Hard gras

http://www.hardgras.nl

Delen op Google Plus Delen op Facebook Delen op Twitter

De bezetenheid van Robin van Persie (Hard gras 53)

Door Henk Spaan

Robin van Persie sms’t of ik in plaats van half acht om acht uur naar Rotterdam wil komen. Hij moet, na zijn intensieve dagelijkse revalidatie, nog slapen. Het geeft me met de afnemende file een uur respijt. In Rotterdam heb ik voor de zoveelste keer het probleem van parkeren met een chipknip. Wie heeft er nu een chipknip? Niemand in Nederland heeft een chipknip, behalve inwoners van Rotterdam. Daar kun je dan ook vrijwel nergens je auto kwijt. Het gooien van munten in meters kennen ze hier niet. Soms is een creditcard toegestaan, maar dat werkt nooit. Hoe doen toeristen dat? Een grappige notie is dat: toeristen in Rotterdam. Op de parkeerplaats achter het gebouw waarin Van Persie zijn appartement heeft, stopt een vriendelijke Rotterdammer zijn chipkaart in de meter. Ik geef hem vier euro. Naast de hoofdingang van het flatgebouw zit een glimmende metalen schijf. Voor het gewenste huisnummer moet je naar links draaien, voor de naam naar rechts. Ik doe het laatste. De naam Van Persie komt niet voor. Ik bel naar zijn mobiel. ‘Je naam staat niet op de deur,’ zeg ik. ‘Je moet naar links draaien, naar het huisnummer,’ zegt hij. Ik doe het. Er wordt een andere naam zichtbaar. ‘Schuilnaam. Nu moet je op de bel drukken,’ zegt Robin. Ik zie geen bel. ‘Dat langwerpige ding,’ zegt hij. Als dat een bel is, heb ik nooit een grotere gezien. Ik druk erop. ‘Ja, ik zie je!’ zegt Robin, die kennelijk altijd weer blij verrast is als zijn gadgets het doen. Ik herken het gevoel.

Binnen het gebouw, dat me een verklaring van goed gedrag heeft gegeven, zwaaien alle deuren nu als vanzelf voor me open. Robin en Bouchra van Persie, plus natuurlijk de baby, wonen op 37-hoog. Het appartement met de zeer ruime zitkamer biedt een schitterend uitzicht over de stad. Robin zegt dat ze er elke dag opnieuw weer van genieten. Ze hebben de flat gekocht een maand voordat de transfer naar Arsenal rondkwam en meteen besloten hem aan te houden. Nu Robin dag in dag uit revalideert in Amsterdam, komt dat heel goed uit. We hebben het over het filmpje dat ik een jaar of vijf geleden met hem heb gemaakt. Hij woonde toen nog bij zijn vader in een klein huisje in de wijk Jaffa. Het interview deden we in zijn jongenskamer waarvan hij het plafond en de muren had bekleed met geruilde shirts. In Engeland heeft hij net zo’n kamer ingericht, al heeft het aantal shirts zich danig uitgebreid. ‘Er staat ook een tafeltennistafel. Iedereen die bij me komt, moet een set tegen me spelen. Ik heb me voorgenomen er nooit een te verliezen. Ik sla ze helemaal weg. Vroeger hebben ze me al eens gevraagd op een club te komen spelen. Hadden ze me in een buurthuis gezien. Weet je wie ook goed is? Van Basten! Laatst heb ik in Hoenderlo tegen hem gespeeld. Eerst had ik hem onderschat. Toen verloor ik met 21-12. De set erna heb ik met 24-22 gewonnen. Marco wil ook nooit verliezen, dus je begrijpt wel hoe de stemming was met twee van die gasten die per se willen winnen. Ik had een keer een vriend over de vloer die niet meer kon ophouden. Steeds als hij had verloren, wilde hij nog een keer. Ik denk dat we in twee dagen wel vijftig potjes hebben gespeeld. Van de zomer in Marbella hadden de buren een tafel. Dat kon je horen: tok-tok-tok. Ik was daar met een vriend en we werden helemaal gek. We moesten en zouden ook spelen. Ik ben gaan aanbellen om te vragen of we alsjeblieft even mochten. Het waren Engelsen. Ze vonden het best. We hebben een uurtje gespeeld en toen was het pfff, die druk was weg. Tegen die Engelsen hebben we niet gespeeld. Ze waren niet goed. Dat kon je ook horen: tok…tok…tok. Als wij spelen is het: toktoktoktoktok!’

Ik mag Robin graag. Dat is in die vijf jaar niet veranderd, hoewel de onbevangenheid van toen er niet meer is. Hij is behept met een street-wijsheid die hij probeert te maskeren. Voor een jongen van zijn leeftijd, 23, kan hij goed en met afstand over zichzelf praten. De meeste spelers doen helemaal niet aan reflectie. Daartoe missen ze, eerlijk gezegd, de intelligentie. Zoals alle topvoetballers heeft Van Persie een perfect geheugen voor spelsituaties. Zo beschrijft hij tot in detail een aanval van Arsenal tegen AZ waarin hij zelf de hoofdrol speelt. ‘Ik kreeg de bal op links. Ik speel Cesc aan en steek over. Hij geeft me de bal terug. Ik geef hem aan Hleb en steek van rechts weer naar binnen. Hleb speelt me perfect aan in de ruimte, ik doe alsof ik aanneem maar laat lopen, draai me om en schiet. Het schot was niet goed, maar die aanval… dat was helemaal Arsenal. Alleen maar one-touch! Geen speler die de bal meer dan één keer heeft geraakt. Zo voetballen, dat is het pure geluk.’ Tegen Manchester United brak Robin van Persie zijn voet. Later hoorde hij dat in de botjes al eerder scheurtjes waren ontstaan, maar bij het scoren van de gelijkmaker ging het mis. ‘Ik heb die goal toevallig pas weer teruggezien, omdat we bezig zijn met het aanpassen van mijn schoeisel. Ik stond één meter achter Gary Neville met mijn voorlaatste pas. Het laatste stuk van misschien wel vier meter bestreek ik met één stap. Daardoor kwam er zoveel druk op mijn rechtervoet dat hij klapte. Het had met pure wilskracht te maken: ik moest en zou die bal hebben. Neville had er normaal gesproken eerder bij moeten zijn. Maar als je zo gefocust bent als ik toen was, kun je ondenkbare dingen doen. Toen ik het zag dacht ik: hoe kan ik die bal op een meter achterstand na één laatste stap er zo inschieten? Dat is eigenlijk bizar. Er hebben specialisten gekeken naar het ontstaan van de blessure. Bij elk schot dat ik afvuur, komt mijn hele lichaamsgewicht op mijn rechtervoet te rusten. Omdat ik de bal een bepaalde curve wil meegeven en ook een zekere kracht, komen mijn billen helemaal omlaag en raakt mijn lichaam totaal ingedeukt. Helemaal naar rechts gaat het hangen. Het is geen gezicht. Jarenlang schiet ik al zo, zet ik mijn voet zo in het gras omdat ik die bal zoveel snelheid en effect wil meegeven. Daardoor is er te veel spanning op die voet komen te staan. De helft was al ingescheurd. Dat kon je goed zien op de scan. Op het moment dat ik tegen Manchester United met die ene laatste stap de bal bereikte, is het aan de andere kant ook ingescheurd. ‘Ik had zoveel energie in die wedstrijd gestoken. We hadden woensdag geen midweekse wedstrijd, dus ik begon al op maandag op mijn voeding te letten. Ik was steeds bezig met rust nemen, de goede dingen eten en toen ging ik op woensdag twee keer door mijn enkel, terwijl ik zou starten. Ik was zo geconcentreerd, dag en nacht was ik ermee bezig. Gelukkig kon ik invallen. Die goal heeft zoveel voor me betekend, want ik had nog nooit gescoord tegen Manchester United en nu maakte ik het verschil in een topwedstrijd. Ik was zo blij! Ik zei ’s avonds tegen mijn vrouw, en ik wist al dat ik er drie maanden uit zou zijn: als ik had mogen kiezen tussen niet scoren en niet geblesseerd raken en dit, zou ik hebben gekozen voor mijn goal. Ik heb er een stuk of vijfendertig gemaakt voor Arsenal, maar tegen Manchester United, op het absolute topniveau, had ik het verschil nog niet gemaakt. Hoe ik mij die avond voelde was blijdschap van binnenuit, mijn vrouw weet dat. Ik liep met krukken, maar ik was zo vrolijk. Ik had zoveel van mezelf gevraagd en er dit voor teruggekregen. Zo voel ik het nog steeds, nu ik in deze zware herstelperiode zit. Niemand kan me het doelpunt en de blijdschap meer afnemen.’

Als ik de sportschool van Fysiomed aan de Stadhouderskade in Amsterdam binnenkom, is Robin aan het opdrukken. Het is een loodzware oefening. Met zijn voeten los van de grond duwt hij zich, in volle lengte op twee armsteunen leunend, twaalf keer op tot zijn armen helemaal gestrekt zijn en weer zakken. Hij wordt bijgestaan door de Italiaanse fysiotherapeut Carlo Tosi. Leo Echteld is weg met het Nederlands elftal. Overal in de zaal werken mensen aan hun conditie: fietsend, lopend of werkend met gewichten in Nautilus-machines. Robin wijst op een meisje wier manifeste beenspieren schuilgaan onder een spiegelgladde huid: ‘Zij hockeyt samen met mijn nichtje bij Laren.’ Hij moet lachen: een bij Laren hockeyend nichtje. Hoe vind je dat? Dag in dag uit van ’s morgens vroeg tot laat in de middag werkt Robin hier aan zijn herstel. We lopen naar een behandelkamer. Ik kijk naar het litteken op zijn voet. Het is een centimeter of acht lang, de zwelling is bijna weg. Carlo meet de vetpercentages. Hij schrijft het cijfer 3 op. De weegschaal zegt 77 kilo. Van Persie moet op de grond gaan zitten, zijn benen gestrekt in de ‘sit and reach box’, een apparaat om de lenigheid te testen. Hij drukt zijn voeten tegen twee ijzeren kleppen en buigt voorover om een schuifje zo ver mogelijk weg te duwen. 36 noteert Carlo Tosi. ‘Ik slaap vanavond hier,’ zegt Robin. ‘Vrijdag was ik zo moe dat ik op de A4 bij Roelofarendsveen bijna in slaap ben gevallen. Ik was echt effe weg, ging zo naar rechts. Ik ben naar een tankstation gereden om wat rust te pakken en een Red Bull te drinken. Dat liep echt uit de hand. Nu slaap ik hier in dat hotel om de hoek. Morgen om half negen weer aan de bak.’

Hij loopt de zaal in voor een conditietest op de fiets. Ook dit is geen freewheelen. Als hij er na een minuut of tien afkomt, heeft hij een hartslag van 160. Het stemt tot tevredenheid. Ik vraag hem of hij van plan is om straks bij Arsenal dit soort krachttrainingen te blijven doen. Dat is hij vast en zeker. Twee keer per week gaat hij op deze manier aan zijn conditie werken. Ik noem de naam van Zlatan, maar volgens Tosi hoeft krachttraining niet ten koste van de snelheid te gaan als hij maar wordt gecombineerd met snelheidstraining. ‘Taptaptaptaptaptap,’ zegt hij en maakt een manuaal van denkbeeldige voeten. Intussen drukt Robin in een Nautilus-apparaat met zijn benen gewichten weg. Ik vertel dat ik het met Kees Jansma over zijn fameuze tafeltennismatch met Van Basten heb gehad. Robin begint te stralen. ‘Ja, hij was erbij. Al die gasten stonden te kijken. We moesten eigenlijk om half zes trainen, maar het potje was nog niet af.’ ‘Tegen wie?’ vraagt een jongen op een loopband. ‘Tegen de trainer. Hij is goed, man,’ zegt Van Persie met dat onbeschrijfelijke accent geboren uit de ontmoetingen op straat tussen Surinamers, Marokkanen en Nederlanders, een accent dat het verschil tussen Rotterdams en Amsterdams met gemak overbrugt. ‘Wat is zijn kwaliteit?’ vraagt de jongen. ‘Topspin. Met forehand en backhand. Altijd aanvallen, man.’ ‘Weet je wie ook goed is? Boulah,’ zegt de jongen. ‘Sla ik weg. Hij is bij me geweest in Londen. 7-0 voor mij. Hij wilde steeds een nieuwe partij.’ ‘Dan ben je echt goed, man. Want Boulah is goed,’ zegt de jongen. ‘Ik heb zo’n hele zware kapservice.’ Robin gaat helemaal naar achteren hangen om hem voor te doen. ‘Die bal sprong bij hem alle kanten op.’ Van Persie kijkt naar zijn voet en trekt een grimas. Dan wendt hij zich tot Carlo Tosi. ‘Hoe lang blijf ik die pijn houden? Leo zegt misschien wel anderhalf jaar. Als ik ’s morgens wakker word heb ik pijn. Mario Melchiot heeft deze blessure ook gehad en die heeft nog maanden en maanden last gehouden.’ Tosi mompelt iets van een paar maanden en dat elk geval individueel is. Robin begint te lachen, allang aan iets anders denkend. ‘Goed, hè, Mario. Die is nou voor de vierde keer transfervrij. En wel vijf jaar bij Chelsea in de basis, hè? Die heeft echt alles uit zijn carrière gehaald wat erin zat.’ Er komt een blonde vrouw binnen. Ze zegt Robin gedag en spoort hem aan weer snel beter te worden. Volgens haar hebben ze hem zwaar gemist de avond tevoren in die bar slechte wedstrijd tegen de Roemenen. ‘We hebben niks gecreëerd,’ beaamt hij. De vrouw loopt een behandelkamer in. Ik vraag wie zij ook alweer is. Kim Lammers, de spits van het Nederlands hockeyteam. Ze wordt hier behandeld door de fysiotherapeut van Laren, een jongen die ook Kim Lammers heet. Robin heeft er nog niet bij stilgestaan dat dit verrassend grappig is. We praten weer over Arsenal, zoals een week geleden ook al de hele avond. Zodra het over voetballen gaat, spat de passie er bij hem van af.

CESC FABREGAS

‘Cesc is langzaam, hè. Hij is een van de langzaamsten bij ons. En toch is hij de snelste van allemaal. Hij denkt altijd twee seconden vooruit. Ik denk wel eens: waarom pakt de tegenstander de bal niet van hem af? Komt-ie weer, piep, met een hele kleine schijnbeweging. Op de training loop ik drie, vier meter achter hem. Ik haal hem in en denk: nou pak ik je. Geeft-ie met de punt van zijn schoen zo, piep, een heel klein passje voor een één-twee. Pakt-ie weer anderhalve meter. Ik haal hem in, wil hem pakken, draait-ie, piep, net weer weg met een lichaamsschijn. Zo irritant! Hij denkt altijd vooruit. Wij als spitsen kunnen altijd een diepe bal verwachten. De meeste middenvelders kijken eerst opzij, daarna eventueel diep. Cesc kijkt altijd eerst naar voren.’

ALEXANDER HLEB

‘Hij is van nature rechtsbenig, maar hij heeft zijn linker heel goed getraind. Wij schieten na de training altijd nog een stuk of zes ballen vanaf de zestien op doel. Ik heb Hleb het hele seizoen nog nooit een bal met rechts zien schieten. Altijd alleen maar met links om daar sterker te worden. Het is echt een wapen van hem geworden. Die man draait zo snel weg naar links of rechts. Hetzelfde geldt voor Rosicky, dat als zij een bal krijgen aangespeeld je er van je lang zal ze leven niet meer bijkomt omdat ze zo goed zijn in de korte ruimte. Die jongens kun je aanspelen zonder je druk te hoeven maken over hun goede of slechte been. Zelf kun je dan al bezig zijn met de volgende actie. Hier in Nederland wordt daar toch wel heel vaak de nadruk op gelegd, op welk been je inspeelt. Wij verwachten gewoon of je nu op links of rechts inspeelt, dat die bal in één keer goed ligt.’

Kim Lammers is klaar met haar behandeling bij Kim Lammers. Ik vraag me af hoe het zou zijn om te worden gemasseerd door een vrouw die Henk Spaan heet en moet die gedachte snel verlaten. Kim, de hockey-international, komt bij Van Persie staan. Ze praten over Nederland-Roemenië. De hockeyster heeft zich verbaasd over die statische vleugelspitsen van het Nederlandse voetbalelftal. Die fase hebben ze in het hockey al een tijdje achter zich gelaten. ‘Mogen ze niet switchen?’ vraagt ze. ‘Ze switchen wel,’, zegt Robin. Ja, en dan blijven ze weer een kwartier aan hun plek gekluisterd. Robin vertelt dat het bij Arsenal anders gaat. Hij noemt het een georganiseerd zooitje. Als ze in balbezit komen, gaat iedereen door elkaar heen lopen. Het mag, zo lang elke positie maar ingevuld blijft. Het gaat bij Arsenal niet om de speler, maar om de positie. ‘Ik loop altijd weg uit de rug van mijn verdediger,’ zegt Kim Lammers. Dat heeft ze Robben noch Babel zien doen. ‘Ik zoek oogcontact met het meisje dat de bal heeft en dan ben ik weg,’ zegt ze. Ik realiseer me dat met een stuk of acht trainingssessies per week, wat er vijftien worden in de aanloop naar Beijing, het vrouwen hockeyteam in tactisch opzicht veel verder is dan het dure voetbal-Oranje. Tegenstanders worden voor elke interland nauwkeurig via de modernste videosystemen ontleed. Robin neemt het op voor zijn teamgenoten. ‘Roemenië deed het goed. Steeds zag je een blok van een man of zeven met de bal meebewegen. Dat blok ging maar heen en weer. Eigenlijk hadden ze een soort Messi nodig gehad om die twee centrale verdedigers over de grond aan te pakken. We hebben het bij Arsenal ook wel dat kleinere clubs zoals Blackburn of zo met een verdedigend blok spelen. Dat doen ze zo goed. Dan moet je maar blijven komen in het hoogste tempo. Backs er overheen aan de buitenkant en maar blijven gaan. Dan zie je vaak dat ze na zeventig minuten kapot gaan. Dan vallen er overal gaatjes.’ Maar ja. Jaliens en Van Bronckhorst zijn Clichy en Eboué niet.

EMMANUEL EBOUE

‘Dat Eboué dit seizoen al zoveel assists heeft gegeven, is een gevolg van training. Als we klaar zijn moet hij twee, drie keer per week op zijn voorzet oefenen. Een trainer geeft hem een bal langs de zijlijn, die hij op volle snelheid moet voorgeven. Tien, twintig keer. Zijn voorzet is met sprongen vooruitgegaan. Zo gaf hij mij de assist voor die volley tegen Charlton Athletic en die op Henry voor zijn winnende kopbal tegen Manchester United.’ Robin staat op één been op een kleine trampoline. Carlo gooit hem steeds een bal aan. Hij moet de bal vangen, in balans blijven en teruggooien. Van Persie beschikt ook hier over een, letterlijk, onbeschrijfelijk balgevoel. Het verschil in balvaardigheid met de fysio, die vaste grond onder twéé voeten heeft, is schrijnend, terwijl Van Persie op één been op een verend stuk rubber staat. Ook als hij de bal met één hand teruggooit, kan hij er elk gewenst effect aan geven. Omdat ik me altijd zorgen maak, vraag ik me af of die voet niet te zwaar wordt belast. Ze zullen het hier wel weten, denk ik dan maar.

TRAINEN BIJ ARSENAL

‘De verdedigers krijgen met zijn vieren naast elkaar de ene na de andere hoge bal. Die moeten ze verwerken en daarna geven ze meteen druk naar voren. De aanvallers combineren in de hoogste snelheid tussen van die poppen door. Mannequins noemen ze die. Geef je een steekpass langs zo’n mannequin. We doen veel positiespellen. Daarin zijn we zo goed! Als je bij ons tijdens een rondo in het midden staat, vijftien maal één keer raken, moet de trainer na afloop een ander aanwijzen. Het is totaal onmogelijk dat je bij die bal zou kunnen komen. Als we die bal zo laten lopen van de een naar de ander, beschouw ik dat als puur geluk. De eerste aanname bij ons is zó belangrijk. Arsenal selecteert er zijn spelers op. Weet je wie ik een echte Arsenal-speler vind? Aisatti! Dat vind ik een beeldschone voetballer. Tegen Rusland zat ik echt van hem te genieten. Ik ga niet vergelijken, maar ik vind hem potentieel bij de toppers van Nederland horen. Als ik de coach was, zou ik hem zeker meenemen naar Oostenrijk voor het EK, hoewel hij fysiek nog niet zo sterk is. Steven Gerrard vind ik ook een echte Arsenal-speler. Eén keer raken, alles zien wat er gebeurt, fantastische passes. Ik vind het een genot om naar hem te kijken. Ik denk niet dat het gaat gebeuren, maar het zou zo mooi zijn als hij bij ons zou voetballen. Weet je wat mooi is aan voetballen? Als je iets traint, zie je zo snel vooruitgang. Ik ben na de training altijd met Flamini bezig. Elkaar snoeihard aanspelen, een streep, en dan de bal als het ware temmen. Ik vind dat zo sexy! We zetten met pionnen een klein gebiedje uit van een meter bijvoorbeeld, waarin je de bal in één keer moet klaarleggen. Lukt het niet krijg je strafpunten. Wie verliest moet opdrukken. Of mag je met duim en wijsvinger tegen zijn oorlel aanschieten. Kijk, Flamini weet ook wel dat hij in de wedstrijd geen vier man gaat passeren. Dus doet hij dit om vooruit te gaan. Dat is zo goed bij Arsenal. Iedereen steekt elkaar aan om beter te worden. Ik heb het er vaak met Ryan Babel over. Die is ook heel leergierig. Ik heb het over zijn linkerbeen. Ik zeg: als je hersens weten dat je het ook met links kunt, dan lukt het ook, want je hebt talent. Je moet eerst een tijd drie, vier keer per week oefenen zodat je vertrouwen krijgt in dat been. Dan denk je: ik kan het nu en dan ga je het doen ook. Je moet eerst een bewijs leveren aan je bovenkamer dat je het kan en dan gaat het ook. Ik heb op de training wel eens een afstandschot met rechts afgevuurd dat ik dacht: zo! Kan ik dat? Van jongens als Ryan vind ik het belangrijkste: is hij een liefhebber of niet? Als je van voetballen houdt en dat doet hij, als je je uit pure liefde gaat ontwikkelen, valt het vanzelf in elkaar.’ Robin heeft een bal aan zijn voeten en sleept hem over de vloer! Dat mag helemaal niet. Ga dat maar eens vertellen aan een geboren voetballer. Hij gebruikt de fysio als mannequin. Een net binnenkomende jongen barst in lachen uit. ‘Zag je dat?’ zegt Van Persie, op weg naar de volgende oefening, op het volgende apparaat. Het is een halve bal van hout waarop hij met één been, hurkend en weer omhoog, in evenwicht moet zien te blijven. Ik ben bang voor wat er gebeurt als hij plotseling naast de bal moet stappen, maar Carlo zegt dat alles veilig is.

DE BESTE WEDSTRIJD

‘Mijn mooiste wedstrijd vind ik die tegen Ivoorkust. Ik was toen ook weer beslissend en dat is voor mij belangrijk. Als ik uit die vrije trap zou scoren en het zou 2-1 voor Ivoorkust worden, zou ik er geen speciaal gevoel bij hebben, maar alles klopte die wedstrijd. Ik was sterk, ik voelde me sterker dan die Afrikanen en dat is vrij uniek, want over het algemeen zijn zij drie keer sterker dan blanke mensen. Ik voelde me fysiek gewoon sterker dan die kerel tegenover me. Ik dartelde die wedstrijd over het hele veld. Het scheelt ook in de kleedkamer. Je merkt dat er wat sneller naar je wordt geluisterd als je iets te zeggen hebt. Dat heeft met je prestaties te maken. Ik had me op het WK, het allerhoogste podium laten zien. Het is niet zo dat ze me bij Arsenal daarvoor niet waardeerden, maar toen ik terugkwam voelde ik me echt volwaardig lid van een topploeg als topspeler. Ik had twee jaar lopen beuken, keihard gewerkt, maar pas na het WK erkent iedereen je, geeft je een plaats als topspeler, welcome to the family. Je moet je ten opzichte van je collega’s toch bewijzen. Je moet het verdienen. Ik werd toen gezien als iemand die een WK achter zijn naam had en die daarin meekon. Het is wel interessant dat het zo onder voetballers leeft. Ze willen het gewoon zien eerst. Bewijs het maar. Ze zeggen het niet, maar zo is het wel.’ Hij moet een oefening doen waarbij hij met de voeten plat op de grond helemaal op zijn tenen komt te staan. Eerst op twee voeten, dan op de linker en ten slotte op de geopereerde rechtervoet. Dit gaat echt niet. Het doet te veel pijn. Ik heb altijd geleerd: bij pijn meteen stoppen. Pijn is een signaal. Je kunt wel zeggen: alle profbasketballers spelen met pijn, maar zij zijn extreem geproportioneerd. Nog zie ik Larry Bird van het Dream Team in Barcelona naast het veld liggen omdat zijn rug het zitten op de bank niet meer verdroeg. Robin hoeft de oefening niet af te maken. Carlo luistert gelukkig naar Van Persies lichaam.

THIERRY HENRY

‘Het is niet zo dat ik hem adoreer of zo. Ik heb op een gezonde manier respect voor hem. Dat moet ook wel als je collega’s bent. Het zou een beetje vreemd zijn als je de kleedkamer deelt met iemand die voor jou een soort afgod is. Wel is het fijn dat je met hem in de buurt niet de beste van de groep bent. Dat haalt veel druk weg, waardoor het gemakkelijker wordt om te schitteren. Ik praatte een keer met hem over Jong Oranje, waarin ik toen speelde. Zegt-ie: ik heb tien jaar geleden met Jong Frankrijk tegen Jong Oranje gespeeld. Hij noemt de naam van Rody Turpijn. Ik denk: Rody Turpijn, leeft die nog? Hij vraagt: hoe is het met Kofi Mensah en met Martijn Reuser. Hij wist zeker twaalf spelers, inclusief bankzitters, van Jong Oranje op te noemen. Voor de training komt hij vaak naar ons toe en dan gaat hij allerlei quiz-vragen stellen over de competities in Europa. Als je één antwoord niet weet, kijkt hij je aan alsof hij wil zeggen: waar ben jij mee bezig, zeg? Henry is zo’n liefhebber. Dat verhaal over Jong Oranje zal ik nooit vergeten.’

ZINEDINE ZIDANE

‘Ik vond het verschrikkelijk voor Zidane. We waren in Marbella. Ik was zó voor Frankrijk. Zidane speelde goed, hij had die rare stiftbal gegeven die er maar net inging. Ik zit te vertellen hoe goed ik hem vind, hoe goed hij ’s, geeft hij die kopstoot aan Materrazzi. We hebben minuten lang doodstil voor ons uit zitten kijken. Kijk, wij weten wel hoe goed hij is geweest, maar de meeste mensen zullen altijd aan die kopstoot denken. Had ik je verteld dat hij me had uitgenodigd voor die Unicef-wedstrijd van hem de vorige week in Marseille? Ik zou bij hem in het team spelen, tegen dat van Ronaldo. Ik mocht in één elftal voetballen met Zidane! Het kon dus niet door mijn blessure. Er zal vast ooit nog wel eens zo’n soort uitnodiging komen. Maar nooit meer zal ik samen met Zidane voetballen.’ Als ik na twee‘nhalf uur de trainigsruimte van Fysiomed verlaat, is Van Persie nog lang niet klaar met zijn schema voor die dag. Hij moet nog een heel circuit afwerken. En de dag erna weer en dan weer en de hele volgende week, maand, wie weet hoe lang hij zich nog heeft te onderwerpen aan het regime van de come-back. Als hij weer mag spelen, zal hij in interviews zeggen: ik ben nu sterker dan vóór mijn blessure, zoals zoveel voetballers dat al hebben gezegd. Het is een haast religieuze opvatting van moed putten uit tegenslag. Een voetballer die op zijn niveau speelt, weet allang wat afzien is. Robin heeft me verteld hoe hij in zijn eenzaamste periode in Londen ‘als een extremist’ aan zichzelf is gaan werken. Hij schreef wel eens een opstel aan zichzelf waarin hij constateerde dat hij de laatste tijd weer te weinig in het strafschopgebied was gekomen, terwijl Sol Campbell hem had bezworen ‘the box’ tot zijn domein te maken. Verdedigers houden niet van aanvallers die zo dicht bij hen komen. Door het op te schrijven maakte hij zich van het probleem bewust. In zijn Rotterdamse flat beschreef hij de pijn die je voelt als je er in een wedstrijd helemaal doorheen zit. Dat hij die pijn als het ware begroette als een vriend in de wetenschap dat hij door hem nu te ondergaan, tijdens de volgende wedstrijd weer dieper zou kunnen gaan, dat de pijn dan weliswaar opnieuw zou komen, maar later. ‘Je hebt pijn in je hele lichaam. Je voelt je echt niet goed als je zo’n pijn hebt in je borst, in je ademhaling, want je kunt niet meer gezond ademen. Op een bepaald moment draai je die knop om, in die vermoeidheid, toch nog iets te doen. Ik had het tegen HSV, zo vaak was ik voor niks diep gegaan, ik was een kwartier alleen maar aan het lopen. Helemaal stuk zat ik. Toen kreeg ik een bal die ik eigenlijk snel weer wilde terugspelen, maar ik ging door mijn vermoeidheid heen en haalde er toch het maximale uit.’

Dat Van Persie het beste uit zichzelf weet te halen, komt, voor zover ik zou mogen psychologiseren, omdat hij tot in zijn diepste wezen van voetballen houdt. ‘Jij definieert jezelf door het voetbal. Je bent letterlijk een geboren voetballer,’ heb ik tegen hem gezegd. Niet voor niets noemde hij het voetballen ‘zijn grote liefde’. Hij heeft wel eens contact met een jongen uit de Feyenoord-jeugd in wie hij wel iets ziet, Michel Poldervaart. Die zou van de week bij hem langskomen. Hij ging een taxi bellen, zei hij. Robin zei tegen hem: waarom zou je niet gaan lopen? Bal meenemen en lekker rennen langs de straat. ‘Toen ik jong was, liep ik elke dag in een trainingspak. Ik deed mijn boodschapjes met de bal, ik ging naar school met de bal, ik deed alles met een bal. Als ik een afspraak had, pakten de andere jongens de tram. Ik deed mijn trainingspak aan, pakte de bal en ging dribbelen. Als je een keer in Kralingen komt, moet je het maar navragen. Hoe ik daar boodschapjes ging doen, het is een Hindoestaanse man, hij werd helemaal gek van me, want ook tijdens het boodschappen doen, hield ik de bal hoog, op mijn voeten, knieën en dan kwam er iemand langs die ik door zijn benen speelde en dan weer verder. Die jongen van Feyenoord wilde dus een taxi nemen. Hij woont bij de Kuip, zo ver van hier is dat niet. Ik zou komen rennen. Ik zou mijn trainingspak aantrekken, een bal pakken en gaan dribbelen. Het gaat ook hartstikke snel want je bent bezig met iets. Je ziet iemand en je denkt: hè, een tegenstander en dan ben je er al voorbij. Je bent steeds bezig de bal te controleren. Het is, terugdenkend, misschien best wel extreem. Maar eigenlijk ben ik nog steeds een beetje zo. Grappig, hè?

Dit artikel verscheen in Hard gras editie 53, april 2007

Tags voor dit artikel:

Uit het blad

Nog meer berichten uit deze rubriek.

Lees alle berichten >