Hard gras

http://www.hardgras.nl

Delen op Google Plus Delen op Facebook Delen op Twitter

Een Spaanse zomer

10 oktober 2015

Door: Roman Helinski

Rood; de vlaggen voor de ramen, de slingers die van lantaarnpaal tot lantaarnpaal zijn gespannen. Rood; de ballonnen die vast zijn gebonden aan de vele balkons, aan boomtakken, aan de botte punten van hekken. In veel vlaggenhouders zijn Spaanse vlaggen gestoken, maar omdat de wind het af laat weten wapperen ze niet. Met gevaar voor eigen leven hebben de mensen van de buurtvereniging de afgelopen dagen op wankele ladders gestaan om de linten vast te binden aan de lantaarnpalen, zo strak dat ze niet onmiddellijk weer los zullen schieten. Aan de bewoners van de enige flat in de wijk hebben ze synthetische vlaggen uitgedeeld, goedkope rommel maar goed genoeg om de buurt rood te kleuren.
Het marktplein loopt vol met uitbundig geklede mensen; sommigen hebben de gezichten of haren roodgeverfd, een man heeft zich in een mensgrote vlag gewikkeld. Een ander loopt rond in het pak van een matador, twee heren spelen samen voor stier. Een keeshond is roodgeverfd, het arme beest. Verderop zwaait een oude kerel met een chorizoworst, de rode hond gromt ernaar, maar een jonge vent met een bandana om het hoof geknoopt  neemt er snel een hap uit. Daar ontstaat ruzie over, de mannen kennen elkaar niet. Vrouwen schieten te hulp, zoals ze altijd te hulp schieten als de mannen het weer eens niet alleen op kunnen lossen. Het grote scherm aan de kop van het plein staat al aan, maar nog zonder geluid. De spelers rennen warm, een man met witgrijs haar spreekt tegen de presentator. Het is niet te horen en toch kijken de mensen al gefascineerd naar het scherm. Wie bier haalt bij de tap achter aan het plein, staat met het gezicht van de bar af gedraaid. Wanneer de juiste speler close-up in beeld komt, stijgt gejuich op. Iemand roept: ‘Hup Spanje!’ Meer gejuich, applaus en dan sluit de bar of hij blijft gewoon open maar niemand hoeft nog bier. Honderd tot honderdvijftig mensen hebben zich hier verzameld. Een orkest verschijnt op het veld, de volksliederen worden ingezet. Op het plein leggen een paar mannen de hand op het hart, maar dat gaat wat ver, niet iedereen kan daarom lachen. Het Spaanse volkslied heeft geen tekst, anders werd het misschien wel meegezongen. Nu neuriën een paar mensen de melodie, meer kun je ook niet doen en dan fluit de scheidsrechter.

Prrrttttttttttttt!

‘Heel die wijk oranje, zullen we het gewoon doen?’
‘Maar we doen niet mee.’
‘Nee, eikels.’
‘Volgevreten profs, te lui, slecht gewerkt. Als ik zo zou werken als zij hebben gevoetbald… dan vlieg ik eruit.’
‘Precies, dan vliegen we eruit.’
‘Ze moeten zich schamen, allemaal. Behalve die frisse jonge buitenspeler, die heeft goed gespeeld die laatste wedstrijden.’
‘Ja, heel goed. Weet je nog die goal in Kazachstan?’
‘Maar dan kunnen we toch nog wel een feestje vieren.’
‘Er is geen enkele reden voor een feest.’
‘Wie bepaalt dat? Jij?’
‘Gewoon een goed feest van een week of drie. Heel de buurt oranje. Supergezellig. Barbecueën buiten.’
‘Met een biertje.’
‘Of twee.’
‘Ik ga geen oranje vlag ophangen.’
‘En als wij het doen, dan toch wel?’
‘Dan ook niet.’
‘Het gaat toch om je buurt? Dat we het samen doen?’
‘Allemaal hetzelfde, mooi oranje, ballonnen. Dat verbroedert.’
‘Ik vind het raar.’
‘Nou dan niet toch, jongen.’
‘Wat nu als we het anders doen? Een ander team aanmoedigen?’ 
‘Ben je helemaal?’
‘Je zegt net dat ze allemaal lui zijn en verwend, waarom zou je daarvoor juichen? Kies dan een ander team uit. Stel Italië, maken we de hele wijk blauw.’
‘Weet je wat dat kost? Ik heb die oranje slingers nog liggen, kan ik zo ophangen. Vlag ook. Mijn vrouw heeft voor het WK kussens geborduurd met de Nederlandse vlag, daar slapen we die weken op.’
‘Blauw is een mooie kleur.’
‘Italianen vertrouw ik voor geen meter. Wij hadden vroeger een Italiaan in het dorp wonen. Wat een vent. Een kleermaker die je knopen zo van je jasje trok en hem dan voor veel geld wilde repareren. Zo zijn ze allemaal. Flikkers.’
‘Een ander land dan.’
‘Ik zou niet weten welk.’
‘Maar nooit gaat iedereen meedoen, dat geef ik je op een briefje.’
‘Al doet alleen onze straat mee. En misschien de volgende, dan heb je al sfeer. Biertje erbij, grill aan en hamburgers erop.’
‘Drinken Italianen bier?’
‘Wijn, denk ik.’
‘Bier is niet goed genoeg zeker.’
‘Hoe dan ook, mensen. Zullen we het proberen?’
‘Niet met Italië, ik doe dan niet mee.’
‘Spanje?’
‘Welke kleur hebben die?’
‘Rood. Heel de buurt rood.’
‘Kan ik dan die oranje slingers toch gewoon ophangen, in de zon lijkt dat net rood.’
‘Nee, dan moet je ook echt rood doen. Anders werkt het niet.’
‘Iedereen of niemand, jongens.’
‘Iedereen of niemand, ja. Precies.’
‘Heel de wijk felrood, dat zou geweldig zijn.’
‘En Spanje heeft een goed team dit EK. Costa in de spits, dat is pas een kerel.’
‘Ik zeg doen.’                                          
‘Niet lullen maar doen.’
‘Ik zal een brief maken en overal in de bus stoppen. Vragen of de mensen wat centen willen geven voor versieringen en een scherm om te kijken op het plein.’
‘Wedden dat die op de hoek weer niet meedoen?’
‘Waarschijnlijk weer met een kutsmoes.’
‘Moeten ze ook zelf weten, maar kom hier dan niet wonen.’
‘Nee, ga lekker ergens zitten waar de mensen elkaar geen gedag zeggen. Hier zeggen we elkaar gedag. Is dat te moeilijk voor je? Daar is het gat van de deur.’
‘Niet stiekem toch die oranje rommel ophangen, jongens. Echt rood.’
‘Nee nee.’

 De wijk telt één Spanjaard. Andrés, maar die zit het openingsduel thuis. ‘Daar zie ik het beter,’ betoogt hij voor de wedstrijd. ‘Scherper. Als de zon in mijn scherm schijnt, dan draai ik het ding gewoon. Op een plein kan dat niet.’ Andrés woont in een klein huis met een slecht onderhouden voortuin. Hij werkt nachtdiensten in een koekjesfabriek waar hij vijftien kilometer naartoe fietst iedere avond, en ’s ochtends ook weer terug.
‘Hij zou het toch juist leuk moeten vinden dat we zijn land aanmoedigen,’ klinkt het op het plein tijdens de eerste groepswedstrijd tegen Slowakije. ‘Ja precies,’ antwoordt de man die in een Spaanse vlag is gewikkeld. ‘Ik loop er toch ook een beetje voor hem zo bij.’
Toch laat Andrés zich niet op het plein zien. Onverwacht speelt Spanje gelijk.
De mannen van de buurtvereniging, die hun nek hebben uitgestoken met het idee om dan maar een ander land aan te moedigen, komen na de wedstrijd bijeen bij Titus, het enige café in de wijk.
‘Stel nu toch dat ze er meteen uitvliegen,’ zegt eentje. ‘Dat zou wat zijn.’
‘Ik kan het me niet voorstellen,’ antwoordt de man in het matadorspak tevens voorzitter van de buurtvereniging. Hij heeft in de hoogste boom van de wijk een rood lint gehangen, misschien om een signaal af te geven dat het hem ernst is met deze armada.
‘Het loopt wel los,’ zegt hij nu. ‘We stoten wel door die poule heen.’
‘We?’ vraagt de man die de hele middag de achterkant van de stier heeft verbeeld. ‘Je bedoelt Spanje.’
‘Natuurlijk,’ antwoordt de matador en hij neemt zijn hoed af en veegt zweet van zijn voorhoofd. ‘Natuurlijk.’
Titus schenkt nog wat bier in, een rondje van het huis. Er is een mooie omzet bereikt vanavond, want Titus staat ook achter de bar op het plein.
’s Avonds wordt er door een man of twintig op de hoek van de straat paella gegeten. Het is prachtig weer en meer bier vloeit. Gewoon Hollands bier, daar kun je van op aan, dat is het lekkerst. In de paella zitten geen zeevruchten – fruta de mar, daar willen ze hier toch niet aan.

Het toernooi gaat verder, Spanje kwalificeert zich inderdaad als eerste in de poule voor de volgende ronde. In de kwartfinale moeten ze het opnemen tegen België, de ploeg in vorm.
‘Het moet te doen zijn,’ zegt Andrés desgevraagd. Vandaag is hij wel naar het plein gekomen. Waren er de eerste wedstrijd zo’n honderd mensen, nu staan er minstens tweehonderd. Nog meer familieleden zijn meegekomen met buurtbewoners.
‘Bij ons leeft het EK!’ heeft de voorzitter van de buurtvereniging tijdens een interview bij de regionale omroep met trots vermeld. Ook de krant heeft geschreven over de roodkoorts in de wijk. De reacties zijn verdeeld. Sommige mensen vinden het erg leuk, volgens anderen neigt het naar landverraad.
‘Dan kom je toch lekker niet,’ zegt de buurtvoorzitter in hetzelfde interview. Hij heeft gelijk, het leven kan zo eenvoudig zijn. Er verschijnen zelfs mensen die niemand in de wijk kennen. Omdat er tijdens de laatste groepswedstrijd ook een man bij was die de boel bij elkaar schold –‘NSB’ers, NSB’ers!’ – zijn er drie agenten op het plein, en dat drukt de pret best een beetje.
‘Dat zoiets nodig is,’ zegt een dame een verongelijkt tegen haar man. Hij is verkleed als koning, waarschijnlijk de koning van Spanje. Zij draagt een rode chique jurk, althans dat is het idee. Hij is echter veel te laag uitgesneden en staat haar ronduit ordinair. Ze hebben een halfuur in de auto gezeten. De vrouw vraagt bezorgd: ‘Waar kan ik naar de wc?’ Een buurtbewoner zegt. ‘Dat kan gewoon bij mij, wijffie.‘Kom maar mee.’
‘Ik hoef nu niet,’ zegt ze.
Niemand rekende op de aanwezigheid van Andrés en dus is het extra leuk dat hij er is. Hij heeft over zijn gezicht een vlag geschilderd. Opmerkelijk nauwkeurig, daarvoor is een hoop geduld nodig geweest, dat kan niet anders. Andrés staat niet bepaald bekend om zijn geduld, eerder om zijn temperament. Hij is zo’n kerel die ruzie kan krijgen bij de kapper of met de barvrouw in de kroeg. Zo’n ruzie gaat er altijd hard aan toe. Andrés draagt een vaal shirt van de nationale ploeg, uit de tijd dat ze nog een andere kledingsponsor hadden. Hij heeft een vriend meegenomen die een oud shirt van Atlético Madrid aan heeft getrokken.
‘En jongen, wat heb jij nu aan?’ vraagt een oude vent die een splinternieuw shirt draagt, het ruikt nog naar de winkel.
De vriend van Andrés haalt de schouders op. ‘Que pasa?’ vraagt hij.
‘Laat maar,’ zegt de oude vent. Hij lacht, en richt zich tot Andrés: ‘Zenuwachtig?’
‘Ik zweet al de hele dag. Zo spannend.’
Nu hij het zegt, valt het de mensen inderdaad op: de vlag op zijn gezicht begint uit te lopen, het rood en het geel mengen.
‘Je ziet er mooi uit,’ zegt een dame tegen hem. ‘Echt heel mooi.’
Ze heeft zelf een rood sjaaltje omgeknoopt. Als de volksliederen spelen, bijt ze op haar onderlip en friemelt aan het sjaaltje. Haar man legt net als meerderen hier de hand op zijn hart, dat is erin geslopen en inmiddels geaccepteerd. Als het Spaanse volkslied tekst zou hebben gehad, zouden ze het hier meezingen, zeker weten. Maar het Spaanse volkslied moet het hebben van de melodie. Wanneer ook het Belgische volkslied is gespeeld en de aftrap genomen, zegt de mevrouw van even eerder, de ordinaire Spaanse koningin: ‘Nu moet ik plassen, mensen.’

Olééééééé klinkt het uit tweehonderd kelen. Spanje begint goed. Nog geen doelpunt, maar de bal gaat snel van voet naar voet, niet bij te houden voor die Belgen. Steeds klinkt het oléééééé.
Iemand met een ontzettend lage, volle stem roept: ‘FORZAAA SPANIAAAA!’ Het klinkt als tromgeroffel. Dit is de man die zich steeds in een mensgrote Spaanse vlag wikkelt.
‘Olééééé!’ klinkt het nog luider.
‘We spelen ze aan gort,’ merkt de buurtvoorzitter trots op. Ook vandaag is hij matador, maar zijn pakje glimt iets meer, het lijkt van fijner stof te zijn gemaakt.
De 1-0 blijft uit. Spanjaard Andrés ijsbeert heen en weer, de verf loopt van zijn kin af en drupt op de grond. ‘Ik vertrouw het niet,’ zegt hij. ‘Die Belgen gaan winnen.’ Zijn vriend zegt niet zoveel, die staat naast een blond meisje, vast nog geen achttien. Ze hebben de hele tijd oogcontact, totdat de vader van het meisje ertussen komt staan. Allemaal vriendelijk, veel lachen, behalve dan Andrés. Wanneer België vlak voor rust 0-1 maakt, foetert hij in het Spaans. Bij 0-2 springt hij van boosheid een paar keer op en neer en na de verdiende 0-3 stormt hij van het plein af. Zijn vriend in het shirt van Atlético laat hij achter, maar die merkt het niet eens, die heeft alleen oog voor de blonde tiener. Zij wordt in de gaten gehouden door haar vader die zo groot is als een worstelaar, al gaat de dreiging van zijn uiterlijk grotendeels verloren omdat hij een rode pruik opheeft. Het publiek schreeuwt nu geen ‘olééééé’ meer; teleurstelling overheerst, die voel je wanneer je tussen hen instaat, maar er is ook een zekere opgeruimdheid voelbaar. Heel anders dan wanneer Oranje verliest.
‘Als je eerlijk bent, is dit prettiger,’ zegt de matador tegen het achterste van de stier. ‘Maar ik had echt gedacht dat ze de finale zouden halen.’
Bij de 0-3 wordt er aarzelend voor de Belgen geapplaudisseerd, terwijl het niet eens een fraai doelpunt is, gewoon een corner die Vincent Kompany erin kopt, waarbij Casillas lelijk mis tast, maar dat is al jaren geen nieuws meer.

Andrés trekt op weg naar huis de versieringen van de hekken en uit de bomen, natuurlijk trapt hij met veel misbaar ook op een rode ballon, daar kun je op wachten als die dingen overal rondzweven. Het eerste wat hij  bij thuiskomst doet, is een ladder in klimmen en de linten van zijn eigen voorgevel af trekken. De ladder wankelt onder de daverend driftige stappen van de Spanjaard. Vervolgens haalt hij de grote vlag weg die al twee weken achter zijn raam hangt. Hij smijt alles in een hoek van de kamer en gaat in bed liggen. Het feest op het plein gaat nog een poos door. Ondanks de nederlaag. De buurtvoorzitter, een opportunist in hart en nieren, roept met schorre stem: ‘Het is zo mooi dat we gewoon feestvieren. We zijn de enige wijk in Nederland waar het EK leeft!’
‘Precies,’ antwoordt iemand. ‘Dit is nog beter dan verwacht.’
‘Maar nu is het voorbij,’ zegt de buurtvoorzitter. Hij komt met zijn stem nauwelijks boven de massa uit. Cafébaas Titus blijft heen en weer lopen  tussen zijn café en de bar op het plein, het gaat hard met het bier. Voor vijf euro kunnen mensen een halve chorizo kopen die Titus’ vrouw in plakjes snijdt. ‘Tapas!’ roept ze. ‘Tapas vijf euro!’
Een dronken man die niet eens in de buurt woont, ze herkennen hem althans niet, vraagt hardop: ‘Wie is verantwoordelijk voor dit feest?’ De buurtvoorzitter zet een stap naar voren.
‘Misschien kunnen we vanaf nu België toejuichen,’ zegt de man dan. ‘Die hebben geweldig gespeeld. Drie-nul winnen van Spanje, dat zijn kanshebbers voor de titel.’
‘En ze spelen in het rood!’ roept iemand.
‘Dan kunnen we alles laten hangen,’ zegt de buurtvoorzitter. ‘Helemaal geen slecht idee, helemaal niet slecht.’
Zoals dat gaat met goed nieuws, en trouwens ook met slecht nieuws, zoekt het razendsnel zijn weg in de groep.
‘Allez Belgica!’ roept de man met de lage, volle stem. ‘Allez Belgica!’ In de huizen worden de Spaanse vlaggen diezelfde avond en anders de volgende morgen afgehaald, maar de rest van de versieringen blijft hangen. De linten die Andrés in zijn woede omlaag heeft getrokken worden opnieuw gespannen. De Spanjaard laat zich twee dagen niet zien, maar uiteindelijk moet hij toch ook gewoon boodschappen doen. Wanneer hij buiten komt zegt hij tegen iedereen die het wil horen, en ook tegen mensen die het niet per se willen dat Nederland zich niet eens kwalificeerde.

 Op het plein is het voor de halve finale van België minstens zo druk als tijdens de laatste wedstrijd van Spanje. De man met de diepe stem is verkleed als Urbanus, Lambik en Jerom lopen ook op het plein rond. Er is een beeldje van Manneken Pis dat bier pist over de hoofden van de mensen, maar niet tijdens de wedstrijd. Verder veel Fellaini-pruiken en mensen met rode petjes en sjaaltje. De rode hond is roder dan ooit. Als hij gromt en zijn tanden laat zien, zeggen de mensen: ‘Een echte rode duivel.’ Kinderen trekken aan zijn staart tot hij gromt. De wedstrijd is tegen Duitsland en kinderlijk naïef laat België zich wegzetten. De Duitsers scoren snel en daarna wordt het nooit een echte wedstrijd.
‘Dat was Spanje niet overkomen!’ zegt de buurtvoorzitter terneergeslagen.
‘En Nederland al helemaal niet!’ roept iemand.
De finale tussen Italië en Duitsland wordt niet op het plein gekeken. Wie er wint interesseert niemand. Het scherm is teruggebracht naar de verhuurder. Het café van Titus is ook opvallend leeg. De rode linten, vlaggen en andere versieringen blijven nog een tijd hangen in de wijk, totdat de lucht uit de ballonnen is gelekt en de kleurige linten af zijn gaan geven in de regen en als propjes in de hoeken van de straten belanden, waar ze door medewerkers van de gemeente na ongeveer een maand worden opgehaald. Alle andere versieringen worden door diezelfde gemeentewerkers afgehaald en achter in een busje geflikkerd, dat is dat.

Dit stuk verscheen eerder in Hard gras 101, april 2015

Uit het blad

Nog meer berichten uit deze rubriek.

Lees alle berichten >