvretende autodidact had hij respect voor het koloniale moederland. Elke ochtend in Londen nam hij de kranten door, en het viel hem al snel op: over de NFL van het Amerikaanse football vond hij amper een woord. ‘Ik besefte dat zij geen enkele belangstelling hadden voor wat wij het belangrijkste vonden,’ zegt hij. De Britse kranten stonden echter wel vol van voetbal. Ook als Beane met zijn vrouw door Londen wandelde, zag hij voor bijna elke pub een bordje met de tijden van de wedstrijden die die dag op tv kwamen. 

                 Hij ging voetbalboeken als Brilliant Orange van David Winner lezen. Hij ging wedstrijden kijken en podcasts luisteren. En toen gebeurde er iets raars. Net op het moment dat Billy Beane zich voor het voetbal ging interesseren, gingen mensen uit het voetbal zich voor Billy Beane interesseren. Mike Forde, destijds performance director van Bolton, die nota bene in San Diego had gestudeerd, de hometown van Beane, had Moneyball gelezen. Hij vroeg Beane of hij een keer in Oakland langs mocht komen. Forde toog naar het versleten clubhouse, waar Beane hem honderd vragen over voetbal stelde. Pas tegen het einde van het gesprek kreeg Forde de kans snel iets over honkbal vragen. De Fransman Damien Comolli, eerst assistent van Wenger bij Arsenal, later technisch directeur van de Spurs in het tijdperk Martin Jol, en honkbalfan, kwam eveneens naar Oakland. Wat de bezoekers eigenlijk wilden weten was: hoe gebruik je statistieken om spelers te beoordelen?

                Beane raakte bevriend met Comolli, Forde en de in Californië wonende toekomstige Duitse bondscoach Jürgen Klinsmann. Geholpen door een ploeg wetenschappers werd het Duitsland van Klinsmann verrassend derde op het WK in eigen land. Toen Klinsmann later bij Bayern ging werken, stuurde hij Beane een Bayern-shirt met in grote letters op de rug: BILLY BEANE. Beane was er blij mee, maar liep er toch maar niet de plaatselijke Starbucks mee in.

                  Inmiddels was Beane een voetbalgek, maar elke werkdag werd hij door honkbalgekken omringd. Het leukste voor Beane aan zijn baan, heb ik altijd stiekem vermoed, is dat hij statistici uit topuniversiteiten naar de Oakland Coliseum mag halen. Momenteel heeft hij vier van die jongens in dienst. Hij is zo trots op hun gegoochel met cijfers dat hij hun mails soms aan vrienden doorstuurt, onder het mom: begrijp jij hier iets van? Soms, als hij het heel druk heeft, en zijn nerds willen hem weer een nieuwe algoritme uitleggen, zegt hij: ‘Vertel me gewoon de conclusie.’ Maar meestal vindt hij hen een verrijking van de Universiteit van Billy Beane. Die nerds houden zich met honkbalcijfers bezig, want de A’s zijn nu eenmaal een honkbalclub, en het zal dan ook volstrekte toeval zijn dat de huidige topstatisticus van Beane tevens voetbalgek is.

               Beane laat Farhan naar de rommelkamer komen. Farhan blijkt een vrolijke kleine bruine jongen met een ronde kop en geinige verhalen. Je verwacht zo iemand laat in de nacht na een concert van een alternatief bandje in een universiteitsstad te ontmoeten, niet bij een profsportclub. Farhan heeft economie op MIT gestudeerd, maar zijn sollicitatiegesprek bij de A’s ging vooral over twee onderwerpen: voetbal en Oasis, de favoriete band van zowel Farhan als Beane.

                Al jarenlang praat Beane met zijn ‘director of baseball’ over voetbal. Farhan legt het zo uit: ‘Wij brengen zo ontzettend veel tijd samen door. Als we geen andere dingen hadden om over te praten, hadden we elkaar al lang geleden vermoord.’ Farhan is de briljante medestudent die Beane nooit heeft gehad.

                  Samen reisden ze in 2006 naar het WK-voetbal. Ze trokken acht dagen met rugzakken in korte broek door Duitsland. Het was midden in het honkbalseizoen, en ze waren dus aan het spijbelen, maar in hun afwezigheid bleven de A’s maar winnen. Elke dag zeiden hun collega’s over de telefoon, ‘Haast je niet terug.’ De collega’s stelden zelfs voor dat Beane en Farhan naar Europa zouden verhuizen. Dan zouden de A’s vast de world series winnen.

               Beane was destijds nog wel wat naïef over voetbal. Tijdens Engeland-Trinidad ging hij een keer naar de wc, waardoor hij één van de twee Engelse goals van die middag miste. Maar, zegt hij: ‘We hebben allemaal twee of drie reizen in ons leven die we ons altijd zullen herinneren. Dit was met afstand de leukste reis die ik ooit heb gemaakt.’

                   Wat hem vooral in Duitsland opviel was de emotie van de fans. Dat zag je in Amerikaanse sporten toch wat minder. Beane dacht twee dingen:

            1. Waar emotie is, valt geld te verdienen.

            2. ‘Waar veel emotie is, worden veel emotionele beslissingen gemaakt.’

                     Met rationele Moneyball-methoden moest je ook in het voetbal kunnen zegevieren.

*                *                *                *                *                * 

                  Wat mensen altijd daarop zeggen, is dat zulke methoden in het voetbal niet werken. Oké, geven ze toe, in het honkbal heb je iets aan statistieken, want honkbal is een statische sport. De werper werpt, de slagman slaat, de fielder vangt of grijpt mis. Elke situatie herhaalt zijn een miljoen keer, en is een cijfers te vangen. Maar een fluïde sport als het voetbal is dat volgens de skeptici niet. In het voetbal heb je Fingerspitzengefühl nodig, ervaring, om bijvoorbeeld te begrijpen dat Claude Makelele briljant is maar Royston Drenthe niet, of dat Mounir El Hamdaoui een goede spits is maar niet geschikt voor Ajax.

              Beane glimlacht als hij weer eens het bekende tegenargument hoort. Ja, zegt hij meteen, het voetbal is inderdaad een fluïde spel, minder makkelijk in cijfers te vangen dan het honkbal. Hij zegt, ‘Is voetbal moeilijker meetbaar? Zonder twijfel. Maar dat wil niet zeggen dat het níet meetbaar is.’ Een goede wiskundige deinst niet terug voor complexiteit. Natuurlijk kan je ook als je een speler met statistieken beoordeelt, nooit zeker weten dat een transfer slaagt, zegt Beane. Maar stel dat 30 procent van alle transfers slaagt, en jij kunt met gebruik van statistieken het percentage bij jou club verhogen tot 35. Dan heb jij een voordeel. In elk bedrijfstak, denkt Beane, zullen slimmere mensen het gemiddeld beter doen dan domme mensen. Dus is het beter om slim zijn. En bovendien: het gebeurt allang. Alle grote Engelse clubs werken al met Moneyball-methodes om spelers te beoordelen.

                 Dat begon met Arsene Wenger. Toen Beane op zijn versleten bank in Californië het Europese voetbal begon te volgen, ontdekte hij al snel dat hij aan de andere kant van de oceaan een zielsgenoot had. De Arsenal-manager was een afgestudeerde econoom en data-freak. Al in Monaco in de jaren tachtig had Wenger een computerprogramma laten ontwikkelen dat spelers beoordeelde, vertelt Biermann in zijn boek.

                Begin jaren 2000 merkte Dennis Bergkamp hoever het met Wenger ging. De Nederlander kwam een keer bij zijn baas klagen dat hij steeds voortijdig werd gewisseld, terwijl hij zelf vond dat hij ook in de laatste minuten nog steeds briljant speelde. Daarop liet Wenger hem de statistieken zien. Wat bleek: tegen het einde van de wedstrijd liep Bergkamp minder hard, sprintte hij minder vaak, en gaf hij minder splijtende passes. Daarop had zelfs een Nederlandse voetballer geen verweer.

            Bovendien haalde Wenger liever goedkope jongelingen dan dure veteranen – precies het Moneyball-denken. En Wenger vond die jongens vaak met cijfers. Niemand kende Mathieu Flamini totdat Wenger de statistieken van verschillende Europese competities doornam, en zag dat de eerstejaars Olympique Marseille-middenvelder gemiddeld 14 kilometer per wedstrijd liep. Cijfers zijn niet genoeg, en dus vloog Wenger naar Marseille om met eigen ogen vast te stellen dat de tiener ook nog eens kon voetballen. Flamini had bij Marseille niet eens een volwaardig profcontract. Wenger haalde hem voor een dubbeltje naar Arsenal. Het was een klassiek staaltje Moneyball. ‘Wenger,’ zei Beane me een keer, ‘is undoubtedly the sports executive I admire most.’

                 Zodoende kregen ook de A’s-spelers in hun clubhouse wekelijks een blok Arsenal voor de kiezen. Een keer lag Beane op zijn sofa naar Robin van Persie te kijken. De centerfielder van de A’s, de bestbetaalde speler, slanker dan de meeste van zijn ploeggenoten, met een beetje de kop van Van Persie, keek een paar seconden mee. Je kunt de baas immers moeilijk vragen waarom hij altijd naar een meidensport kijkt. De centerfielder bestudeerde de onbekende Europeaan op het scherm. ‘Hoeveel verdient die gast eigenlijk?’ vroeg hij aan Beane.

            ‘Hij verdient wat jij verdient,’ antwoordde Beane.

            Dat had de centerfielder niet verwacht. Plotseling bezag hij de Europeaan met een nieuw respect. Nico Scheepmaker schreef het ooit: de grote sporters, wat hun sport ook is, zijn broers van elkaar.

             Maar de beste vriend van Beane in het voetbal is Damien Comolli. De Fransman werd in 2005 technisch directeur van de Spurs, en dus werd Beane Spurs-fan. Comolli haalde op basis van Moneyball-achtige cijfers een Braziliaanse keeper met grote oren die alleen in de Nederlandse eredivisie bekend was: Heurelho Gomes. (De volgers van Beane in het voetbal weten inmiddels hoe je een keeper moet beoordelen. De cruciale statistiek is het percentage schoten van binnen de zestien meter dat de keeper tegenhoudt. Als je alle schoten telt die hij tegenhoudt, dan beloon je hem namelijk ook voor het stoppen van rollertjes van dertig meter – makkelijke ballen die vooral keepers van topteams te verwerken krijgen. Het is één van de tientallen voorbeelden van de gestage verfijning van het Moneyball-denken in de voetbaltransfermarkt.)

                      Bovendien haalde Comolli in 2007 een onbekende zeventienjarige linksback naar de Spurs. Gareth Bale had een paar interlands gespeeld voor het niet echt modieuze Wales. Spurs kocht hem van Southampton voor een totaalbedrag van zeven miljoen pond. Jarenlang leek dat een absurd hoog bedrag. Op zijn twintigste – lang nadat Comolli weer bij Spurs was weggestuurd – bleek Bale echter een Superman-achtige topper. Dit voorjaar zei Fabio Capello dat de jongen als flankspeler ‘nummer één van de wereld’ was.

                     Een paar zomers geleden kwam Bale met de Spurs in Oakland langs. Beane zag hem van dichtbij, en herkende het type meteen: ‘Hij was achttien, negentien jaar, dun, met brede schouders, snel, atletisch en ook nog eens sterk – een ongelooflijke combinatie. Als hij in de VS was opgegroeid, had hij nooit een voetbal aangeraakt. Die kans had hij nooit gekregen. Hier zou hij wide receiver spelen voor de New Jork Jets, of centerfield voor een major-league honkbalteam, of was hij een schutter in de NBA.’

                 Later, toen Comolli bij St Etienne werkte, bleef hij Moneyball-methoden gebruiken. St Etienne kocht bijna nooit spelers, want het had geen geld. De belangrijkste financiële beslissingen gingen eerder over de vraag: bieden we deze speler een nieuw contract aan of niet? Als je een basisspeler van 30 jaar een tweejarig contract gaf, dan kostte je dat bijvoorbeeld €3 miljoen. Op zijn dertigste was die speler nog goed. Maar hoe kon je weten of hij met 32 nog steeds goed zou zijn? Comolli keek dan naar de trends van zijn statistieken: maakte de speler sinds zijn 27e elk jaar bijvoorbeeld tien procent minder sprints, nam zijn sprintsnelheid elk jaar merkbaar af, gaf hij elk jaar merkbaar minder passes in de vijandelijke helft? Als hij een sterk dalende trend had, moest je hem geen contract aanbieden. Dat is Moneyball: je betaalt alleen voor toekomstige prestaties, nooit voor voorbije prestaties. Had Feyenoord maar even goed nagedacht voordat het Roy Makaay, Tim de Cler en Jon Dahl Tomasson contracteerde.

                Mannen als Forde en Comolli leerden van Beane hoe je spelers met data beoordeelt. Maar, vraag ik Beane in zijn rommelkamer, heeft hij zelf niets van voetbalclubs geleerd? Die hebben immers ook een eeuw lang sportkennis opgebouwd. Nu moet hij toch even nadenken. Nou, zegt hij na een tijdje, voetballers eten gezonder dan honkballers. En eindelijk vindt hij het juiste antwoord op mijn vraag: ‘Voetballers zijn beter gekleed. Als ik Liverpool of Manchester United of Chelsea zie, als ze de club-blazer en clubdas dragen, vind ik dat ze er scherp uitzien. Wij zouden onze jongens nooit kunnen overtuigen dat te doen.’

               Verder ziet Beane vanaf zijn versleten bankje in de rommelkamer vooral veel irrationeel gedrag in het voetbal. Neem Ajax, zegt hij. De club leidt perfect op. Maar als het op zoek gaat naar volwassen spelers, koopt het slecht in. Dan moet je ophouden met het kopen van volwassen spelers, zegt Beane. ‘Als je steeds je vingers brandt als je ze in het stopcontact steekt, steek ze er dan niet meer in!’

              ‘Wat moet Ajax dan doen met de tientallen miljoenen die het op de transfermarkt ophaalt?’ vraag ik.

              ‘Steek het geld in jonge spelers,’ zegt Beane. ‘Dat is hun specialiteit.’ Zo vond hij dat Ajax een paar jaar terug had moeten proberen de Braziliaanse tiener Alexandre Pato te halen, zoals het eerder ook jonge buitenlandse talenten als Luis Suarez, Zlatan, Maxwell en Cristian Chivu tot wasdom had gebracht. Moneyball is: altijd rationeel zijn, weten waar je voordeel ligt, jaren vooruit kijken, en cijfers gebruiken. Ook in het voetbal werkt dat.

*                *                *                *                *                *

               De skeptici zeggen: voetbal is niet in cijfers te vangen omdat het een fluïde sport is. Dat gaat gemakshalve voorbij aan het feit dat ongeveer 30 procent van alle voetbaldoelpunten uit dode spelsituaties vallen. Een corner is net zo statisch als een worp in het honkbal. Een speler geeft voor, iemand kopt, en de keeper vangt of grijpt mis. De situatie herhaalt zijn een miljoen keer, en is een cijfers te vangen. ‘Het is een stilstaand moment, waarin je alles veel makkelijker kunt meten,’ zegt Beane. Bij Manchester City hebben ze ongeveer 400 corners uit verschillende competities bestudeerd, en een simpele conclusie getrokken: de inswinger naar de eerste paal levert de meeste goals op. Johan Cruijff weet op basis van ervaring en Fingerspitzengefühl zeker dat de outswinger de gevaarlijkste corner is. Volgens het onderzoek van Manchester City klopt dat gewoon niet. Beane zegt: ‘De gedachte, “Ik vertrouw meer op mijn eigen ogen dan op cijfers,” die wijs ik af, want ik heb met eigen ogen gezien dat tovenaars konijnen uit hoeden trekken, terwijl ik zeker weet dat die konijn er niet in zat.’

                De allerdoodste spelsituatie in het voetbal is de penalty. Mede geïnspireerd door Beane heb ik vorig jaar een voetbalconsultancy opgericht. Wij werken samen met een penaltyspecialist: Ignacio Palacios-Huerta, professor aan de London School of Economics. Ignacio heeft ongeveer 9.000 penalties in zijn gegevensbank staan, en voert statistische tests uit om te voorspellen wat een bepaalde speler bij zijn volgende penalty gaat doen. Het is het schriftje van Jan Reker, maar dan goed.

               Toen Nederland vorig jaar de finale haalde, mailde ik een Oranje-official. Ik vertelde hem over Ignacio. Had Oranje belangstelling in een penaltyverslag over de Spanjaarden?

                Dat wilde de official wel. Ignacio is Bask, en vond het dus prima als Spanje door zijn toedoen de WK-finale zou verliezen. Hij werkte twee nachten door, en mailde zijn verslag op zaterdagochtend, de dag voor de wedstrijd. Op de wedstrijddag kregen we een mailtje terug uit het Oranjekamp: ‘We kunnen dit rapport perfect gebruiken.’

                Die avond zat ik in Johannesburg op de tribune. Tijdens de verlenging las ik het rapport nog een keer door en zag dat Spanje – volgens de gegevens van Ignacio – nog maar één ervaren penaltynemer op het veld had staan, namelijk Fernando Torres. De andere reguliere Spaanse schutters, Xabi Alonso en David Villa, waren al gewisseld. Dat zag er onheilspellend uit voor de Spanjaarden.

                  Op de tribune herlas ik wat Ignacio in het rapport over Torres had geschreven. Torres schoot iets vaker dan de meeste spelers links van de keeper, maar het belangrijkste was dat 76 procent van zijn penalties ‘laag’ waren. Soms schoot hij ‘middenhoog’, maar nooit hoog. Maarten Stekelenburg moest tegen Torres dus bliksemsnel naar de grond. Cesc Fabregas, de enige andere Spanjaard op het veld die weleens een strafschop nam, schoot ze meestal links van de keeper.

                  De rest van de Spanjaarden waren zo ongeveer strafschopmaagden. Zelfs Xavi en Iniesta namen in clubverband nooit penalties. Maar volgens Ignacio was dat op zich al belangrijke informatie. Spelers die zelden penalties nemen, schieten 70 procent van hun penalties naar hun ‘natuurlijke’ kant: rechtsbenige onervaren schutters schieten rechts van de keeper, en linksbenige onervaren schutters schieten links. Dat is namelijk de makkelijkste trap. En zeker bij een strafschoppenserie in een WK-finale ga je als onervaren penaltynemer niet moeilijk doen.

               De Spaanse keeper Iker Casillas had weer zijn eigen patroon. Weliswaar kon je moeilijk voorspellen welke hoek hij zou kiezen, maar over de 59 Casillas-penalties in de gegevensbank van Ignacio bleek duidelijk dat de keeper aan zijn rechterkant veel meer ballen stopte. Rechtsbenige schutters moesten dus links van Casillas schieten, naar zijn zwakke hoek. Dat zag er allemaal interessant uit, dacht ik op de koude tribune met nog vijf minuten te spelen bij de stand 0-0. En toen scoorde Iniesta.

               Maar over vijf jaar werkt elke topclub met strafschoppenrapporten, en dan hoor je nooit meer, ‘Penalties zijn een loterij.’ De nerds dringen namelijk ook het voetbal binnen.  Dat proces is nog amper begonnen, denkt Farhan. Het voetbal staat nu waar het honkbal misschien vijftien jaar geleden stond, en het basketbal vijf jaar geleden. Er is nog zoveel progressie te boeken, zegt Farhan. Chelsea en Manchester City hebben al een paar Farhans in dienst. Over een paar jaar lopen ze bij elke grote club rond, en hebben ze ook nog eens macht.

 

*                *                *                *                *                *

          Normaliter volgt Beane het voetbal vanaf een afstand van 9000 kilometer. Een jaar geleden zei hij me, op dezelfde toon waarop hij over de socioloog Goldblatt had gemijmerd, dat hij hoopte ooit Arsene Wenger te mogen ontmoeten. En op een dag was het zover. In oktober 2010 organiseerde Mike Forde een congres over voetbal en data op Chelsea. Beane werd uit Californië ingevlogen. Hij moest met Wenger gaan debatteren over sport en data, onder voorzitterschap van Comolli. Ook ik kreeg een miniscule rol op het congres: als interviewer van de onbekende Qatarische voetbalofficial Mohammad bin Hammam, die op dat moment nog niet het WK naar zijn land had helpen halen noch zichzelf als kandidaat voor het Fifa-voorzitterschap had gemeld.

         Op de vooravond van het congres was er een diner voor alle deelnemers in Marco, het restaurant van Marco Pierre White in de catacomben van het Chelsea-stadion. We waren met een man of honderd. Bij de cocktails zag ik Beane staan. Hij bestond dus echt, en niet alleen in boekvorm. We begonnen over voetbal en data te kletsen, Comolli kwam erbij staan, en we gingen met zijn drieën aan een tafel zitten. De eerste gang werd opgediend. Wij praatten door over voetbal en data. Op een gegeven ogenblik keek ik even op uit het gesprek en zag: het restaurant was verlaten. Alle andere deelnemers waren alweer uitgegeten en van tafel gegaan. Er waren uren verstreken zonder dat we het hadden gemerkt. Afgezien van het feit dat Beane Republikein bleek te zijn – iets dat Comolli op grimmige tonen onthulde – was hij in het echt even leuk als op de pagina’s van Moneyball.

                   De volgende dag vond het debat tussen Wenger en Beane achter gesloten deuren plaats. Wenger had verordonneerd dat er geen journalisten bij mogen zijn. Maar na afloop kwamen de twee mannen in de sprekerskamer zitten, vreemd genoeg in het gezelschap van Alistair Campbell, de voetbalgekke voormalige rechterhand van Tony Blair. Ze plantten zich op de bank en bleven er (ik heb het getimed) drie uur zitten praten. (Campbell zei bijna niets, mocht als voormalige Britse machtshebber allang blij zijn dat hij er niet uit werd getrapt.) De twee zielsgenoten hadden elkaar gevonden. Dit was liefde op het eerste gezicht.

                 Op de laatste ochtend van het congres ontbeet ik op Stamford Bridge met Beane en Comolli. Beane kwam met de ochtendkranten onder zijn arm opdagen. Inmiddels was het nieuws gelekt dat John Henry, de eigenaar van de Boston Red Sox, ook in Engeland was. Hij was even overgevlogen om Liverpool te kopen. Beane had hem nog gemaild om af te spreken, maar Henry had gezegd dat hij onderweg maar een paar uur in Londen zou zijn, en Beane moest die middag alweer terug naar Californië. Maar Beane was enthusiast over de aanstaande deal. Henry had bij de Red Sox het Moneyball van de A’s geperfectioneerd, zei hij. Stel dat Henry dat nu ook in het voetbal ging doen. Dat zou interessant zijn. Beane zei: ‘John begrijpt cijfers, en sport draait om cijfers. John is een zeer rationele persoon.’

                ‘Hij bood jou een contract aan,’ zei ik.

                ‘Dat is weer zijn irrationele kant,’ zei Beane.

                 Ik woon in Parijs. Een week of zo na dat ontbijt in Londen zat ik ‘s ochtends in een café een croissant weg te zetten toen ik in de Franse sportkrant L’Equipe een opvallend bericht tegenkwam: ‘Comolli stapt op bij St Etienne’. In het stuk stond dat hij ontevreden was met het beleid van de club, maar de krant wist ook dat hij later die dag bij Liverpool technisch directeur zou worden. Zulks geschiedde inderdaad.

              Ik mailde Beane: ‘Jij hebt John Henry verteld dat hij Damien moest nemen.’

              Beane mailde terug: ‘Nou ja, “verteld”, dat vind ik ook weer zo sterk uitgedrukt.’

               Even later bevestigde Henry zijn plannen tegenover een vriend van mij. De zakenman vertelde dat hij bij Liverpool een ‘Moneyball van het voetbal’ wilde uitvoeren. Alleen wist hij zelf niets van voetbal, en moest daarvoor dus mensen inhuren. Wel handig als je dan even de sportrevolutionair nummer één in Californië kan vragen wie je moet hebben.

             Eén van de eerste daden van Comolli op Anfield was het vervangen van Fernando Torres en Ryan Babel door Luis Suarez en Andy Carroll. Liverpool gaf €58 miljoen uit, en haalde bijna precies hetzelfde bedrag weer op, maar de vervangers waren jonger dan de spelers die vertrokken. Dat was handig. En ook de ogenschijnlijk verrassende uitgave van €40 miljoen voor Carroll zal ongetwijfeld door statistieken zijn gestaafd. De deal had ogenschijnlijk nog niet de gewiekste handigheid van Moneyball, maar het was wel een eerste poging.

              Comolli gaat nog steeds vaak bij zijn vriend de meesterrevolutionar te rade. In de rommelkamer van de A’s vertelt Beane: ‘Je kunt Damien op elk uur bellen. Als ik hem bijvoorbeeld mail, en het is daar twee uur ‘s ochtends, dan mailt hij me terug van, “Hé, ik ben wakker, ik zit naar de wedstrijd van de A’s te kijken.” Hij ziet veel A’s wedstrijden op zijn computer. Die gozer slaapt nooit.’ Beane is dus onbetaald adviseur en klankbord van het Moneyball-project van Liverpool.

*                *                *                *                *                *               

             De dag na ons gesprek in de rommelkamer, wandelde ik door San Francisco toen mijn telefoon ging. Het was natuurlijk Beane. Ik had hem de vorige dag gevraagd wat hij van zijn eigen spelerscarriere had geleerd. Nu wist hij weer het antwoord, en wilde hij het me alsnog vertellen. Wat had hij geleerd, vertelde hij: aan een goede atleet zoals hij zelf was heb je niet zoveel. Een goede atleet is nog geen goede honkballer. De verzamelde honkbalscouts hadden er in zijn geval naast gezeten.

               Voordat hij al mijn buitenlandse belkredieten kon opbruiken, zei ik, ‘Ja, Billy, ik weet het. Dat staat ook allemaal in Moneyball.

               ‘O,’ zei hij. Beane denkt van zichzelf namelijk dat hij een echt persoon is, en geen literaire personage.

               ‘En,’ vervolgde ik, ‘dat geldt vast voor het honkbal, maar toch niet in het voetbal? In het voetbal heb je wel veel aan atletische kwaliteiten als snelheid, kracht, lengte en souplesse.’

              Nee, antwoordde Beane. Hij vermoedde dat het in het voetbal net zo gold. Natuurlijk is het fijn, zei hij, als je een perfecte atleet als Gareth Bale vindt die ook nog eens kan voetballen. Maar ook in het voetbal zijn atletische gaven niet zo belangrijk.

              Eerst denk je: onzin. Vervolgens gingen we allebei nadenken, en kwamen we binnen een paar minuten met een lijst namen: de dwerg Maradona. De trage Beckham. De trage dwergen Sneijder en Van der Vaart. Alle liliputters van Barcelona. Toch halen voetbalclubs graag grote sterke jongens. Een paar dagen na dat telefoongesprek zag ik een nieuwe studie van de Professional Football Players Observatory, en wat bleek: de algemene tendens is dat de elf spelers per Europese club die de meeste speeltijd krijgen, kleiner zijn dan het selectiegemiddelde. Met andere woorden: clubs halen grote sterke jongens, maar merken al snel dat de kleintjes het beter doen, omdat atletische gaven en kracht inderdaad overschat worden. Dat is weer een marktinefficientie in het voetbal. Met Moneyball-denken kan je daar je voordeel uit halen.

                   Maar, besloot Beane, daar belde hij me niet voor. Na ons gesprek was hij aan Ajax blijven denken. De club beheerst één aspect van het Moneyball: spelers goedkoop produceren en duur verkopen. Beane zou dolgraag naar Amsterdam komen om  een dag bij de jeugdopleiding rond te lopen. Was dat te regelen? Ik zei dat het voor Ajax misschien ook goed zou zijn om een keer met hem te praten.

                 ‘Ik kan waarschijnlijk net zoveel van hen leren als zij van mij,’ zei Beane. Maar misschien dat Ajax liever op de Fingerspitzengefühl en ervaring van zijn jocks teert.

EINDE

 

Dit is een stuk uit Hard gras 77, verschenen in april 2011

 

Uit het blad

Nog meer berichten uit deze rubriek.

Lees alle berichten >